Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2599

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
23-001713-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof Amsterdam veroordeelt zwemleraar tot 3 jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 10 jaren. Verbod werk met minderjarigen onder de 16 jaar. Ontucht tijdens de zwemles bij 11 kinderen. Vrijspraak 4 feiten. Sturende vraagstelling ouders. Geen schending ondervragingsrecht verdediging 6 EVRM. Schakelbewijs. Benadeelde partijen: verplaatste schade niet toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0627
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001713-15

datum uitspraak: 25 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 maart 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-860043-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

adres: [woonplaats] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 6, 7, 11, 15, 17, 18, 20, 21, 22, 23 en 24 ten laste is gelegd. De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld en dit is dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2016, 23 augustus 2017, 18, 20, 21 en 25 juni 2018 en 11 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman en de (vertegenwoordigers van de) slachtoffers en benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is, voor zover aan het oordeel van het hof nog inhoudelijk onderworpen, aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2012 tot en met 10 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2007), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles): in de (blote) penis van die [slachtoffer 1] geknepen, althans de (blote) penis van die [slachtoffer 1] betast;

2.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 februari 2013 tot en met 28 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2008), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles): de (blote) penis van die [slachtoffer 2] betast;

3.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 01 september 2013 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 2007), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles): de (blote) penis van die [slachtoffer 3] betast;

4.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september 2012 tot en met 10 maart 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum] 2006), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles): de (blote) penis van die [slachtoffer 4] betast;

5.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2012 tot en met 10 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 5] (geboren op [geboortedatum] 2008), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles): in de (blote) penis van die [slachtoffer 5] geknepen, althans de (blote) penis van die [slachtoffer 5] betast;

8.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2012 tot en met 10 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige(n) [slachtoffer 6] (geboren op [geboortedatum] 2003) en/of [slachtoffer 7] (geboren op [geboortedatum] 2007), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles): de (ontblote) vagina('s) en/of bil(len) en/of schaamstre(e)k(en) van die [slachtoffer 6] en/of die [slachtoffer 7] betast;

9.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2012 tot en met 10 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 8] (geboren op [geboortedatum] 2008), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles): de (ontblote) vagina en/of bil(len) en/of schaamstreek van die [slachtoffer 8] betast;

10.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september 2012 tot en met 1 juni 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 9] (geboren op [geboortedatum] 2007), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles): de (ontblote) vagina en/of bil(len) en/of schaamstreek van die [slachtoffer 9] betast;

12.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2012 tot en met 10 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 10] (geboren op [geboortedatum] 2008), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles): de (blote) penis van die [slachtoffer 10] betast;

13.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 november 2012 tot en met 10 maart 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 11] (geboren op [geboortedatum] 2008), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles): de (blote) penis van die [slachtoffer 11] betast;

14.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september 2013 tot en met 10 maart 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 12] (geboren op [geboortedatum] 2007), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles): de (ontblote) vagina en/of bil(len) en/of schaamstreek van die [slachtoffer 12] betast;

16.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september 2012 tot en met 20 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige(n) [slachtoffer 13] (geboren op [geboortedatum] 2008) en/of [slachtoffer 14] (geboren op [geboortedatum] 2006), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles): de (ontblote) vagina('s) en/of bil(len) en/of schaamstre(e)k(en) van die [slachtoffer 13] en of [slachtoffer 14] betast;

19.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2012 tot en met 10 maart 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 15] (geboren op [geboortedatum] 2005), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles): in de (blote) penis van die [slachtoffer 15] geknepen, althans de (blote) penis van die [slachtoffer 15] betast.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewijsverweren

Schending ondervragingsrecht getuigen

De raadsman heeft betoogd dat het ondervragingsrecht van de verdediging als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Hij heeft hieraan het volgende ten grondslag gelegd.

De verdediging heeft op geen enkel moment gelegenheid gehad zelf de in de tenlastelegging genoemde kinderen te ondervragen. De afwijzing door het hof van het verzoek de kinderen als getuigen te (doen) horen, berust niet op – op ‘hard’ materiaal gebaseerde – objectieve gronden, hetgeen wel vereist is volgens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Dit geldt in het bijzonder voor de afwijzing van het verzoek voor zover het betreft de kinderen ten aanzien van wie geen deskundigenonderzoek door een psycholoog is verricht. Het geldt echter ook voor de kinderen over wie wel een rapport is opgemaakt door een psycholoog, maar waarbij de conclusies van de psycholoog louter zijn gebaseerd op (niet-objectieve) informatie van de ouders (dit betreft de ouders van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 10] en [slachtoffer 13] ). Dit brengt mee dat er geen goede grond was de kinderen niet te horen.

Voorts vormen de uitlatingen van de kinderen het enige (‘sole’) en beslissende (‘decisive’) bewijsmateriaal en is geen steunbewijs voorhanden, terwijl onvoldoende compenserende maatregelen zijn genomen voor een behoorlijke en effectieve verdediging. Aldus is het recht van de verdachte op een eerlijk proces (artikel 6 lid 1 en lid 3 sub d EVRM) geschonden, zodat alle verklaringen die zijn gebaseerd op uitlatingen van de kinderen – derhalve de aangiften, de studioverklaringen en overige verklaringen – van het bewijs moeten worden uitgesloten. Daardoor resteert onvoldoende bewijs voor de feiten 1 t/m 4, 8, 10, 12, 14 en 16 (voor wat betreft [slachtoffer 13] ) en moet de verdachte van die feiten worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt

In artikel 6 lid 1 en lid 3, aanhef en onder d, EVRM ligt het recht van de verdachte besloten in enig stadium van het geding een hem belastende verklaring op haar betrouwbaarheid te kunnen toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) horen. Wanneer daartoe geen gelegenheid heeft bestaan, kan het gebruik van de desbetreffende verklaring voor het bewijs schending van het recht van de verdachte op een eerlijk proces opleveren. Of een dergelijke schending zich in een concreet geval voordoet, hangt af van de volgende omstandigheden:

( i) was er een goede reden voor het niet ondervragen van de getuige?

(ii) vormt de verklaring van de niet ondervraagde getuige het enige of beslissende bewijsmateriaal? En, zo ja:

(iii) waren voldoende compenserende factoren aanwezig, inclusief mogelijkheden de betrouwbaarheid van de verklaring te beoordelen?

Het gebruik van een de verdachte belastende verklaring is niet ongeoorloofd indien gelegenheid tot ondervraging heeft ontbroken, mits die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Indien onvoldoende steunbewijs voorhanden is, zal het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate moeten worden gecompenseerd teneinde te bewerkstelligen dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces niet wordt geschonden.

Op de regiezitting in hoger beroep van 16 januari 2016 heeft de raadsman verzocht alle kinderen wier zaak in hoger beroep nog inhoudelijk aan de orde was, als getuigen te (doen) horen. Het hof achtte zich voor de beantwoording van de vraag of het welzijn of de gezondheid van de kinderen door een verhoor in gevaar kon worden gebracht, onvoldoende geïnformeerd en heeft te dien aanzien psychologisch onderzoek gelast. Dit heeft bij 8 van de 15 kinderen geleid tot een rapport van een psycholoog, zakelijk weergegeven inhoudende, dat een nader verhoor van de betreffende kinderen hun welzijn of gezondheid in gevaar zou kunnen brengen. Bij de 7 andere kinderen hebben de ouders geweigerd met de psycholoog te spreken en deze met hun kinderen te laten spreken, zodat ten aanzien van die kinderen niet is gerapporteerd.

Het hof stelt voorop dat het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat voor de veronderstelling dat aan de deskundigheid van de twee betrokken psychologen moet worden getwijfeld; de raadsman heeft dit ook niet aangevoerd. Aangenomen moet worden dat (ook) in die gevallen waarin de desbetreffende psycholoog heeft gerapporteerd, terwijl deze het kind zelf niet heeft kunnen spreken, de psycholoog de

– mogelijk subjectieve – informatie van de ouders naar deskundig inzicht adequaat heeft kunnen waarderen. Het hof deelt dan ook niet de opvatting van de verdediging dat de rapporten van de psychologen onvoldoende objectief zijn voor zover en omdat zij (louter) zouden zijn gebaseerd op subjectieve informatie van de ouders. Aldus is ten aanzien van deze 8 kinderen voldaan aan de hiervoor onder (i) genoemde omstandigheid.

Met betrekking tot de kinderen over wie niet is gerapporteerd omdat hun ouders geen toestemming hebben gegeven met henzelf en met hun kinderen te spreken, heeft het volgende te gelden. Het hof heeft ook ten aanzien van deze kinderen de conclusie getrokken dat hun welzijn of gezondheid in gevaar kon worden gebracht door hen alsnog te (doen) horen. Die conclusie was gebaseerd op de meest actuele informatie die het hof ter beschikking stond over deze kinderen en op de overeenkomstige situatie waarin deze kinderen hebben verkeerd in vergelijking met de kinderen over wie wel is gerapporteerd. Het hof merkt in aanvulling daarop op dat de weigering van de ouders met hun kinderen te laten spreken, meebrengt dat de effectuering van de mogelijkheid voor de verdediging de kinderen te ondervragen, ook als het hof daarmee had ingestemd, als illusoir moet worden beschouwd.

Het hof is, met de raadsman, van oordeel dat de uitlatingen/verklaringen van de kinderen ten aanzien van de (afzonderlijke tenlastegelegde) feiten als het enige of beslissende bewijsmateriaal doorslaggevend voor het bewijs moeten worden geacht. Het eventuele gebruik van schakelbewijs maakt dat niet anders. Dit heeft tot gevolg dat het hof heeft na te gaan of voldoende factoren aanwezig waren om het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid de kinderen als getuigen te ondervragen te compenseren. In dit verband kan het volgende worden vastgesteld:

  • -

    de raadsman heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid de audiovisuele opnamen van de studioverhoren van de kinderen te bekijken en beluisteren;

  • -

    de verdediging is expliciet in de gelegenheid gesteld te verzoeken de opnamen van die studioverhoren ter terechtzitting in hoger beroep te doen afspelen; het hof heeft ambtshalve beslist gedeelten van die audiovisuele opnamen van de studioverhoren van 6 kinderen te bekijken en beluisteren, hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 en 21 juni 2018; de raadsman en de verdachte hebben opmerkingen kunnen maken over de waarnemingen van het hof van die audiovisuele opnamen en hebben de bevindingen van hun eigen waarnemingen van die opnamen naar voren kunnen brengen;

  • -

    de verdediging heeft – op eigen initiatief – een rapport doen opstellen over de betrouwbaarheid van de verklaringen die de kinderen tijdens de studioverhoren hebben afgelegd en heeft dit rapport in het geding gebracht;

  • -

    de ouders die aangifte hebben gedaan, alsmede direct betrokken familieleden aan wie het desbetreffende kind eveneens over vermeende ontucht door de verdachte had verteld, zijn door de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris gehoord in bijzijn van de raadsman die aan hen vragen heeft kunnen stellen.

Het hof is van oordeel dat aldus het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid de kinderen te ondervragen in voldoende mate is gecompenseerd, zodat het recht van de verdachte op een eerlijk proces niet is geschonden. Het verweer wordt dan ook verworpen.

(Onbewuste) beïnvloeding van de kinderen

De verdediging heeft daarnaast bepleit dat alle verklaringen en subsidiair de verklaringen die zijn afgelegd na de informatieavond op 12 maart 2014 van het bewijs worden uitgesloten en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft zeer sterk de indruk dat zijn afwezigheid in het zwembad nadat hij op non-actief was gesteld een geruchtenstroom op gang heeft gebracht, die is versterkt door de informatieavond op 12 maart 2014, de openstelling van het ouderforum en de media-aandacht, ten gevolge waarvan een enorm risico in het leven is geroepen dat ook de kinderen (onbedoeld) zijn besmet met informatie, waardoor zij uitlatingen hebben gedaan over ontuchtige handelingen door de verdachte die niet op waarheid berusten.

Het hof stelt voorop dat de verdediging slechts in algemene termen heeft gesproken over een risico van beïnvloeding. Voor zover het de kinderen betreft die (ruim) voor 18 februari 2014 (de datum van de op non-actiefstelling van de verdachte) gewag hebben gemaakt van ontuchtige handelingen door de verdachte, is in het geheel niet aannemelijk geworden dat zij of hun ouders door enige externe informatie/geruchten zijn beïnvloed. Het hof ziet dan ook geen aanleiding hun verklaringen om deze reden van het bewijs uit te sluiten.

Dit ligt genuanceerder ten aanzien van de meldingen van ontucht die door de kinderen na 18 februari 2014, en met name na de informatieavond, zijn gedaan. Genoegzaam staat vast dat na 18 februari 2014 door ouders van de kinderen die van de verdachte zwemles kregen, is gesproken over de mogelijke reden van diens afwezigheid, dat op de informatieavond is gesproken over meldingen van ontucht door de verdachte tijdens de zwemlessen en dat de ouders op enig moment daarna toegang hebben gekregen tot het ouderforum, waarop zij kennis konden nemen van elkaars ervaringen.

Hierdoor bestaat in ieder geval een theoretische kans op beïnvloeding van de kinderen door de ouders. Om deze reden zal het hof de verklaringen van de afzonderlijke kinderen met een extra kritische blik beoordelen.

Het voorgaande noopt echter niet zonder meer tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van al die kinderen. Niet aannemelijk is immers geworden dat in algemene zin sprake is geweest van beïnvloeding. Daartoe is onder meer van belang dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld de ouders (en andere betrokkenen) te bevragen over mogelijke beïnvloeding. Uit deze verhoren en ook anderszins uit het dossier rijst het navolgende beeld van de hier van belang zijnde ouders: zij konden in eerste instantie de meldingen over ontucht door de verdachte tijdens de informatieavond niet geloven, zij deelden de informatie van hun kinderen slechts in beperkte kring en zij maakten niet of nauwelijks gebruik van het ouderforum. Dit brengt mee dat het hof de kans op daadwerkelijke beïnvloeding zodanig gering acht dat bewijsuitsluiting niet aan de orde is.

