Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2623

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
200.226.201/ 01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2019:3945
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.226.201/ 01

Zaaknummer rechtbank: C/13/623910 / FA RK 17-987 (AW MW)

Beschikking van de meervoudige kamer van 24 juli 2018 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. C.M.E. Schreinemacher te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A. Yandere te Amsterdam.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie: Amsterdam

hierna te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt de minderjarigen:

- [A] (hierna: [kind A] );

- [B] (hierna: [kind B] ).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 17 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 juli 2017.

2.2.

De vrouw heeft op 13 december 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3.

[kind A] heeft per brief, ingekomen ter griffie van dit hof op 9 maart 2018, zijn mening kenbaar gemaakt.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 11 juni 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw S. Benjamin.

3 De feiten

Partijen hebben tot 2007 een relatie gehad. Uit hun relatie zijn geboren [kind A] [in] 2003 en [kind B] [in] 2007 (hierna tezamen ook: de kinderen).

De vrouw oefent alleen het gezag uit over de kinderen. De man heeft de kinderen erkend. De kinderen verblijven bij de vrouw.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man om een omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen, afgewezen.

4.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, alsnog een door het hof in goede justitie te bepalen omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen.

4.3.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

De man stelt dat hij en de kinderen recht hebben op omgang met elkaar en dat een omgangsregeling dient te worden vastgesteld. Hij voert daartoe het volgende aan. Hij heeft omgang met de kinderen gehad tot in 2012, totdat de vrouw de omgang tussen hem en de kinderen zonder overleg en zonder aanleiding heeft gestaakt. De man heeft herhaaldelijk geprobeerd via de vrouw contact met de kinderen te krijgen, maar dat is niet gelukt. Hij heeft nimmer informatie van de vrouw gekregen over hoe het met ze gaat op school. Hij heeft nooit foto’s ontvangen van de kinderen. Op basis van een mondelinge afspraak tussen partijen na het uiteengaan had hij de kinderen elke week gedurende een dag bij zich. In 2011 heeft de man deze afspraak willen formaliseren. Hij heeft de vrouw verzocht in te stemmen met het vastleggen van omgangsregeling maar dat heeft zij niet gedaan. Voor het starten van een procedure over een omgangsregeling had hij destijds geen geld. De man is vervolgens ziek geworden en arbeidsongeschikt geraakt. Nooit is door een deskundige vastgesteld dat omgang niet goed zou zijn voor de kinderen. Het is de vrouw die de omgang tussen hem en de kinderen belemmert. De man werkt niet meer en heeft voldoende tijd om de kinderen te zien. De man meent dat het contact zal moeten worden opgebouwd.

De man stelt voor dat de raad wordt verzocht een onderzoek te doen naar de vragen of de kinderen hem willen zien en, zo ja, welke omgangsregeling het meest in hun belang is.

5.2.

De vrouw stelt dat het niet in het belang is van de kinderen om een omgangsregeling vast te stellen, en voert daartoe het volgende aan. De man heeft niets gedaan om het contact met de kinderen te behouden. Hij heeft geen contact meer gezocht sinds 2012. In 2009 is in het kader van alimentatie een mediationtraject gestart, maar daar is de man niet verschenen. Het initiatief voor de onderhavige procedure ligt bij de advocaat van de man. De man heeft niet aangetoond dat hij enig initiatief heeft genomen om contact met de kinderen te krijgen. De rechtbank heeft de man tijdens de onderhavige procedure in eerste aanleg geadviseerd aan de kinderen een kaart te sturen. Dat heeft hij niet gedaan. In de periode dat er wel nog omgang was tussen de man en de kinderen, liet hij ook regelmatig niets van zich horen. De man hield zich niet aan de afspraken, zodat de kinderen veel onrust hebben ervaren. De kinderen waren boos en presteerden slecht op school. Sinds de omgang tussen de man en de kinderen is gestopt, ging het beter met de kinderen op school en op de opvang.

De vrouw betwist dat de kinderen elke week een dag bij de man waren. Zij waren om de week gedurende een dag bij de man. [kind A] wilde een extra overnachting bij de man, maar de man wilde dat zelf niet. De man wilde de kinderen niet bij zich hebben gedurende schoolvakanties. Wel is hij zelf naar Thailand op vakantie gegaan.

[kind B] zit in groep 7 en krijgt bijna schooladvies. [kind A] gaat steeds beter op school en komt in aanmerking voor de kaderberoepsgerichte leerweg. Onrust vanwege het opstarten van omgang met de man kunnen de kinderen nu niet gebruiken. De man denkt niet aan het belang van de kinderen. De kinderen hebben de rechtbank in eerste aanleg laten weten geen behoefte te hebben aan contact met de man. De vrouw wil dat de wensen van de kinderen worden gerespecteerd en dat zij contact met de man kunnen opnemen wanneer zij zelf aangeven daar behoefte aan te hebben.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw laten weten dat zij een onderzoek door de raad te ingrijpend vindt en dat zij niet wil dat de rust in het gezin wordt verstoord door een raadsonderzoek.