Het hof verwerpt dan ook in zoverre de verweren van de verdediging.

Schakelbewijs

De advocaat-generaal heeft gevorderd alle tenlastegelegde feiten bewezen te verklaren. Primair heeft zij betoogd dat voor alle tenlastegelegde feiten op zichzelf voldoende bewijsmiddelen aanwezig zijn om deze zelfstandig, dus zonder gebruik van schakelbewijs, wettig en overtuigend te bewijzen. Subsidiair heeft zij betoogd dat gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs.

De verdediging heeft ten aanzien van het gebruik van schakelbewijs het volgende aangevoerd.

Voor alle tenlastegelegde feiten geldt dat de verklaring van het kind de bron is van de aangifte, terwijl de verdachte alle feiten ontkent. Ingevolge het bepaalde in artikel 342 lid 2 Sv is bewijs dat slechts is te ontlenen aan de verklaring van één getuige onvoldoende voor een bewezenverklaring. De rechter kan het bewijs van het te bewijzen feit mede aannemen op grond van een ander soortgelijk feit dat de verdachte heeft begaan. De handelingen die aan het te bewijzen feit en de andere feiten ten grondslag liggen moeten dan op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertonen, zodat het bewijs van het te bewijzen feit mag worden afgeleid uit het (andere) bewezen feit en de aan de bewezenverklaring van dat (andere) feit ten grondslag liggende bewijsmiddelen. De bewijskracht daarvan ligt in de gelijksoortige modus operandi, die het zeer waarschijnlijk maakt dat het te bewijzen feit zich op dezelfde wijze heeft voltrokken als het bewezen feit. Inmiddels heeft de Hoge Raad bepaald dat ingeval de bewijsvoering steunt op schakelbewijs niet is vereist dat één van de feiten voor de bewezenverklaring van een feit zelfstandig, dus zonder schakelbewijsconstructie, bewijsbaar moet zijn. Daarmee ligt het gevaar op de loer dat de overtuiging voorafgaat aan de vaststelling dat sprake is van (voldoende) wettig bewijs en daaraan mede inhoud geeft. Daarom moet met extra zorgvuldigheid gekeken worden naar de waardering van de afgelegde verklaringen, de afzonderlijke zaken, de verschillen tussen de diverse verklaringen en met name de mogelijkheid van onderlinge beïnvloeding.

Het hof heeft de mogelijkheid van onderlinge beïnvloeding in algemene zin hiervoor reeds besproken en zal daar, indien nodig bij de bespreking van de afzonderlijke feiten, nog op terugkomen.

Het hof heeft de bewijsbaarheid van elk feit op zichzelf met grote zorgvuldigheid in ogenschouw genomen. Dit brengt mee dat de verdachte, zoals hierna zal worden overwogen, wordt vrijgesproken van de feiten 3, 10, 12 en 14. Het hof is van oordeel dat de overige nog aan de orde zijnde, hierna uitvoeriger te bespreken feiten, wel wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Daarbij dient, anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd, bij elk feit gebruik te worden gemaakt van schakelbewijs. In de kern vinden de afzonderlijke tenlastegelegde feiten immers enkel steun in verklaringen uit één bron, te weten telkens de verklaring van het betreffende kind. De context waarin ieder afzonderlijk feit zou hebben plaatsgevonden, is naar het oordeel van het hof onvoldoende specifiek om daaraan voldoende steun voor bedoelde verklaringen te kunnen vinden. In zoverre doet zich, zonder gebruikmaking van schakelbewijs, de situatie als bedoeld in artikel 342 lid 2 Sv voor. Het hof zal ook hierop nader ingaan bij de bespreking van de afzonderlijke feiten, maar daaraan eerst enige algemene beschouwingen vooraf laten gaan.

Het gebruik van schakelbewijs is toelaatbaar indien de rechter voor het bewijs van een feit gebruik maakt van de bewezenverklaring van een ander feit en/of de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen in het geval de modus operandi die de verdachte bij die feiten heeft gehanteerd in essentie dezelfde is. Het hof is van oordeel dat op grond van de in de informatieve gesprekken, de aangiften en de in de studioverhoren genoemde handelwijze van de verdachte en de context waarin zijn handelen zich heeft afgespeeld, geconcludeerd kan worden dat de uit de bewijsmiddelen blijkende handelingen met betrekking tot de verschillende feiten op essentiële onderdelen kenmerkende overeenkomsten vertonen. Uit de te bezigen bewijsmiddelen blijkt immers het volgende:

  • -

    de verdachte ging tijdens de zwemles in het zwembad met zijn hand in de zwembroek van het kind en betastte dan het blote geslachtsdeel van het kind. In zaak 8b betastte hij de billen van het kind en in de zaken 5 en 19 betastte de verdachte de penis telkens over de zwembroek heen, maar voor deze feiten geldt dat deze op andere onderdelen onderlinge gelijkenis vertonen.

  • -

    de betastingen door de verdachte vonden vrijwel steeds plaats terwijl hij met de kinderen in het water meeliep en de kinderen op de rug zwommen en/of de vissenstaart oefenden (de term die de verdachte gaf voor de techniek voor de schoolslag met de benen) en/of iets fout deden (het hof begrijpt: de zwemslag niet correct uitvoerden).

  • -

    de betastingen waren in de beleving van de kinderen niet per ongeluk, maar ‘expres’; verder spraken verschillende kinderen over knijpen, kneden en/of kriebelen.

Het hof hecht bovendien in algemene zin waarde aan de context die de kinderen hebben geschetst en aan de (spontane en gedetailleerde) wijze waarop zij de door de verdachte verrichte ontuchtige handelingen hebben voorgedaan. Een aantal van de kinderen heeft verklaard dat zij de ontuchtige handeling niet konden zien omdat zij op dat moment naar het plafond keken en een aantal heeft verklaard dat de andere kinderen het niet konden zien en/of dat hun moeder het niet had gezien omdat die er op dat moment niet bij was. Tot slot heeft het hof ter zitting in hoger beroep het gedrag van een aantal kinderen tijdens de studioverhoren waargenomen en heeft onderlinge overeenkomsten vastgesteld; ook de waargenomen spontaniteit, de authenticiteit en de wijze waarop de kinderen de handelingen van de verdachte hebben voorgedaan, dragen bij aan de overtuiging van het hof.

Het hof is van oordeel dat de te bezigen bewijsmiddelen met betrekking tot de feiten 1, 2, 4, 5, 8a, 8b, 9, 13, 16a, 16b en 19 elkaar over en weer versterken en ondersteunen en dus telkens mede redengevend zijn voor het bewijs van de overige feiten. Aldus is voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat de verdachte de genoemde feiten heeft gepleegd.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3, 10, 12 en 14 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het overweegt dienaangaande als volgt.

Feit 3: [slachtoffer 3]

De moeder van [slachtoffer 3] heeft op 4 maart 2014 aangifte gedaan namens haar zoon. Deze aangifte houdt het volgende in. [slachtoffer 3] had van januari 2013 tot september 2013 op woensdag zwemles van de verdachte. [slachtoffer 3] heeft zijn moeder verteld dat de verdachte tijdens de les aan zijn piemeltje had gezeten. Dit was in april of mei 2013 in de auto op de terugweg van de zwemles. Zij heeft toen geen vragen aan hem gesteld. [slachtoffer 3] heeft in juni 2013 in de auto aan zijn moeder verteld dat de meester weer aan zijn piemeltje had gezeten. Zij heeft toen gevraagd of het per ongeluk was gegaan, waarop hij antwoordde: “Nee hoor mam, gewoon zo met de hand erin”. De moeder concludeerde dat het twee keer was gebeurd, omdat [slachtoffer 3] volgens haar een goed tijdsbesef had en hij het woord weer gebruikte.

Naast deze summiere verklaring van de moeder en haar getuigenverklaring bij de raadsheer-commissaris op 1 juni 2016 is geen bewijs voor dit feit voorhanden. [slachtoffer 3] is niet gehoord en andere betrokkenen evenmin, zodat het hof slechts beschikt over de de auditu-verklaringen van de moeder van [slachtoffer 3] . Het hof is van oordeel dat dit op zichzelf ontoereikend is en ziet geen grond hier schakelbewijs toe te passen, aangezien de verklaringen van de moeder van [slachtoffer 3] daarvoor onvoldoende specifieke kenmerken bevatten van (de context van) de tenlastegelegde handelingen. De verdachte moet dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 10: [slachtoffer 9]

De moeder van [slachtoffer 9] heeft op 14 maart 2014 een informatief gesprek gehad met de politie. De vader van [slachtoffer 9] heeft op 19 maart 2014 aangifte gedaan namens zijn dochter. Genoemd gesprek en de aangifte houden het volgende in. [slachtoffer 9] had van september 2012 tot en met mei 2013 zwemles van de verdachte. [slachtoffer 9] heeft aan haar vader verteld dat de verdachte tijdens de les aan haar (achter)billen en haar voorbillen had gezeten. [slachtoffer 9] heeft dit in begin 2013 verteld toen zij door haar vader naar bed werd gebracht. [slachtoffer 9] ’s vader heeft toen haar moeder erbij geroepen en [slachtoffer 9] heeft herhaald wat ze tegen haar vader had gezegd. Het aanraken van [slachtoffer 9] zou één keer zijn voorgevallen.

Naast deze summiere verklaringen en de getuigenverklaring van [slachtoffer 9] ’s vader bij de raadsheer-commissaris op 9 juni 2016 is geen bewijs voor dit feit voorhanden. [slachtoffer 9] is niet gehoord en andere betrokkenen evenmin, zodat het hof slechts beschikt over de de auditu-verklaringen van de ouders van [slachtoffer 9] . Het hof is van oordeel dat dit op zichzelf ontoereikend is en ziet geen grond hier schakelbewijs toe te passen, aangezien de verklaringen van de ouders van [slachtoffer 9] daarvoor onvoldoende specifieke kenmerken bevatten van (de context van) de tenlastegelegde handelingen. De verdachte moet dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 12: [slachtoffer 10]

De moeder van [slachtoffer 10] heeft op 19 maart 2014 een informatief gesprek gehad met de politie. Zij heeft op 23 maart 2014 aangifte gedaan namens haar zoon. Genoemd gesprek en de aangifte houden het volgende in. [slachtoffer 10] had vanaf december 2012 zwemles van de verdachte. [slachtoffer 10] heeft aan zijn moeder, tijdens twee gesprekken, op 16 en 23 maart 2014, verteld dat de verdachte tijdens de les aan zijn piemel zat en dat hij dat vaker had gedaan.

Naast deze verklaringen en de getuigenverklaring van [moeder van slachtoffer 10] bij de rechter-commissaris op 28 oktober 2014 zijn er slechts de geluidsopnamen van drie gesprekken die [moeder van slachtoffer 10] met hem heeft gevoerd. In het eerste gesprek (op 13 maart 2014, een dag na de informatieavond) heeft [slachtoffer 10] geen antwoord willen geven op vragen van zijn moeder of de verdachte wel eens dingen deed die [slachtoffer 10] niet leuk vond. In de gesprekken van 16 en 23 maart 2014 heeft [slachtoffer 10] wel een en ander verteld, maar het hof is van oordeel dat de vragen van [moeder van slachtoffer 10] zodanig sturend zijn geweest, dat zijn uitlatingen niet bruikbaar zijn voor het bewijs. [slachtoffer 10] is zelf verder niet gehoord. Het hof is van oordeel dat daarmee onvoldoende bewijs voorhanden is voor feit 16 en ziet geen grond hier schakelbewijs toe te passen. De verdachte moet dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 14: [slachtoffer 12]

De moeder van [slachtoffer 12] heeft op 25 maart 2014 aangifte gedaan namens haar dochter. Deze aangifte houdt het volgende in. De vader van [slachtoffer 12] heeft op 13 maart 2014, de dag na de door hem en zijn vrouw bezochte informatieavond, met [slachtoffer 12] gesproken over geheimpjes, zwemles en de manier van vasthouden. [slachtoffer 12] vertelde toen dat de verdachte haar bil moest vastpakken om te zwemmen. Later las de vader op het ouderforum dat ouders bij een tweede gesprek met hun kind te horen hadden gekregen dat er toch wel iets was gebeurd. Omdat het beide ouders ‘niet lekker zat’, heeft de vader ongeveer een week na het eerste gesprek nogmaals met [slachtoffer 12] gesproken. Toen de vader [slachtoffer 12] afdroogde en hij of de moeder had gezegd dat “papa en mama wel aan haar bil en fluts (het hof begrijpt: de vagina) mochten zitten”, vroeg hij of iemand anders aan haar fluts had gezeten. Hierop antwoordde [slachtoffer 12] dat de verdachte dat wel eens had gedaan.

Het hof leidt uit de, kort na bedoeld tweede gesprek gedane aangifte, het volgende af. Daags na de informatieavond heeft de vader met [slachtoffer 12] gesproken over de zwemles en de manier van vasthouden. Ongeveer een week later heeft hij met [slachtoffer 12] gesproken over het aanraken van haar vagina en heeft hij haar gevraagd of iemand anders dan hij of de moeder ooit aan haar vagina had gezeten. Het hof acht deze wijze van bevraging sturend van aard en wel dermate dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat het antwoord van [slachtoffer 12] , inhoudende dat de verdachte aan haar vagina had gezeten, op haar eigen herinneringen is gebaseerd. Kortom, het hof kan beïnvloeding van [slachtoffer 12] niet uitsluiten. De omstandigheid dat de vader ten overstaan van de raadsheer-commissaris, ruim twee jaar na zijn gesprekken met [slachtoffer 12] , heeft verklaard dat hij niet had gevraagd of iemand anders aan haar fluts had gezeten en dat [slachtoffer 12] daar zelf mee was gekomen, legt in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal.

Het hof is dan ook van oordeel dat de studioverklaring van [slachtoffer 12] en de de auditu-verklaringen van de ouders niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. Bij gebrek aan ander bewijs moet de verdachte dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Feit 1: [slachtoffer 1]

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het hem onder 1 tenlastegelegde wordt vrijgesproken omdat onvoldoende betrouwbaar bewijs aanwezig is waarop een veroordeling kan worden gestoeld. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. Het is de vraag wat [slachtoffer 1] heeft gevoeld en hoe vaak. Hij heeft verklaard dat de ontuchtige handelingen alleen plaatsvonden als zijn moeder weg was. De moeder was tot de e-mail van 30 januari 2014 waarin de zogeheten vijfminuten-regel was uiteengezet – welke regel inhield dat de ouders alleen de eerste vijf minuten en de laatste vijf minuten bij de zwemles aanwezig mochten zijn – met grote regelmaat, en in de herinnering van de verdachte bijna altijd, aanwezig. Ook [werkgever van verdachte] kwam regelmatig bij de lessen kijken. Fysiek contact tussen docent en leerling valt niet uit te sluiten, omdat de docent het kind soms moet ondersteunen. Wellicht heeft [slachtoffer 1] daarbij de hand van de verdachte gevoeld, wat niet als een opzettelijke aanraking kan worden gekenschetst. Mogelijk heeft men geruchten opgevangen die vanaf oktober 2013 de ronde deden. De verklaring van [getuige] kan niet voor het bewijs worden gebruikt; dit geldt ook voor hetgeen [slachtoffer 1] in de verhoorstudio bij een pop heeft voorgedaan en voor het filmpje dat de moeder tijdens een zwemles heeft gemaakt; dit geeft geen informatie over het tenlastegelegde feit.

Het hof overweegt als volgt.

De moeder van [slachtoffer 1] heeft op 21 februari 2014 aangifte gedaan. Deze aangifte en het daaraan voorafgaande informatieve gesprek houden het volgende in. [slachtoffer 1] heeft op 10 februari 2014 spontaan en direct na de zwemles in het kleedhokje tegen zijn moeder gezegd: “Weet je wat ik zo gek vind mama? Als wij de vissenstaart doen dan knijpt de meester in mijn piemeltje. Hij gaat ook met zijn hand in mijn zwembroek en dan knijpt hij ook in mijn piemeltje. Dan krijg ik het gevoel dat ik moet plassen. Ik moest zes rondjes zwemmen en de anderen maar twee. Tijdens het zwemmen deed de meester het”. Hij zei dat het tijdens die les heel vaak was gebeurd en vroeg later aan zijn moeder of zij niet vergat ‘dat belangrijke’ met papa te bespreken.

[slachtoffer 1] heeft tijdens het studioverhoor herhaald wat hij over de handelingen van de verdachte had verteld, heeft voorgedaan hoe hij werd vastgehouden, zei dat het vasthouden eigenlijk bij zijn knie zou moeten en hij wees aan dat de verdachte soms ook met diens hand van boven in zijn zwembroek ging. De verdachte deed dat volgens [slachtoffer 1] alleen als hij op zijn rug lag; en de verdachte kneep er een beetje in. [slachtoffer 1] heeft bij een aangereikt potlood voorgedaan hoe dat ging. Het hof heeft ter zitting waargenomen dat [slachtoffer 1] zijn vier vingers om het potlood gesloten hield en zijn duim plat op de bovenkant legde. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat dit was net voor het gaatje waar de plas uit komt. Het gebeurde in het zwembad waar [slachtoffer 1] niet kon staan en als zijn moeder niet aanwezig was.

De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep bevestigd dat [slachtoffer 1] verder was met zwemmen dan de anderen in zijn groepje en dat hij zes baantjes moest zwemmen en de anderen minder.

Het hof beoordeelt de verklaringen van [slachtoffer 1] als uitgebreid, gedetailleerd, consistent en betrouwbaar,

omdat hij spontaan en direct nadat hij was betast daarover aan zijn moeder heeft verteld. Daarnaast heeft hij heel concreet benoemd dat het om knijpen en betasten ging en heeft hij voorgedaan op welke plaats de verdachte zijn penis vasthield en beschreven welk gevoel hij erbij kreeg. Bovendien heeft [slachtoffer 1] de context van de handelingen gedetailleerd beschreven. De door de raadsman geopperde mogelijkheid van een onopzettelijke, onbewuste aanraking door de verdachte wordt dan ook onaannemelijk geacht.

[moeder van slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij vaak bij de zwemlessen aanwezig was, maar het hof begrijpt uit die mededeling niet dat zij er altijd bij was totdat de vijfminuten-regel van kracht werd, zoals de verdediging heeft aangevoerd. In elk geval was die regel al ingegaan op de datum waarop [slachtoffer 1] het ontuchtige gebeuren aan zijn moeder kenbaar maakte en was de moeder dus toen in elk geval niet aanwezig tijdens de zwemles. Hoe vaak [werkgever van verdachte] ging kijken tijdens de zwemlessen is uit het dossier niet af te leiden, zodat de stelling daarover van de verdediging terzijde wordt geschoven.

Beïnvloeding is niet aannemelijk geworden: [slachtoffer 1] heeft zijn eerste melding reeds een maand vóór de informatieavond gedaan en zijn moeder heeft noch tijdens die avond noch op het ouderforum concreet besproken wat de verdachte bij [slachtoffer 1] zou hebben gedaan.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman dat strekt tot vrijspraak en acht de verklaringen van [slachtoffer 1] en zijn moeder bruikbaar voor het bewijs. Deze verklaringen vinden bovendien voldoende steun in de hiervoor beschreven modus operandi van de verdachte, nu (ook) hier sprake is van knijpen in de penis in de zwembroek tijdens het vissenstaarten op de rug. Het hof acht op grond van het voorgaande het ten aanzien van [slachtoffer 1] tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2: [slachtoffer 2]

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het hem onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken omdat onvoldoende betrouwbaar bewijs aanwezig is waarop een veroordeling kan worden gestoeld. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. [slachtoffer 2] ’s moeder heeft na de eerste melding van haar zoon over ontuchtige handelingen door de verdachte geen aangifte gedaan. Zij merkte niet veel aan [slachtoffer 2] , maar ging alsnog twijfelen toen een docente ging meezwemmen om te voorkomen dat er ‘verhaaltjes’ zouden ontstaan. Haar twijfel is verder gevoed door een vraag van de verbalisanten of volgens haar begeleiding van een zwemleraar in het water nodig was. Van de vraagstelling van [tante van slachtoffer 2] aan [slachtoffer 2] of de zwemleraar “aan zijn piepie had gezeten” is een suggestie uitgegaan die funest is voor de validiteit van de verkregen verklaring. Haar verklaring mag dan ook niet voor het bewijs worden gebruikt.

Het hof overweegt als volgt.

De moeder van [slachtoffer 2] heeft op 28 februari 2014 aangifte gedaan. Deze aangifte en het daaraan voorafgaande informatieve gesprek houden het volgende in. [slachtoffer 2] heeft eind augustus 2013 op een donderdag in de auto spontaan tegen zijn moeder gezegd dat de meester aan zijn piemel had gezeten en dat hij dat raar vond. Zij vroeg wat hij dan deed, waarop [slachtoffer 2] antwoordde: “Zit in m’n broekie”. Zij vroeg of [slachtoffer 2] niet sprak over het touwtje in zijn zwembroek, waarop [slachtoffer 2] zei dat “die goed zat” en dat de meester het soms met zwemmen deed. Toen de moeder erop door wilde gaan, zei [slachtoffer 2] : ”Mam stop er maar over, want ik vind het echt niet leuk meer”. [slachtoffer 2] had de dag ervoor zwemles gehad. Op verzoek van de moeder heeft haar schoonzus, [tante van slachtoffer 2] , [slachtoffer 2] apart genomen en gevraagd wat er was gebeurd, waarop [slachtoffer 2] haar hetzelfde vertelde als de vorige dag tegen zijn moeder.

Nadat [slachtoffer 2] in de studio was gehoord en daar niets had gezegd over wat de verdachte bij hem zou hebben gedaan, behalve dat hij het wel wist maar het toch liever niet vertelde, heeft zijn moeder hem gevraagd waar het studioverhoor over ging. [slachtoffer 2] antwoordde toen dat zij dat toch wist: de meester zat in zijn broekje. En [slachtoffer 2] , die toen alleen zijn ondergoed droeg, deed het helemaal na. Hij zei dat de meester met zijn hand aan zijn piepie zat, maar alleen als hij iets fout deed. Het was 1, 2, 3 keer gebeurd.

[tante van slachtoffer 2] heeft tijdens haar verhoor bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij aan [slachtoffer 2] had gevraagd wat de badmeester had gedaan. Deze vraag was – hoewel niet zo vergaand als door de raadsman gesteld – gesloten en sturend van aard en het hof zal de verklaringen van deze getuige dan ook niet gebruiken voor het bewijs. Het hof acht echter de verklaringen van [slachtoffer 2] wel betrouwbaar, zelfs nu hij in het studioverhoor niet heeft verklaard over de ontuchtige handelingen van de verdachte, en wel om de navolgende redenen.

[slachtoffer 2] heeft één dag na zwemles spontaan in de auto gezegd dat de verdachte in zijn zwembroekje zat en dat het niet om het touwtje ging. [slachtoffer 2] heeft dit op een authentiek kinderlijke manier verteld. Bovendien heeft [slachtoffer 2] aan zijn moeder gezegd dat hij het niet leuk vond erover te praten. Het hof constateert dat [slachtoffer 2] tijdens het studioverhoor allerlei onderwerpen aansneed, mogelijk om het gespreksonderwerp van de ontuchtige handeling te vermijden. Hij wilde er immers eerder al niet met zijn moeder over praten. Dit maakt zijn eerdere spontane opmerkingen niet ongedaan of onbetrouwbaar, temeer omdat hij na het studioverhoor aan zijn moeder uitgebreider heeft verteld en heeft voorgedaan wat de verdachte bij hem had gedaan. Niet is aannemelijk geworden dat de inhoud van het gesprekje tussen [slachtoffer 2] en [tante van slachtoffer 2] deze gedetailleerdere verklaring heeft beïnvloed, omdat deze getuige geen van deze nadere details heeft genoemd.

Ook overigens is enige beïnvloeding van buitenaf niet aannemelijk geworden. [slachtoffer 2] heeft de eerste melding reeds aan zijn moeder gedaan ruim een half jaar vóór de informatieavond; [slachtoffer 2] ’s moeder heeft al in september 2013 een informatief gesprek met de politie gevoerd. Zij wist niet of ze moest geloven wat [slachtoffer 2] haar had verteld en heeft destijds geen aangifte gedaan. De door de raadsman in zijn pleidooi hiervoor gegeven vermoedens zijn op grond van de inhoud van het dossier niet vast te stellen. Het hof passeert ook dit onderdeel van het verweer.


Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 2] en zijn moeder bruikbaar voor het bewijs. Deze verklaringen vinden bovendien voldoende steun in de modus operandi van de verdachte, nu (ook) hier sprake is van het aanraken van de piemel in de zwembroek als [slachtoffer 2] iets fout deed.

Het hof acht op grond van het voorgaande het ten aanzien van [slachtoffer 2] tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4: [slachtoffer 4]

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte ook van dit feit wordt vrijgesproken omdat onvoldoende betrouwbaar bewijs aanwezig is waarop een veroordeling kan worden gestoeld, subsidiair dat de bewezenverklaarde periode moet worden beperkt tot 1 augustus 2013 tot februari 2014. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. De studioverklaring van [slachtoffer 4] wijkt op zoveel essentiële punten af van hetgeen hij eerder aan zijn ouders en oma heeft verteld en bovendien van hetgeen de andere kinderen hebben verklaard, dat hierop geen bewezenverklaring kan worden gebaseerd.

Het hof oordeelt als volgt.

De moeder van [slachtoffer 4] heeft op 16 maart 2014 aangifte gedaan. Deze aangifte en het daaraan voorafgaande informatieve gesprek houden het volgende in. [slachtoffer 4] heeft in augustus of september 2013, op een middag waarop hij zwemles had gehad, spontaan en lacherig tegen [oma van slachtoffer 4] verteld dat de meester hem tijdens het zwemmen in zijn piemel kneep als hij iets fout deed. De moeder heeft daarop met [slachtoffer 4] gesproken en hem gezegd dat oma net iets had verteld. [slachtoffer 4] antwoordde dat de meester het deed als [slachtoffer 4] iets fout deed. De moeder ging ervan uit dat het per ongeluk bij het ondersteunen bij het zwemmen was gebeurd en zij heeft het niet tegen [slachtoffer 4] ’s vader gezegd. Eind februari 2014 heeft [slachtoffer 4] spontaan tegen zijn vader verteld dat [verdachte] van zwemmen wel eens aan zijn piemel had gezeten en deze vasthield. Als hij bij het zwemmen iets fout deed, dan ging [verdachte] met zijn hand naar [slachtoffer 4] ’s piemel. De moeder heeft naar aanleiding van vaders mededeling hierover opnieuw met [slachtoffer 4] gesproken. [slachtoffer 4] ging toen staan en deed voor alsof hij aan het buikzwemmen was, deed zijn hand in zijn broek en zei dat [verdachte] ‘zo’ deed en dat [verdachte] echt met zijn hand in zijn broek was gegaan.

[slachtoffer 4] heeft zijn eerdere mededelingen over de ontuchtige handelingen van de verdachte in het studioverhoor herhaald, te weten dat de meester aan zijn piemel zat, zij het dat hij, zoals de raadsman terecht heeft geconstateerd, niet meer heeft gesproken over ‘knijpen’ in de penis en evenmin over het betasten tijdens het ‘fout doen’. [slachtoffer 4] voelde dat de meester met diens hand in zijn zwembroek ging en voelde de hand plat tegen zijn piemel. [slachtoffer 4] zei dat hij het vies vond en dat het vaker was gebeurd, bij nog drie andere zwemlessen.

Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 4] betrouwbaar: hij heeft onmiddellijk lacherig eerst aan zijn oma en daarna aan zijn moeder concreet beschreven wanneer de aanrakingen plaatsvonden. Dit komt authentiek op het hof over, temeer omdat [slachtoffer 4] tegen drie verschillende vertrouwde personen hetzelfde heeft gezegd, terwijl alleen de moeder van oma had gehoord wat [slachtoffer 4] had gezegd, zodat van onderlinge beïnvloeding tussen de moeder en de vader of de oma en de vader geen sprake is geweest. De opmerking van de moeder aan [slachtoffer 4] “dat oma net iets had verteld” is open en hieruit kan niet volgen dat zij hiermee [slachtoffer 4] heeft beïnvloed. Het hof acht niet aannemelijk dat de verklaring van [slachtoffer 4] direct of indirect is beïnvloed door verklaringen van derden, reeds omdat hij zijn mededelingen aan oma, moeder en vader geruime tijd vóór de informatieavond heeft gedaan.

De verdachte heeft ter zitting bij de rechtbank bovendien verklaard dat hij [slachtoffer 4] vaak moest corrigeren en hem wel eens ondersteunde bij de schoolslag als [slachtoffer 4] moe was of door een schaarslag zakte in het water. [slachtoffer 4] heeft gezegd dat de ontuchtige aanraking door de verdachte tijdens de schoolslag was, als hij het fout deed.

[slachtoffer 4] heeft tijdens het studioverhoor gedetailleerd verklaard wat hij tijdens de handelingen dacht en dat hij hoopte dat de meester ‘er’ nooit meer aan ging zitten. Zijn verklaring komt ook mede hierom authentiek op het hof over. Tijdens het studioverhoor heeft [slachtoffer 4] inderdaad niet herhaald dat sprake was van ‘knijpen’ in de penis en dat het betasten gebeurde tijdens het ‘fout doen’ van een zwemslag. Het hof is echter van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 4] voor het overige consistent zijn en slaat acht op dezelfde houding van [slachtoffer 4] tijdens het vertellen over de ontucht op verschillende momenten en tegenover drie verschillende familieleden in ruim een half jaar tijd. Dat [slachtoffer 4] sprak over ontucht tijdens de buik-schoolslag en de meeste andere kinderen niet, doet evenmin afbreuk aan zijn geloofwaardigheid, temeer omdat het gaat om handelingen van de verdachte tijdens de correctie van de beenslag, door de verdachte aangeduid als vissenstaart, waarover de andere kinderen eveneens verklaren.

Het hof verwerpt het primaire verweer van de raadsman en acht de verklaringen van [slachtoffer 4] , zijn moeder, vader en oma dan ook bruikbaar voor het bewijs. Deze verklaringen vinden bovendien voldoende steun in de modus operandi van de verdachte, nu (ook) hier sprake is van ontuchtige handelingen in de zwembroek als [slachtoffer 4] iets fout deed en dat bij het vissenstaarten plaatsvond.

Het hof acht op grond van het voorgaande het ten aanzien van [slachtoffer 4] tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het knijpen in de penis van [slachtoffer 4] . Het hof acht bewezen dat de verdachte de penis van [slachtoffer 4] ontuchtig heeft betast. Zoals de raadsman subsidiair terecht heeft bepleit, dient de bewezenverklaarde periode te worden beperkt tot 1 augustus 2013 tot februari 2014.

Feit 5: [slachtoffer 5]

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van dit feit wordt vrijgesproken omdat onvoldoende betrouwbaar bewijs aanwezig is waarop een veroordeling kan worden gestoeld, subsidiair dat de bewezenverklaarde periode moet worden beperkt tot februari en maart 2013. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. [slachtoffer 5] angst voor de zwemlessen kwam voort uit zijn evenwichtsstoornis en enige relatie tussen die angst en de vermeende ontucht is niet vast te stellen. Niet uit te sluiten valt bovendien dat de destijds slechts vierjarige [slachtoffer 5] echte herinneringen minder goed kon onderscheiden van gefantaseerde herinneringen, waar ook Rassin en Van Koppen op hebben gewezen. Tenslotte is de informatie van [slachtoffer 5] tijdens het studioverhoor te summier om te kunnen gebruiken in een bewijsconstructie die is gefundeerd op schakelbewijs. Er zijn op te weinig essentiële punten overeenkomsten met hetgeen de andere kinderen hebben verklaard om op basis hiervan tot een bewezenverklaring te komen.

Het hof overweegt als volgt.

De moeder van [slachtoffer 5] heeft op 13 maart 2014 aangifte gedaan. Deze aangifte en het daaraan voorafgaande informatieve gesprek houden het volgende in. [slachtoffer 5] heeft zwemles van de verdachte gehad in de periode van 1 januari tot 10 april 2013. [slachtoffer 5] vertelde dat de meester tijdens de laatste drie lessen aan zijn penis had gezeten. Toen zij de zwemtas pakten om naar zwemles te gaan, zei [slachtoffer 5] tegen zijn moeder dat hij niet wilde omdat de meester altijd aan zijn piemel zat. De moeder vroeg hem of dat per ongeluk ging, waarop [slachtoffer 5] zei: “Nee, want hij deed zo”. De moeder zag dat [slachtoffer 5] een wrijvende beweging met zijn hand maakte; zij heeft ook gezien dat [slachtoffer 5] over zijn onderbroek heen zijn penis pakte en deze met zijn vingers kneedde. [slachtoffer 5] zei haar dat hij zijn nieuwe zwemles wél leuk vond omdat ze daar niet aan zijn piemel zaten.

Tijdens het studioverhoor, waarvan het hof een gedeelte ter zitting heeft waargenomen, verklaarde [slachtoffer 5] hetzelfde, terwijl hij voortdurend aandachtig zat te kleuren. Hij verklaarde dat de meester “op zijn piep zat te kneten”, in het zwembad waar het te diep was en de meester hem vasthad. Het hof heeft waargenomen dat [slachtoffer 5] zijn platte hand op zijn kruis legde terwijl hij praatte over de aanraking “op zijn piep” en dat hij in zijn geslachtsdeel kneep terwijl hij zei: “zo deed ie kneten”. [slachtoffer 5] heeft ook verklaard dat de verdachte het expres deed en dat anderen het niet konden zien.

Het hof beoordeelt deze verklaringen niet als te summier om bruikbaar te zijn voor het bewijs. Het hof vindt de verklaringen van [slachtoffer 5] , ondersteund door specifieke gebaren, kinderlijk spontaan en authentiek. Hierbij betrekt het hof dat hij reeds tweemaal tegen zijn moeder had gezegd dat de meester hem ontuchtig betastte en hij toch weer met tegenzin en huilend naar de volgende zwemles werd gebracht. De stelling dat zijn emoties louter of vooral te maken hadden met zijn evenwichtsproblemen en/of angst voor diepte of water, zoals de raadsman heeft betoogd, is niet aannemelijk geworden. De moeder heeft verklaard over [slachtoffer 5] emoties voorafgaand aan de laatste drie lessen, waarvan [slachtoffer 5] juist specifiek heeft verklaard dat de ontucht toen plaatsvond.

Enige beïnvloeding door anderen op de inhoud van [slachtoffer 5] verklaringen is niet aannemelijk geworden, reeds omdat [slachtoffer 5] zijn meldingen al in maart/april 2013 heeft gedaan, ver voorafgaand aan de informatieavond en de aanhouding van de verdachte. De moeder heeft de informatieavond niet bezocht en heeft pas na die avond aangifte gedaan. De mogelijkheid dat haar verklaring door anderen zou zijn beïnvloed, is niet aannemelijk, temeer omdat de nieuwe zwemdocente van [slachtoffer 5] hem al in april 2013 heeft horen zeggen dat zijn vorige zwemmeester bij oefeningen op de buik en rug aan zijn piemel zat.

Mede in het licht van het voorgaande oordeelt het hof dat de door de raadsman in algemene zin aangehaalde theorie van Rassin en Van Koppen met betrekking tot pseudo-herinneringen van zeer jonge kinderen te weinig specifiek is om deze zonder bijzondere concrete aanwijzingen van toepassing te achten op de verklaringen van [slachtoffer 5] .

Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 5] en zijn moeder dan ook bruikbaar voor het bewijs en verwerpt het verweer van de raadsman. Deze verklaringen vinden bovendien voldoende steun in de modus operandi van de verdachte, nu (ook) hier sprake is van het betasten van en knijpen in de penis tijdens ondersteunende handelingen van de verdachte bij de zwemslag. Dit betasten over de zwembroek komt overeen met de handelwijze van de verdachte bij [slachtoffer 15] ; ook verklaren diverse andere kinderen over het betasten van het geslachtsdeel door de verdachte met de platte hand.

Het hof acht op grond van het voorgaande het ten aanzien van [slachtoffer 5] tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. [slachtoffer 5] heeft niet eenduidig verklaard over het betasten van de blote penis. De verdachte zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken en de bewezenverklaarde periode zal worden beperkt tot 1 januari 2013 tot en met 10 april 2013.

Feit 8: [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het hem onder 8 tenlastegelegde wordt vrijgesproken en heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De verdachte ontkent de feiten te hebben gepleegd. [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] zijn in hun verklaringen mogelijk beïnvloed door hun moeder die meermalen tegenover haar kinderen “de zwemleraar” ter sprake heeft gebracht en vragen over hem heeft gesteld. [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] hebben mogelijk ook elkaar beïnvloed, nu [slachtoffer 7] een gesprek tussen [slachtoffer 6] en hun moeder zou hebben afgeluisterd en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] ook onderling met elkaar hebben gesproken. Ten tijde van de studioverhoren wisten beide kinderen dat de verdachte in de gevangenis zat, welke wetenschap bij hen de indruk kan hebben gewekt dat de verdachte daadwerkelijk iets fout had gedaan. En aan beide kinderen was mogelijk verteld wat ze wel en niet mochten zeggen tegen de politie. Nu op diverse momenten gesprekken hebben plaatsgevonden tussen de kinderen en hun moeder en de kinderen onderling, niet is na te gaan hoe die gesprekken zijn verlopen en de mogelijkheid van beïnvloeding levensgroot is geweest, is geen van de afgelegde verklaringen bruikbaar voor het bewijs, hetgeen dient te resulteren in vrijspraak.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De moeder van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] heeft op 19 maart 2014 aangifte gedaan. Deze aangifte en het daaraan voorafgaande informatieve gesprek houden het volgende in. [slachtoffer 6] heeft zwemles van de verdachte gehad in de periode van januari tot 21 april 2013; [slachtoffer 7] had zwemles bij hem sinds september 2012. Naar aanleiding van de informatiebijeenkomst op 12 maart 2014 heeft de moeder op 14 maart 2014 een gewoon, ontspannen gesprek gehad met [slachtoffer 6] over de verdachte, waar geen bijzonderheden uit kwamen. De volgende dag, toen in het bijzijn van een vriendje van [slachtoffer 6] de verdachte weer ter sprake kwam, zei [slachtoffer 6] “out of the blue” dat er iets was wat ze niet goed durfde te zeggen, namelijk dat de verdachte met zijn hand steeds dieper in haar zwembroekje was gegaan totdat hij “te ver” ging. Dit gebeurde toen zij op haar rug zwom; bij elke slag dat ze haar benen wijd deed, schoof de verdachte zijn hand dieper in haar broekje. [slachtoffer 6] heeft vervolgens een draai gemaakt en is weggezwommen van de verdachte. Het was maar één keer gebeurd.

Toen de moeder later die dag kleding, waaronder een badpak, aan het passen was met [slachtoffer 7] , vroeg zij aan [slachtoffer 7] of meester [verdachte] wel eens in het bad stond als hij zwemles gaf. [slachtoffer 7] zei daarop: “Ja, weet je wat ik dan raar vond, dat hij me dan daar vast hield”, waarbij [slachtoffer 7] naar haar kruis wees. Op de vraag van de moeder of dit óp of ín haar broekje was, antwoordde [slachtoffer 7] : “Nee, in mijn broekje”. De verdachte zou dit doen als [slachtoffer 7] op haar rug zwom. Het gebeurde “soms wel, soms niet, maar wel vaker”.

Tijdens haar studioverhoor heeft [slachtoffer 6] hetzelfde verklaard als hetgeen zij aan haar moeder had verteld. Tijdens het studioverhoor van [slachtoffer 7] , waarvan het hof een gedeelte ter zitting heeft waargenomen, verklaarde [slachtoffer 7] eveneens hetzelfde als zij aan haar moeder had verteld.

Met de raadsman kan worden geconstateerd dat de moeder van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] op verschillende momenten met beide kinderen afzonderlijk over de verdachte heeft gesproken en hun vragen over hem heeft gesteld. Niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer 7] heeft opgevangen wat de verdachte bij [slachtoffer 6] had gedaan, voordat zij zelf is gaan verklaren over wat haar zou zijn overkomen bij de zwemlessen noch dat [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] met elkaar over de verdachte hebben gepraat, ook al had hun moeder gezegd dat dat niet mocht. Een en ander brengt echter naar het oordeel van het hof niet mee dat hun verklaringen of die van hun moeder moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het hof baseert dit oordeel op het volgende.