5.3.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. De ouders worden nog steeds in beslag genomen door oud zeer. De ouders nemen niet hun verantwoordelijkheid over het verleden en stellen het belang van de kinderen niet voorop. De vijf jaren waarin de kinderen de man niet hebben gezien, zijn niet zomaar te overbruggen, zeker niet gezien hun leeftijd. Het is belangrijk voor hun identiteitsontwikkeling dat zij weten wie hun vader is. De raad adviseert de ouders en de kinderen naar ‘Samen doen’ te gaan. Er moet een vorm van kennismaking komen tussen de man en de kinderen. Daar is begeleiding bij nodig. [kind A] heeft vragen over zijn identiteit. Hij wil weten waar hij vandaan komt. Het is belangrijk dat de vrouw emotionele toestemming geeft voor contact tussen hem en de man. De vrouw moet het verleden aan de kant zetten. De kinderen hoeven niet bij de man te overnachten. Het gaat erom dat vrijblijvend contact tot stand wordt gebracht. Het is de vraag of een raadsonderzoek toegevoegde waarde heeft. Als de kinderen contact met de man weigeren, zal het niet lukken contact tot stand te brengen.

5.4.

Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat in de wet tot uitgangspunt is genomen dat de niet met het gezag belaste ouder en het kind recht hebben op omgang met elkaar. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de kinderen sinds ongeveer zes jaar geen contact meer hebben met de man. Partijen verschillen van mening over de oorzaken daarvan en leggen de schuld van de gebeurtenissen bij de ander. Het hof acht het in het belang van de ontwikkeling van de identiteit van de kinderen dat zij de man kunnen leren kennen. Naar het oordeel van het hof is uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep nog onvoldoende naar voren gekomen hoe het op dit moment met de kinderen gaat, wat zij ten aanzien van het contact tussen hen en de man wensen en nodig hebben en wat hun draagkracht is met betrekking tot contact(herstel) met de man. De brieven die de kinderen in eerste aanleg aan de rechtbank hebben gestuurd, bieden daarin onvoldoende inzicht. Uit de brief van [kind A] in hoger beroep kan in ieder geval niet worden afgeleid dat hij ieder contact met de man afwijst.

Het hof acht zich op dit moment nog onvoldoende voorgelicht om een beslissing te nemen en zal de raad daarom verzoeken een onderzoek in te stellen en advies uit te brengen omtrent de na te melden vragen.

5.5.

Het belang van de kinderen om niet met de eventuele onrust van een (raads-)onderzoek te worden belast, weegt naar het oordeel van het hof niet op tegen het belang van de kinderen dat thans, zes jaar nadat het contact met de man is verbroken en in aanmerking genomen de leeftijd van de kinderen en de ontwikkeling van hun identiteit, wordt onderzocht of, en zo ja, op welke wijze en in welke mate zij contact zouden kunnen hebben met de man. Het hof gaat derhalve voorbij aan de bezwaren van de vrouw tegen een raadsonderzoek.

5.6.

Het hof gaat er vanuit dat de vrouw, nu zij zich daartoe ter zitting in hoger beroep bereid heeft verklaard, de man voor de duur van het raadsonderzoek periodiek zal informeren over de kinderen, te weten eenmaal per kwartaal, bij voorkeur per e-mailbericht. Het hof gaat er voorts vanuit dat de man aan de kinderen regelmatig, in ieder geval op hun verjaardagen, een kaart stuurt.

5.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam, onderzoek te verrichten aan de hand van de volgende vragen:

  • -

    Welke mogelijkheden zijn er voor een omgangsregeling tussen de kinderen en de man?

  • -

    Zijn er factoren die het contact belemmeren? Zo ja, welke? Hoe en op welke termijn zijn deze factoren op te heffen?

  • -

    Hoe dient het contact in het belang van de kinderen vorm gegeven te worden?

bepaalt dat de behandeling van de zaak pro forma zal worden aangehouden tot
zondag 2 december 2018, met het verzoek aan de raad uiterlijk vier weken vóór die datum schriftelijk rapport en advies uit te brengen aan het hof over de resultaten van het onderzoek;

beveelt de oproeping van partijen, hun advocaten en de raad tegen een nader te bepalen zitting;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. M.J. Leijdekker en mr. J.W. van Zaane, bijgestaan door mr. T. Mekkelholt als griffier en is op 24 juli 2018 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.

De griffier de oudste raadsheer