De moeder was positief over de zwemlessen van de verdachte en heeft haar dochters niet specifiek gevraagd – noch daarop gehint – of de verdachte seksueel (overschrijdend) gedrag jegens hen had vertoond. Ook overigens zijn haar vragen niet zodanig sturend geweest dat die beïnvloeding van de verklaringen van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] aannemelijk maken. De eerste keer dat [slachtoffer 6] vertelde wat de verdachte bij haar zou hebben gedaan, kwam voor de moeder “out of the blue”. Op dat moment was de verdachte weliswaar gespreksonderwerp, maar [slachtoffer 6] vertelde spontaan en zonder daarnaar gevraagd te zijn. [slachtoffer 6] heeft bovendien specifiek verklaard over één gebeurtenis en de precieze wijze van handelen van de verdachte (het steeds dieper met zijn hand in haar zwembroekje gaan toen zij op haar rug zwom) en zij heeft een tekening gemaakt van de plaats waar de hand van de verdachte (dicht) bij haar vagina kwam. [slachtoffer 6] dacht dat het een “vergissing” was, mede omdat zij de verdachte aardig vond en hem vertrouwde. De verklaring die [slachtoffer 6] tijdens het studioverhoor heeft afgelegd, wijkt niet af van hetgeen zij eerder aan haar moeder had verteld over het handelen van de verdachte.

Dit laatste geldt ook voor [slachtoffer 7] , die eveneens uit zichzelf tegen haar moeder vertelde dat de verdachte wel eens (meer dan één keer, maar niet bij elke zwemles) met zijn hand in haar zwembroek had gezeten. Dat gebeurde, zo heeft zij tijdens het studioverhoor verklaard, tijdens het vissenstaarten als zij dat niet helemaal goed deed omdat ze met haar benen te “kleine rondjes” maakte; soms voelde zij de nagel van de verdachte bij haar schaamstreek, hetgeen zij met twee tekeningen inzichtelijk heeft gemaakt. Ook [slachtoffer 7] heeft dus specifiek verklaard over wat de verdachte bij haar zou hebben gedaan, terwijl zij in het studioverhoor, naar het hof ter terechtzitting in hoger beroep heeft waargenomen, een authentieke indruk maakte en haar verklaring betrouwbaar overkomt. Tenslotte is van belang dat zij over wezenlijk andere ontuchtige handelingen heeft verklaard dan haar zusje [slachtoffer 6] , zodat beïnvloeding door [slachtoffer 6] van haar verklaringen niet aannemelijk is.

Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en hun moeder bruikbaar voor het bewijs. Deze verklaringen vinden bovendien voldoende steun in de modus operandi van de verdachte, nu (ook) hier sprake is van ontuchtige handelingen in de zwembroek, terwijl dat bij [slachtoffer 7] gebeurde als zij iets fout deed.

Het hof acht op grond van het voorgaande het ten aanzien van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat het hof bewezen acht dat de verdachte eenmaal ontuchtige handelingen met [slachtoffer 6] heeft gepleegd in de periode van 1 januari tot en met 21 april 2013.

Feit 9: [slachtoffer 8] (thans genaamd: [slachtoffer 8] )

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte ook van het hem onder 9 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. De moeder van [slachtoffer 8] is haar vragen gaan stellen over mogelijk “iets geks of raars” dat tijdens zwemles zou zijn gebeurd, nadat bij de moeder “onderbuikgevoelens” ten opzichte van de verdachte waren ontstaan die zij associeerde met Benno L. Volgens [slachtoffer 8] heeft haar moeder haar letterlijk gevraagd of de verdachte wel eens aan haar “snee” had gezeten. De moeder heeft [slachtoffer 8] voorbereid op het studioverhoor door haar te vertellen dat de politie mensen die foute dingen doen, kan straffen en dat, als [slachtoffer 8] daarover verklaarde, de verdachte dat dan niet meer bij andere kinderen kon doen. Al met al bestaat op zijn minst de indruk dat [slachtoffer 8] op suggestieve wijze is bevraagd en dat aan haar informatie is verstrekt, waardoor de mogelijkheid van beïnvloeding in sterke mate aanwezig is. Aldus ontbreekt een voldoende basis voor een deugdelijke bewijsbeslissing, hetgeen tot vrijspraak moet leiden.

Het hof overweegt als volgt.

De moeder van [slachtoffer 8] heeft op 21 maart 2014 aangifte gedaan. Deze aangifte, het daaraan voorafgaande informatieve gesprek en een door haar gevoerd telefonisch gesprek met de politie houden het volgende in. [slachtoffer 8] heeft zwemles van de verdachte gehad in de periode van 5 december 2012 tot eind februari 2014. De moeder heeft op 11 maart 2014 na een zwemles aan [slachtoffer 8] gevraagd of er wel eens iets geks of raars was gebeurd tijdens zwemles en of de verdachte [slachtoffer 8] wel eens hard bij de schouder had geknepen. [slachtoffer 8] antwoordde dat de verdachte in haar broekje had gezeten. Hij had aan haar “snee” gezeten en dat was niet per ongeluk. [slachtoffer 8] had het voorgedaan door met gestrekte hand over haar vagina te wrijven. Het was drie keer gebeurd toen ze aan de rand van het zwembad moest hangen om de schoolslag te doen, omdat ze moest leren die rustiger te doen. Later die dag heeft [slachtoffer 8] herhaald wat ze eerder aan haar moeder had verteld en maakte ze dezelfde beweging met haar hand. De hand van de verdachte was niet óp haar broekje, maar “echt erin”. Tijdens het studioverhoor heeft [slachtoffer 8] hetzelfde verklaard.

De moeder van [slachtoffer 8] heeft weliswaar vragen gesteld aan [slachtoffer 8] over wat de verdachte mogelijk bij haar gedaan had, maar haar vragen reikten niet verder dan de suggestie dat het misschien iets “geks” of “raars” was geweest en/of mogelijk had bestaan uit het [slachtoffer 8] bij de schouder knijpen. [slachtoffer 8] is vervolgens uit zichzelf gekomen met de opmerking dat de verdachte aan haar “snee” had gezeten. Ze heeft de beweging die de verdachte met zijn hand maakte (met gestrekte vingers een wrijvende beweging over haar vagina) voorgedaan aan haar moeder en heeft verteld dat de verdachte dit deed als zij aan de rand van het zwembad hing om de beenbewegingen van de schoolslag te doen.

Tijdens haar studioverhoor, waarvan het hof ter zitting een gedeelte heeft waargenomen, heeft [slachtoffer 8] dezelfde beweging voorgedaan als die zij haar moeder had laten zien en heeft zij eenzelfde gebaar gemaakt met haar vingers wrijvend over tafel. Verder heeft zij specifiek verklaard dat het twee of drie keer was gebeurd, dat zij toen “op haar buik ging”, hetgeen past bij de situatie dat zij aan de rand van het zwembad de schoolbeenslag oefende, en dat zij werd betast als ze in het zwembad iets fout deed. Uit de audiovisuele opnamen van het studioverhoor komt [slachtoffer 8] naar voren als een spontaan en geloofwaardig verklarend meisje, waaraan bijdraagt de specificiteit van haar gebaren, haar opmerking over het beperkt aantal keren dat de verdachte aan haar vagina had gezeten en de stelligheid van haar ontkenning dat de verdachte haar op andere manieren had betast.

Bij deze stand van zaken acht het hof het onaannemelijk dat [slachtoffer 8] is beïnvloed in haar verklaringen in die zin dat hetgeen zij heeft verklaard niet op waarheid zou berusten. De enkele omstandigheid dat [slachtoffer 8] tijdens het studioverhoor heeft verklaard dat haar moeder haar had gevraagd of de verdachte wel eens aan haar “snee” had gezeten, kan daaraan niet afdoen.

Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 8] en haar moeder bruikbaar voor het bewijs. Deze verklaringen vinden bovendien voldoende steun in de modus operandi van de verdachte, nu (ook) hier sprake is van ontuchtige handelingen in de zwembroek als zij iets fout deed bij de been-schoolslag, door de verdachte aangeduid als vissenstaart.

Het hof acht op grond van het voorgaande het ten aanzien van [slachtoffer 8] (voorheen genaamd [slachtoffer 8] ) tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 13: [slachtoffer 11]

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het hem onder 13 tenlastegelegde wordt vrijgesproken omdat onvoldoende betrouwbaar bewijs aanwezig is waarop een veroordeling kan worden gestoeld. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. De moeder van [slachtoffer 11] heeft gedragsveranderingen bij haar zoon waargenomen, die zij na de informatieavond linkte aan seksueel misbruik. De verdediging betwist echter dit causale verband. Voorts kan beïnvloeding van [slachtoffer 11] niet worden uitgesloten, omdat reeds geruchten de ronde deden over seksueel misbruik, de moeder van [slachtoffer 11] naar de informatieavond is gegaan en daarna met een andere moeder heeft gesproken. De moeder heeft ook rechtstreeks tegen [slachtoffer 11] gezegd dat de zwemleraar dingen met kinderen deed die met piemeltjes te maken hadden. Los daarvan kan beïnvloeding door [kind] niet worden uitgesloten. Die had gezegd dat de verdachte met een hand in hun broek zat en heel hard kneep, en dat [slachtoffer 11] ging huilen. Daarna heeft [kind] echter gezegd dat het een grapje was; niet kan worden uitgesloten dat ook [slachtoffer 11] een grapje heeft gemaakt. Tenslotte is het de vraag of [slachtoffer 11] tijdens het studioverhoor handelingen van de verdachte bij zichzelf beschrijft of bij iemand anders.

Het hof overweegt als volgt.

De moeder van [slachtoffer 11] heeft op 27 maart 2014 aangifte gedaan. Deze aangifte en het daaraan voorafgaande informatieve gesprek houden het volgende in. [slachtoffer 11] heeft vanaf oktober/november 2012 zwemles gehad van de verdachte. Twee dagen na de informatieavond zei [moeder van slachtoffer 11] tegen hem dat de verdachte niet meer terugkwam omdat hij dingen had gedaan met kinderen die niet mogen; hij had namelijk met kinderen dingen gedaan die met piemeltjes te maken hadden. Daarop had [slachtoffer 11] gezegd dat de verdachte altijd bij het vissenstaarten (als hij op zijn rug zwom) in zijn zwembroek heel stevig aan zijn piemeltje zat/daarin kneep. Hij vond dat “fijn”, een “heerlijk gevoel”. Tijdens het studioverhoor heeft [slachtoffer 11] verklaard over dezelfde handelingen van de verdachte als hij aan zijn moeder had verteld. Hij zei het knijpen in zijn piemel als “lekker” te hebben ervaren.

Hoewel de vraagstelling van de moeder zonder meer sturend van aard was, acht het hof deze verklaring van [slachtoffer 11] betrouwbaar, en wel om twee redenen. Ten eerste heeft [slachtoffer 11] onmiddellijk heel concreet de situatie beschreven waarin de aanrakingen plaatsvonden, te weten bij het vissenstaarten als hij op zijn rug zwom. Ook heeft hij spontaan benoemd dat het om een stevige aanraking, een knijpen ging. Ten tweede heeft [slachtoffer 11] zowel tegen zijn moeder als in het studioverhoor gezegd dat hij het een fijn, lekker, heerlijk gevoel vond. Dit komt authentiek op het hof over, temeer omdat de moeder had gezegd dat het iets betrof dat niet mocht. Naar het oordeel van het hof ligt het dan niet voor de hand dat [slachtoffer 11] de handelingen als ‘lekker’ typeert, indien hij dit niet zo daadwerkelijk heeft ervaren. Gezien de verklaringen van [slachtoffer 11] over het gevoel dat hij ondervond tijdens de handelingen van de verdachte acht het hof niet aannemelijk dat hij daarbij door [kind] is beïnvloed of dat hij een grapje heeft gemaakt, nu daarvoor ook overigens voldoende concrete aanknopingspunten zijn.

Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 11] en zijn moeder dan ook bruikbaar voor het bewijs. Deze verklaringen vinden bovendien voldoende steun in de modus operandi van de verdachte. Ook hier is immers sprake van ontuchtige handelingen in de zwembroek tijdens het vissenstaarten.

Het hof acht op grond van het voorgaande het ten aanzien van [slachtoffer 11] tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 16(a) en 16 (b): [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14]

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het hem onder 16(a) en (b) tenlastegelegde wordt vrijgesproken omdat onvoldoende betrouwbaar bewijs aanwezig is waarop een veroordeling kan worden gestoeld. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De verdachte ontkent de feiten te hebben gepleegd. Bij beide meisjes moet worden gevreesd voor beïnvloeding. De ouders van [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] hebben een uitnodiging ontvangen voor de informatieavond en hebben die uitnodiging onderling besproken. Mogelijk heeft [slachtoffer 13] dat gesprek gehoord. De ouders hadden na de informatieavond toegang tot het ouderforum en de moeder heeft reacties gelezen van andere ouders. De ouders hebben met hun dochters al op 13 maart 2013 over meester [verdachte] gesproken en gezegd dat de meester ziek was en geen les meer zou geven. [slachtoffer 13] heeft niet eenduidig verklaard, omdat zij eerst heeft gezegd dat de verdachte via de bovenkant in haar zwembroek is gegaan, en vervolgens, toen haar moeder haar had voorgehouden dat daar een veter zit, heeft voorgedaan dat de verdachte via de broekspijp naar haar plasser was gegaan. Ten aanzien van [slachtoffer 14] geldt dat gevreesd moet worden dat zij is beïnvloed door een ander kind van de zwemles. Bovendien blijkt uit het studioverhoor dat [slachtoffer 14] toch niet wist wat er gebeurd is.

Het hof overweegt als volgt.

De moeder van [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] heeft op 3 april 2014 aangifte gedaan. Deze aangifte, het daaraan voorafgaande informatieve gesprek en de aanvullende verklaring van de moeder van 16 april 2014 houden het volgende in.

[slachtoffer 13] heeft vanaf december 2012 zwemles gehad van de verdachte. [slachtoffer 14] had zwemles van hem van september 2012 tot juni/juli 2013.

De avond na de informatiebijeenkomst vroeg de moeder aan [slachtoffer 14] of de verdachte haar wel eens moest helpen met zwemmen, bij haar rug of haar benen bijvoorbeeld. [slachtoffer 14] antwoordde “ja”, en “hij deed wel eens zo bij mijn rug of mijn benen zo omhoog en dan deed hij ook wel eens zo”, waarbij ze met haar hand aan de achterkant in haar onderbroek ging, bij haar billen. Haar moeder heeft toen niet verder doorgevraagd omdat ze het niet kon plaatsen.

Op 18 maart 2014 zei [slachtoffer 13] tegen haar moeder, toen ze in haar ondergoed in haar slaapkamer bezig was met kleding voor de zwemles uitzoeken: “Meester [verdachte] doet wel eens dit, als ik op mij rug zwem”, waarbij ze met haar hand via de bovenkant in haar onderbroek tot bij haar vagina ging. Het gebeurde bij het “kikkervoeten zwemmen” (het hof begrijpt: de been-schoolslag). Haar moeder vroeg “wat doet hij dan?”, waarop [slachtoffer 13] met haar wijsvinger een kriebelbeweging maakte. [slachtoffer 13] heeft het een tweede keer voorgedaan, waarbij haar wijsvinger via het broekspijpje naar haar vagina ging. Op de vraag van de moeder of het vaak gebeurde, antwoordde [slachtoffer 13] : “Soms komt hij naast mij lopen, in het water als ik de rugslag doe en dan doet hij dat. Volgens [slachtoffer 13] deed het geen pijn: “Nee, het kriebelt”. Even later heeft [slachtoffer 13] hetzelfde verteld aan haar vader en daarbij dezelfde beweging (met de wijsvinger via het broekspijpje naar de vagina) voorgedaan.

Toen [slachtoffer 14] op 8 april 2014 hoorde dat haar zusje met de politie zou gaan praten omdat de verdachte wel eens bij kinderen in de zwembroek zat, zei [slachtoffer 14] tegen [slachtoffer 13] dat de verdachte dat ook bij haar had gedaan en ging zij met haar hand aan de achterkant in haar onderbroek. Toen [slachtoffer 13] voordeed wat de verdachte bij haar zou hebben gedaan – wederom een kriebelbeweging met haar vinger bij haar vagina – was [slachtoffer 14] reactie: “Oo dat deed hij bij mij niet, bij mij deed hij dit”, waarbij ze dezelfde beweging maakte die ze eerder had voorgedaan. Het was vaker gebeurd en het vond plaats als ze haar bikini droeg. [slachtoffer 14] had het raar en vies gevonden.

[slachtoffer 13] heeft tijdens haar studioverhoor hetzelfde verklaard als tegen haar ouders. [slachtoffer 14] heeft tijdens het studioverhoor verklaard, en wederom laten zien, dat de verdachte met zijn hand in haar zwembroek ging. Dat gebeurde als zij op haar rug zwom en zij het niet zo goed kon, als zij de hele tijd naar beneden zakte.

Het hof acht de verklaring van [slachtoffer 13] authentiek en betrouwbaar en niet aannemelijk is geworden dat zij op enige wijze door haar ouders is beïnvloed, ook niet op indirecte wijze, als zij inderdaad een gesprek tussen de ouders over de uitnodiging voor de informatieavond zou hebben opgevangen. Daartoe is het volgende van belang. De moeder heeft met [slachtoffer 13] na de informatieavond niet gesproken over de vermoedens van ontucht door de verdachte. Zij heeft zijn afwezigheid verklaard door te zeggen dat de verdachte ziek was. [slachtoffer 13] dacht ook nog tijdens het studioverhoor dat de verdachte niet meer terug kwam naar de zwemlessen omdat hij heel erg ziek was; zij miste hem soms ook wel. [slachtoffer 13] heeft tijdens het uitzoeken van kleding voor de zwemles spontaan over de handelingen van de verdachte verklaard; enige vraagstelling door de moeder met betrekking tot bijvoorbeeld aanrakingen van de zwemmeester is daaraan niet vooraf gegaan. Ook beïnvloeding door de zusjes [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] onderling is geenszins aannemelijk gewordeng. In dat verband hecht het hof met name waarde aan het feit dat elk van de zusjes wezenlijk andere ontuchtige handelingen van de verdachte heeft beschreven.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen overweegt het hof nog dat [slachtoffer 13] consistent en consequent heeft verklaard. Uit de door het hof bekeken delen van het studioverhoor van [slachtoffer 13] komt ook het beeld naar voren van een onbevangen en open verklarend kind dat beeldend de door haar ervaren ontuchtige handelingen voordoet. Dat [slachtoffer 13] aanvankelijk heeft voorgedaan dat de verdachte via de bovenkant in haar broekje is gegaan, doet aan het voorgaande onvoldoende af.

Gelet op het voorgaande kunnen de verklaringen van [slachtoffer 13] en haar moeder tot het bewijs worden gebruikt. De door [slachtoffer 13] beschreven ontuchtige handelingen en de context waarin deze hebben plaatsgevonden, sluiten ook naadloos aan bij de door de verdachte gehanteerde en hiervoor beschreven modus operandi. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten aanzien van [slachtoffer 13] tenlastegelegde heeft begaan.

Gelet op de totstandkoming van de eerste twee verklaringen van [slachtoffer 14] is er aanleiding om extra kritisch naar mogelijke beïnvloeding te kijken. [slachtoffer 14] heeft immers haar (tweede) verklaring afgelegd nadat haar moeder haar had gevraagd of de verdachte haar wel eens moest helpen met zwemmen, en had gezegd dat de verdachte iets gedaan had wat niet mocht, omdat hij wel eens bij kindjes in hun zwembroek zat.

Desalniettemin acht het hof de verklaring van [slachtoffer 14] authentiek en betrouwbaar. Daarvoor is het volgende redengevend. De dag na de informatieavond heeft de moeder het onderwerp ‘zwemleraar’ al aangesneden en [slachtoffer 14] gevraagd of hij haar wel eens moest helpen met zwemmen bij haar rug of benen. Het hof acht deze vraagstelling slechts in beperkte mate sturend; naar ontuchtige aanrakingen of aanrakingen die ‘niet mochten’ is immers niet gevraagd. [slachtoffer 14] heeft toen geantwoord en laten zien dat de verdachte in haar zwembroek, bij haar billen, was gegaan. Dit aspect heeft zij dan ook spontaan benoemd. Nadien is zij bij deze verklaring gebleven, ook nadat [slachtoffer 13] tegen haar had gezegd en aan haar had laten zien dat de verdachte met zijn vinger een kriebelende beweging bij haar plasser had gemaakt, een wezenlijk andere (ontuchtige) handeling.

Uit het voorgaande volgt dat enige beïnvloeding van [slachtoffer 14] door haar ouders en/of haar zusje niet aannemelijk is geworden. Evenmin is aannemelijk geworden dat [slachtoffer 14] is beïnvloed door een ander kind dat aan de zwemlessen deelnam. De verklaringen van [slachtoffer 14] en haar moeder kunnen dan ook tot het bewijs worden gebezigd.

Het hof is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 14] voldoende specifiek is en voldoende aansluit bij de modus operandi van de verdachte. Ook [slachtoffer 14] spreekt immers over ontuchtige handelingen in haar zwembroek op het moment dat zij de rugslag deed en zij deze rugslag niet zo goed kon. Het hof acht dan ook het met betrekking tot [slachtoffer 14] tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 19: [slachtoffer 15]

De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte van het hem onder 19 tenlastegelegde wordt vrijgesproken omdat onvoldoende betrouwbaar bewijs aanwezig is waarop een veroordeling kan worden gestoeld. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. Omdat het informatieve gesprek met de moeder van [slachtoffer 15] ruim twee weken na de informatieavond heeft plaatsgevonden, kan het niet anders zijn dan dat de geruchtenstroom en persaandacht hun uitwerking moeten hebben gehad in deze zaak, zodat gevreesd moet worden voor sociale beïnvloeding. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het onderdeel ‘blote’ penis niet kan worden bewezen.

Het hof overweegt als volgt.

De moeder van [slachtoffer 15] heeft op 18 april 2014 aangifte gedaan. Deze aangifte en het daaraan voorafgaande informatieve gesprek houden het volgende in. [slachtoffer 15] heeft vanaf augustus 2012 zwemles gehad van de verdachte. [slachtoffer 15] moeder zei op enig moment tegen [slachtoffer 15] dat meester [verdachte] niet meer terug zou komen. Toen [slachtoffer 15] vroeg waarom dat zo was, zei zijn moeder dat hij (de verdachte) dingen had gedaan die niet leuk of prettig zijn dan wel niet mogen. [slachtoffer 15] vroeg daarop “wat dan?”, waarna de moeder hem vroeg wat [slachtoffer 15] niet leuk vond. [slachtoffer 15] zei toen dat de verdachte aan zijn piemel zat en daarin kneep. Daarna wilde [slachtoffer 15] er niet meer over praten. Diezelfde dag ’s avonds heeft [slachtoffer 15] tegen zijn beide ouders gezegd dat meester [verdachte] aan zijn piemel zat en daar in kneep. [slachtoffer 15] heeft dit voorgedaan door een knijpende beweging bij zijn kruis te maken. Het gebeurde als [slachtoffer 15] op zijn rug zwom. Tijdens zijn studioverhoor heeft [slachtoffer 15] verklaard dat de verdachte aan zijn piemel zat en daarin kneep als [slachtoffer 15] op zijn rug zwom en met de vissenstaart bezig was. Als [slachtoffer 15] dan ‘omhoog’ zat, kwam de verdachte bij hem staan en zat dan aan de piemel, altijd over de zwembroek, nooit erin.

Enige sturing kan aan het gesprek tussen [slachtoffer 15] en zijn moeder niet worden ontzegd; de moeder deelde immers mee dat de verdachte niet meer zou komen, omdat hij dingen had gedaan die niet leuk of prettig zijn dan wel niet mogen. Dit laat echter onverlet dat [slachtoffer 15] vervolgens zelf, en in zoverre spontaan, met de mededeling is gekomen dat de verdachte zijn penis had aangeraakt en daarin had geknepen. Daar komt bij dat [slachtoffer 15] heel specifiek heeft verklaard dat de verdachte niet in zijn ballen had geknepen, nooit met de hand in zijn zwembroek was geweest en dat het nooit gebeurde als hij op zijn buik zwom.

Het hof is dan ook van oordeel dat een de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 15] aantastende beïnvloeding niet aannemelijk is geworden en dat ook overigens geen reden is te twijfelen aan de betrouwbaarheid ervan. De verklaringen van [slachtoffer 15] en zijn moeder kunnen dan ook voor het bewijs worden gebruikt.

Ook ten aanzien van de verklaring van [slachtoffer 15] geldt dat deze steun vindt in de modus operandi van de verdachte: de ontuchtige handelingen vonden plaats als [slachtoffer 15] de vissenstaart op de rug deed en ‘omhoog’ kwam, hetgeen het hof aldus begrijpt dat [slachtoffer 15] de zwemslag niet op de correcte wijze uitvoerde. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte met betrekking tot [slachtoffer 15] is tenlastegelegd, met dien verstande dat het hof zal vrijspreken van het onderdeel ‘blote’ (penis).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4, 5, 8, 9, 13, 16 en 19 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2012 tot en met 10 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2007, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij telkens in zijn hoedanigheid van zwemleraar tijdens de zwemles in de blote penis van [slachtoffer 1] geknepen, althans de blote penis van [slachtoffer 1] betast;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 15 augustus 2013 tot en met 18 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij telkens in zijn hoedanigheid van zwemleraar tijdens de zwemles de blote penis van [slachtoffer 2] betast;

4.

hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 18 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij telkens in zijn hoedanigheid van zwemleraar tijdens de zwemles de blote penis van [slachtoffer 4] betast;

5.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 april 2013 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij telkens in zijn hoedanigheid van zwemleraar tijdens de zwemles in de penis van [slachtoffer 5] geknepen, althans de penis van [slachtoffer 5] betast;

8.

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 april 2013 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 6] , geboren op [geboortedatum] 2003, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij in zijn hoedanigheid van zwemleraar tijdens de zwemles de schaamstreek van [slachtoffer 6] betast;

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2012 tot en met 10 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 7] , geboren op [geboortedatum] 2007, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij telkens in zijn hoedanigheid van zwemleraar tijdens de zwemles de blote vagina van [slachtoffer 7] betast;

9.

hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2012 tot en met 10 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 8] , geboren op [geboortedatum] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij telkens in zijn hoedanigheid van zwemleraar tijdens de zwemles de blote vagina van [slachtoffer 8] betast;

13.

hij op tijdstippen in de periode van 1 november 2012 tot en met 18 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 11] , geboren op [geboortedatum] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij telkens in zijn hoedanigheid van zwemleraar tijdens de zwemles de blote penis van [slachtoffer 11] betast;

16.

hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2012 tot en met 18 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 13] , geboren op [geboortedatum] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij telkens in zijn hoedanigheid van zwemleraar tijdens de zwemles de blote vagina van [slachtoffer 13] betast;

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2012 tot en met 1 augustus 2013 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 14] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij telkens in zijn hoedanigheid van zwemleraar tijdens de zwemles de blote billen van [slachtoffer 14] betast;

19.

hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 18 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 15] , geboren op [geboortedatum] 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij telkens in zijn hoedanigheid van zwemleraar tijdens de zwemles in de penis van [slachtoffer 15] geknepen.

Hetgeen onder 1, 2, 4, 5, 8, 9, 13, 16 en 19 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 4, 5, 8, 9, 13, 16 en 19 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1, 2, 4, 5, 8 (voor zover het betreft [slachtoffer 7] ), 9, 13, 16 en 19 bewezenverklaarde levert telkens op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Het onder 8 bewezenverklaarde (voor zover het betreft [slachtoffer 6] ) levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 4, 5, 8, 9, 13, 16 en 19 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 16 en 19 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 10 jaren. Daarbij zijn als bijzondere voorwaarden gesteld dat de verdachte gedurende de proeftijd het vak van zwemleraar niet zal uitoefenen en geen werkzaamheden of activiteiten zal verrichten met minderjarigen die de leeftijd van 16 jaren nog niet hebben bereikt.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor diezelfde feiten zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank opgelegd, met inbegrip van de opgelegde bijzondere voorwaarden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft in zijn hoedanigheid van zwemleraar meermalen ontuchtige handelingen gepleegd met 11 kinderen, die aan zijn opleiding en waakzaamheid waren toevertrouwd. De kinderen waren toentertijd tussen de 4 en 9 jaar oud en dus ver beneden de leeftijd van 16 jaren. De verdachte heeft hen op of in hun zwembroek betast aan hun geslachtsdeel of de schaamstreek en bij één kind bij de billen. Het hof rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat die nog zeer jonge kinderen op die momenten weerloos in het zwembad lagen, daar niet konden staan en geheel waren overgeleverd aan het toezicht en de hulp van de verdachte. Daarnaast heeft de verdachte het bij alle kinderen – op één na – niet bij één keer betasten gelaten, maar heeft hij zich daaraan ook tijdens volgende zwemlessen schuldig gemaakt.

Door zijn handelwijze heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van de minderjarige en kwetsbare slachtoffers geschonden. Het is algemeen bekend dat slachtoffers – zeker als het gaat om kinderen in de genoemde leeftijden – van dergelijke feiten nog gedurende lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dit blijkt ook uit een aantal slachtofferverklaringen, geschreven door de ouders van deze kinderen, en uit de toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Bovendien heeft de verdachte door zijn handelen ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de ouders en hun kinderen in hem als zwemleraar hebben gesteld. Een aantal ouders voelt zich nog altijd schuldig, omdat zij hun kind niet hebben kunnen behoeden voor de ontuchtige handelingen of omdat zij hun kind in goed vertrouwen bij hem achterlieten. Het hof rekent de verdachte dit alles zeer aan. Ook heeft de verdachte indirect zwemleraren in het algemeen benadeeld door het beroep van zwemleraar in een negatief daglicht te plaatsen.

De verdachte heeft zijn medewerking aan enig onderzoek naar zijn geestestoestand geweigerd. In het rapport betreffende de verdachte van 29 augustus 2014 van psychiater M.R. Weede en psycholoog P.C. Dalebout hebben deze deskundigen overwogen dat van op de voorgrond staande psychiatrische pathologie bij de verdachte geen sprake lijkt te zijn en dat zijn weigerachtige houding niet lijkt te zijn ingegeven door pathologische angst of achterdocht.

Het rapport van het Pieter Baan Centrum van 23 februari 2015, opgemaakt door psychiater J. Marx en psycholoog L. Vermolen , houdt onder meer het volgende in. Door de beperkingen in het onderzoek kunnen stoornissen in de seksuele voorkeur en/of verhoogde seksualiteit bij de verdachte niet worden aangetoond, noch worden uitgesloten. Bij de verdachte is sprake een opgeblazen gevoel van eigen belangrijkheid en preoccupatie met eigen succes en belangrijkheid. De verdachte toont zich afgunstig op (het succes van) anderen en komt soms arrogant en hooghartig over. Dit wordt gezien als een narcistische persoonlijkheidsdynamiek. Of de verdachte ook voldoet aan de algemene criteria voor een persoonlijkheidsstoornis kan niet worden vastgesteld. Gezien de weigerende houding van de verdachte is het niet mogelijk een (min of meer) volledig beeld te vormen van diens persoonlijkheid, evenmin van eventuele kwetsbaarheden of van positieve (beschermende) factoren.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 juni 2018 is hij eenmaal eerder onherroepelijk veroordeeld. Gelet op het tijdsverloop sinds die veroordeling en omdat het een andersoortig feit betreft, zal het hof deze niet ten nadele van de verdachte wegen.

Het hof heeft zich voor de vraag gesteld gezien of het gegeven dat in hoger beroep minder feiten zijn bewezenverklaard dan in eerste aanleg dient te leiden tot het opleggen van een lagere straf dan in eerste aanleg. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. De ernst van de bewezenverklaarde feiten is, mede gelet op de omschreven omstandigheden en de hoeveelheid jonge kinderen, allen ver beneden de leeftijd van 16 jaren, van dien aard dat naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met daaraan te verbinden bijzondere voorwaarden, passend en geboden is.

Aangezien de advocaat-generaal oplegging van deze straf heeft gevorderd bij een bewezenverklaring van alle in hoger beroep aan de orde zijnde feiten en het hof minder feiten bewezen acht, legt het hof dus in feite een hogere straf op dan is geëist.

Het hof acht, met de rechtbank en de advocaat-generaal, een proeftijd voor de duur van 10 jaren geboden. Naar het oordeel van het hof dient er ernstig rekening mee gehouden te worden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, gelet op de volgende feiten en omstandigheden. De verdachte heeft meermalen ontuchtige handelingen gepleegd met een groot aantal minderjarige kinderen, hij heeft geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden willen nemen, maar is daarentegen met grote stelligheid blijven ontkennen zich aan enige ontuchtige handeling te hebben schuldig gemaakt, en bovendien heeft hij tegenover gedragsdeskundigen geen enkel inzicht willen geven in zijn persoonlijkheid noch de beweegredenen voor zijn handelen.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De ouders van 9 kinderen hebben zich met vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen gevoegd in de onderhavige strafzaak. Die opgevoerde schadeposten betreffen reis- en parkeerkosten, opgenomen verlofuren, verlies aan arbeidsvermogen, kosten voor therapie, telefoonkosten, kosten voor ziekenhuisbezoek, kosten voor studievertraging en immateriële schade.

Bij de beoordeling van de opgevoerde kostenposten stelt het hof het volgende voorop.

Een aantal van de opgevoerde kosten, te weten bepaalde reis- en parkeerkosten, zijn als schade in de zin van artikel 51f Wetboek van Strafrecht (Sr) opgevoerd, maar daarbij is in wezen sprake van kosten als bedoeld in artikel 592a Sv, zodat deze niet als schade zijn aan te merken en terzake dus evenmin de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr kan worden opgelegd. Het hof zal ter zake van die kosten de vorderingen opvatten als betrekking hebbende op kosten als bedoeld in artikel 592a Sv.

Daarnaast is de immateriële schade de enige schade die de kinderen zelf hebben geleden. Voor het overige gaat het om schade die de ouders hebben geleden en die zij voor zichzelf vergoed willen zien in deze strafzaak. Die kosten kunnen echter, ook indien het gaat om verplaatste schade als bedoeld in artikel 6:107 Burgerlijk Wetboek (BW), naar huidig recht niet in een strafrechtelijke procedure voor vergoeding aan de ouders in aanmerking komen, nu de ouders in zoverre niet behoren tot de voeginggerechtigden (HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2642 en HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2668).

De door de advocaat-generaal genoemde arresten van de Hoge Raad kunnen niet tot een ander oordeel leiden. De wet van 11 april 2018 (Stb. 132) voorziet weliswaar onder meer in de mogelijkheid tot vergoeding van verplaatste schade in het strafproces, maar deze wet is nog niet in werking getreden en is reeds om die reden – nog afgezien van het toepasselijke overgangsrecht – niet toepasselijk in de onderhavige zaak.

Ten aanzien van de immateriële schade van de kinderen, op de vaststelling waarvan het civiele recht van toepassing is, overweegt het hof als volgt. Artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt indien:

a. de aansprakelijke persoon het oogmerk had dergelijke schade toe te brengen of

b. de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Deze schadevergoeding wordt vastgesteld naar billijkheid, zodat rekening kan worden gehouden met de omstandigheden van het geval.

Nu niet aannemelijk is geworden dat de verdachte het oogmerk had de kinderen schade toe te brengen en evenmin sprake is van toegebracht lichamelijk letsel of aantasting in de eer of goede naam van de kinderen, zal het hof moeten nagaan of de kinderen op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. Daarvoor is, in gevallen als de onderhavige, niet vereist dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Wel zal in beginsel moeten vaststaan dat de benadeelde geestelijk letsel van min of meer ernstige aard heeft opgelopen, waarvoor meer of minder sterk psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen ontoereikend is. Door of namens de benadeelde zullen voldoende concrete gegevens moeten zijn aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische beschadiging is ontstaan. Het hof zal in het navolgende voor elk individueel geval beoordelen of daaraan is voldaan.

In de gevallen dat het hof de vordering tot schadevergoeding toewijst, zal het telkens ook de maatregel van artikel 36f Sr opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 1] (feit 1)

De moeder van [slachtoffer 1] heeft zich als diens wettelijke vertegenwoordiger in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 2.622,16. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.122,16. In hoger beroep heeft geen nieuwe voeging plaatsgevonden. Het hof heeft in hoger beroep dan ook slechts te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

  1. reiskosten € 13,20

  2. opname verlof € 108,96

  3. immateriële schade € 1.000

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat [slachtoffer 1] als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 1.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [slachtoffer 1] door het handelen van de verdachte te kampen heeft (gehad) met gevoelens van ernstige boosheid, preutsheid, onzekerheid, zich buitengesloten voelen, verdriet en met een loyaliteitsconflict (omdat hij de verdachte een leuke zwemleraar vond) en dat hij een behandeling bij het Kinder- Jeugd- en Traumacentrum heeft moeten ondergaan. De verdediging heeft een en ander niet betwist. Dit brengt mee dat naar het oordeel van het hof is voldaan aan het vereiste dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard.

De opgevoerde reiskosten kunnen alleen op de voet van artikel 592a Sv worden vergoed indien deze zijn gemaakt voor het bijwonen van de terechtzittingen. Het hof bepaalt deze op € 9. De overige reiskosten

(€ 4,20) moeten worden geacht te zijn gemaakt ten behoeve van het (doen) opstellen van een voegingsformulier en van de schriftelijke slachtofferverklaring, zodat deze niet kunnen gelden als kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 592a Sv.

De kosten ter zake van het opnemen van verlof (€ 108,96) – voor het informatieve gesprek met de politie, het doen van aangifte, het begeleiden van het kind bij het studioverhoor en het ontvangen van psychosociale ondersteuning van Slachtofferhulp Nederland – kunnen niet worden aangemerkt als schade die [slachtoffer 1] zelf heeft geleden noch als kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 592a Sv, zodat de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 2] (feit 2)

De moeder van [slachtoffer 2] heeft zich als diens wettelijke vertegenwoordiger in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 2.136,66. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.107,72. In hoger beroep heeft geen nieuwe voeging plaatsgevonden. Het hof heeft in hoger beroep dan ook slechts te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

  1. reis- en parkeerkosten € 107,72

  2. immateriële schade € 1.000

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet gebleken dat [slachtoffer 2] als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in het voegingsformulier is vermeld dat zich bij [slachtoffer 2] geen concrete gedragsveranderingen hebben voorgedaan, behalve dat hij na een aantal maanden met minder plezier naar zwemles ging, en dat onduidelijk is wat de psychologische gevolgen voor hem op latere leeftijd zullen zijn. In hoger beroep heeft de gemachtigde (werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland) ten aanzien van de immateriële schade slechts verwezen naar de verklaring van [moeder van slachtoffer 2] , als spreekgerechtigde, samengevat inhoudende dat de verdachte veel schade heeft aangericht en dat [slachtoffer 2] daardoor “levenslang” heeft, en naar hetgeen de gemachtigde ten aanzien van [slachtoffer 1] had opgemerkt. Dit brengt mee dat (thans) niet is voldaan aan het vereiste dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen.

De opgevoerde reis- en parkeerkosten kunnen alleen op de voet van artikel 592a Sv worden vergoed indien deze zijn gemaakt voor het bijwonen van de terechtzittingen. In het voegingsformulier zijn deze kosten berekend op € 86,92 voor het bijwonen van de zittingen van 3 maart 2015, 5 maart 2015 en 10 (het hof begrijpt: 11) maart 2015. Nu uit de processen-verbaal van die zittingen blijkt dat op 11 maart 2015 – de dag waarop het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is gesloten – geen van de wettelijke vertegenwoordigers van het slachtoffer aanwezig was, bepaalt het hof de (wel) gemaakte kosten voor het bijwonen van de zittingen op € 57,94; de resterende € 28,98 komen niet voor vergoeding in aanmerking.

De overige reis- en parkeerkosten (€ 49,74) voor het bijwonen van de informatiebijeenkomst; het gesprek met Slachtofferhulp Nederland en het gesprek met de officier van justitie, kunnen niet worden aangemerkt als schade die [slachtoffer 2] zelf heeft geleden noch als kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 592a Sv, zodat de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 4] (feit 4)

De moeder van [slachtoffer 4] heeft zich als diens wettelijke vertegenwoordiger in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 2.274,68. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.247,75. In hoger beroep heeft geen nieuwe voeging plaatsgevonden. Het hof heeft in hoger beroep dan ook slechts te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Deze betreft de volgende kostenposten (met wettelijke rente):

  1. reis- en parkeerkosten € 97,93

  2. opname verlofuren € 149,82

  3. immateriële schade € 1.000

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet gebleken dat [slachtoffer 4] als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat slechts is aangevoerd dat [slachtoffer 4] na een aantal maanden met veel minder plezier naar zwemles ging, dat het gebeurde diepe indruk op hem heeft gemaakt en dat onduidelijk is wat de psychische gevolgen op latere leeftijd zullen zijn. Dit brengt mee dat thans niet is voldaan aan het vereiste dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard. In zoverre kan de benadeelde partij daarom (thans) in de vordering niet worden ontvangen.

De opgevoerde reis- en parkeerkosten kunnen alleen op de voet van artikel 592a Sv worden vergoed indien deze zijn gemaakt voor het bijwonen van de terechtzittingen. In het voegingsformulier zijn deze kosten berekend op € 80,89 voor het bijwonen van de zittingen van 3 maart 2015, 5 maart 2015 en 10 (het hof begrijpt: 11) maart 2015. De rechtbank heeft de vordering op dit punt – naar het hof uit het vonnis begrijpt – toegewezen tot een bedrag van € 53,86 omdat op 11 maart 2015 – de dag waarop het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is gesloten – geen van de wettelijke vertegenwoordigers van het slachtoffer aanwezig was. Het hof sluit zich hierbij aan.

De kosten ter zake van het opnemen van verlof voor het bijwonen van de terechtzittingen in eerste aanleg (20 uur à € 6,81 = € 136,20) behoren tot de in artikel 592a Sv bedoelde kosten, zodat deze voor vergoeding in aanmerking komen.

De overige reis- en parkeerkosten € 44,07 – voor het bijwonen van de informatiebijeenkomst, het gesprek met Slachtofferhulp Nederland ten behoeve van het invullen van het voegingsformulier en het gesprek met de officier van justitie – en de kosten ter zake van het opnemen van verlof voor een gesprek met de officier van justitie (twee uur à € 6,81) kunnen niet worden aangemerkt als schade die [slachtoffer 4] zelf heeft geleden noch als kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 592a Sv, zodat de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 5] (feit 5)

Namens de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 5] heeft mr. A.M. Wolf zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 10.660,80. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.059,80. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Deze betreft de volgende kostenposten (met wettelijke rente):

  1. kosten opname verlof € 225

  2. jaar blijven zitten € 5.750

  3. reiskosten (6x naar rechtbank) € 28

  4. reiskosten (bezoek advocaat) € 5

  5. bezoek ziekenhuis € 11

  6. reiskosten KJTC € 72,50

  7. telefoonkosten € 35

  8. parkeerkosten rechtbank € 23

  9. parkeerkosten advocaat € 4,80

  10. parkeerkosten ziekenhuis € 6,50

  11. smartengeld (immateriële schade) € 4.500

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat [slachtoffer 5] als gevolg van het onder 5 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 1.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de door mr. Wolf ingebrachte stukken inhouden dat [slachtoffer 5] in verband met slaap-, eet- en gedragsproblemen is aangemeld bij het Kinder- Jeugd- en Traumacentrum, waar hij onder meer EMDR-therapie heeft gehad, dat hij daarna in behandeling is gegaan bij een GZ-psycholoog en dat hij nadien wederom EMDR-therapie heeft ondergaan. De verdediging heeft een en ander niet betwist. Dit brengt mee dat naar het oordeel van het hof is voldaan aan het vereiste dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor wat betreft de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen.

Ten aanzien van de kosten ter zake van het doubleren van groep 3 door [slachtoffer 5] (post b) overweegt het hof dat zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld of dit rechtstreekse schade ten gevolge van het handelen van de verdachte betreft. Behandeling van de vordering op dit onderdeel levert dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen.

De kosten met betrekking tot het ziekenhuisbezoek (de onder e en j opgevoerde posten) en de telefoonkosten (post g) zijn niet nader onderbouwd, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen.

De kosten ter zake van het opnemen van verlof voor het begeleiden van [slachtoffer 5] (post a), de reiskosten voor het bezoek aan de advocaat (post d), de daarmee samenhangende parkeerkosten (post i) en de kosten voor het bezoek aan het Kinder- Jeugd- en Traumacentrum (post f)) kunnen niet worden aangemerkt als schade die [slachtoffer 5] zelf heeft geleden noch als kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 592a Sv, zodat de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering.

De onder c en h opgevoerde reis- en parkeerkosten (in totaal € 51) vallen onder de kosten in de zin van artikel 592a Sv, zodat deze voor vergoeding in aanmerking komen.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 8] (feit 9)

De moeder van [slachtoffer 8] (voorheen genaamd: [slachtoffer 8] ) heeft zich als haar wettelijke vertegenwoordiger in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering van € 1.000, met wettelijke rente ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. In hoger beroep heeft opnieuw voeging plaatsgevonden voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat [slachtoffer 8] als gevolg van het onder 9 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 1.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [slachtoffer 8] door het handelen van de verdachte last heeft gehad van slecht slapen, driftbuien en afwijkend gedrag bij het aan- en uitkleden, welke klachten uiteindelijk hebben geleid tot behandeling door een psychiater. De verdediging heeft een en ander niet betwist. Dit brengt mee dat naar het oordeel van het hof is voldaan aan het vereiste dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard.

Het hof zal de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 11] (feit 13)

De moeder van [slachtoffer 11] heeft zich als diens wettelijke vertegenwoordiger in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 2.757,50. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.757,50. In hoger beroep heeft opnieuw voeging plaatsgevonden voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Deze betreft de volgende kosten (met wettelijke rente):

  1. reiskosten € 7,50

  2. verlies arbeidsvermogen moeder € 750

  3. immateriële schade € 2.000

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat [slachtoffer 11] als gevolg van het onder 13 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 1.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [slachtoffer 11] door het handelen van de verdachte te kampen kreeg met concentratiestoornissen, huilbuien, driftbuien, slaapstoornissen en leeftijdsinadequaat seksueel gedrag. Voorts heeft het Kinder-, Jeugd- en Traumacentrum standby gestaan om [slachtoffer 11] begeleiding te bieden. De verdediging heeft een en ander niet betwist. Dit brengt mee dat naar het oordeel van het hof is voldaan aan het vereiste dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor wat betreft de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen.

De kosten ter zake van het verlies aan arbeidsvermogen en de reiskosten kunnen niet worden aangemerkt als schade die [slachtoffer 11] zelf heeft geleden noch als kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 592a Sv, zodat de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 13] (feit 16a)

De moeder van [slachtoffer 13] heeft zich als haar wettelijke vertegenwoordiger in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 2.190,29. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.071,85. In hoger beroep heeft opnieuw voeging plaatsgevonden voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Deze betreft de volgende kostenposten (met wettelijke rente):

  1. reis- en parkeerkosten € 190,29 (waarvan € 142,25 voor [slachtoffer 14] )

  2. immateriële schade € 2.000

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat [slachtoffer 13] als gevolg van het onder 16a bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 1.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof neemt daarbij in aanmerking de lichamelijke klachten die [slachtoffer 13] heeft ondervonden, te weten spugen, niet altijd goed slapen en afwijkend gedrag na toiletbezoek, alsmede het behandelplan van [slachtoffer 13] , op 8 november 2016 opgesteld door GZ psycholoog R. Duveen waarin als behandelmiddelen zijn vermeld cognitieve traumatherapie met eventueel EMDR. De verdediging heeft een en ander niet betwist. Dit brengt mee dat naar het oordeel van het hof is voldaan aan het vereiste dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor wat betreft de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen.

De opgevoerde reis- en parkeerkosten zien blijkens het voegingsformulier voor een bedrag van € 70,15 op het bijwonen van de terechtzittingen in eerste aanleg van 3 maart 2015, 5 maart 2015 en 10 (het hof begrijpt: 11) maart 2015. Nu uit de processen-verbaal van die zittingen blijkt dat op 11 maart 2015 – de dag waarop het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is gesloten – geen van de wettelijke vertegenwoordigers van het slachtoffer aanwezig was, bepaalt het hof de (wel) gemaakte kosten voor het bijwonen van de zittingen op € 46,77; de resterende € 23,38 komen niet voor vergoeding in aanmerking.

De overige reis- en parkeerkosten – voor een gesprek met een advocaat, voor een afspraak bij Slachtofferhulp Nederland, voor een informatiebijeenkomst op het politiebureau en voor een gesprek met de officier van justitie – kunnen niet worden aangemerkt als schade die [slachtoffer 13] zelf heeft geleden noch als kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 592a Sv, zodat de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 14] (feit 16b)

De moeder van [slachtoffer 14] heeft zich als haar wettelijke vertegenwoordiger in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 3.389,15. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.071,85. In hoger beroep heeft opnieuw voeging plaatsgevonden voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Deze betreft de volgende kostenposten (met wettelijke rente):

a. kosten jeugdtherapeut € 707,85

reis- en parkeerkosten € 180,30 (waarvan € 142,25 voor [slachtoffer 13] )

immateriële schade € 2.000

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat [slachtoffer 14] als gevolg van het onder 16b bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 1.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [slachtoffer 14] door het handelen van de verdachte te kampen kreeg met zodanige angsten, nachtmerries en weerstand tegen het naar school gaan, dat haar ouders zich genoodzaakt zagen professionele hulp in te schakelen, hetgeen resulteerde in behandeling door een kind- en jeugdtherapeut. De verdediging heeft een en ander niet betwist. Dit brengt mee dat naar het oordeel van het hof is voldaan aan het vereiste dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor wat betreft de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen.

De opgevoerde reis- en parkeerkosten zien blijkens het voegingsformulier voor een bedrag van € 88,79 op het bijwonen van de terechtzittingen in eerste aanleg van 3 maart 2015, 5 maart 2015 en 10 (het hof begrijpt: 11) maart 2015. Nu uit de processen-verbaal van die zittingen blijkt dat de zaak van [slachtoffer 14] gelijktijdig met die van [slachtoffer 13] is behandeld, dat op 11 maart 2015 – de dag waarop het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is gesloten – geen van de wettelijke vertegenwoordigers van het slachtoffer aanwezig was en het hof reeds heeft bepaald dat ten behoeve van de zittingen van 3 maart 2015 en 5 maart 2015 gemaakte reis- en parkeerkosten voor het bijwonen van de behandeling van de zaak van [slachtoffer 13] onder de kosten als bedoeld in artikel 592a Sv vallen, ziet het hof geen aanleiding de verdachte te veroordelen in betaling van voormeld bedrag van € 88,79.

De overige reis- en parkeerkosten – voor een gesprek met een advocaat, voor een afspraak bij Slachtofferhulp Nederland, voor een informatiebijeenkomst op het politiebureau en voor een gesprek met de officier van justitie – en de kosten voor de jeugdtherapeut kunnen niet worden aangemerkt als schade die [slachtoffer 14] zelf heeft geleden noch als kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 592a Sv, zodat de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 15] (feit 19)

De moeder van [slachtoffer 15] heeft zich als diens wettelijke vertegenwoordiger in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 2.046,36. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.046,36. In hoger beroep heeft opnieuw voeging plaatsgevonden voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Deze betreft de volgende kostenposten (met wettelijke rente):

  1. reiskosten € 46,36

  2. immateriële schade € 2.000

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet gebleken dat [slachtoffer 15] als gevolg van het onder 19 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de in eerste aanleg opgestelde slachtofferverklaring op dit punt (slechts) inhoudt dat [slachtoffer 15] teruggetrokken gedrag heeft vertoond, op school minder geconcentreerd en meer aandachtbehoeftig was (waardoor hij naar een andere basisschool is overgeplaatst) en niet in staat was te praten over wat met hem was gebeurd. De gemachtigde van Slachtofferhulp Nederland heeft ter terechtzitting in hoger beroep volstaan met verwijzing naar hetgeen zij over andere slachtoffers had opgemerkt. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat [slachtoffer 15] lijdt aan ADHD, is onvoldoende duidelijk wat het causaal verband is tussen de psychische klachten van [slachtoffer 15] en het handelen van de verdachte. Dit brengt mee dat (thans) niet is voldaan aan het vereiste dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen.

De opgevoerde reiskosten kunnen alleen op de voet van artikel 592a Sv worden vergoed indien deze zijn gemaakt voor het bijwonen van de terechtzittingen. In het voegingsformulier zijn deze kosten berekend op € 23,18 voor het bijwonen van de zittingen van 3 maart 2015 en 5 maart 2015. Deze komen voor vergoeding in aanmerking.

De overige reiskosten (€ 23,18), voor het bij Slachtofferhulp Nederland doen opstellen van een slachtofferverklaring en het gesprek met de officier van justitie, kunnen niet worden aangemerkt als schade die [slachtoffer 15] zelf heeft geleden noch als kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 592a Sv, zodat de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 6, 7, 11, 15, 17, 18, 20, 21, 22, 23 en 24 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3, 10, 12 en 14 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4, 5, 8, 9, 13, 16 en 19 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 4, 5, 8, 9, 13, 16 en 19 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 10 (tien) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende deze proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

  • -

    de verdachte gedurende de proeftijd niet het vak van zwemleraar zal uitoefenen;

  • -

    de verdachte gedurende de proeftijd geen werkzaamheden of activiteiten zal verrichten met minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, noch beroepsmatig noch als vrijwilliger, met dien verstande dat onder dit verbod niet zijn begrepen sociale contacten met kinderen in de familie- of relatiesfeer.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 9,00 (negen euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 februari 2014.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 2]

Verklaart de benadeelde niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 57,94 (zevenenvijftig euro en vierennegentig cent).

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 4]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 190,06 (honderdnegentig euro en zes cent).

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 52,50 (tweeënvijftig euro en vijftig cent) aan materiële schade (kosten met betrekking tot het ziekenhuisbezoek en telefoonkosten) af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 51,00 (eenenvijftig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 januari 2013.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 8]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 8] ter zake van het onder 9 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd S. Dekker, ter zake van het onder 9 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 februari 2014.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 11]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 11] ter zake van het onder 13 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 11] , ter zake van het onder 13 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 februari 2014.

Vordering van de wettelijk vertegenwoordiger van benadeelde partij [slachtoffer 13]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 13] ter zake van het onder 16 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 46,77 (zesenveertig euro en zevenenzeventig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 13] , ter zake van het onder 16 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 februari 2014.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van de benadeelde partij [slachtoffer 14]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 14] ter zake van het onder 16 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 14] , ter zake van het onder 16 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 augustus 2013.

Vordering van de wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer 15]

Verklaart de benadeelde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 23,18 (drieëntwintig euro en achttien cent).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. A.M. van Woensel en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juli 2018.

mr. H.M.J. Quaedvlieg is buiten staat dit mede arrest te ondertekenen.