Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2593

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
23-002357-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heimelijk vervaardigen film in woning, art. 139f Sr. Het hof overweegt dat de verdachte opzet heeft gehad op het vervaardigen van filmmateriaal door zijn iPhone in de selfiestand te richten op de badkamer. Taakstraf voor de duur van 60 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002357-17

datum uitspraak: 23 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer
15-068316-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

wonende aan de [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
9 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 11 maart 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, gebruik makende van een technisch hulpmiddel, te weten een Iphone (merk Apple), waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, te weten [slachtoffer] , aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, de Roosduinen, een afbeelding en/of een film heeft vervaardigd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Bespreking van een verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het vervaardigen van een film en dat hij zijn telefoon zou hebben willen gebruiken als ware het een spiegel.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt vast dat de verdachte op het moment van de opname in het scherm keek en derhalve kon zien dat er een opname werd gemaakt. Immers, bij een iPhone gaat een rood lichtje tijdens een filmopname knipperen en tegelijkertijd is een timer in beeld. Uit de foto’s die zich in het dossier bevinden leidt het hof af dat de verdachte in ieder geval gedurende 31 seconden heeft gefilmd en het hof acht deze tijd lang genoeg voor de verdachte om gezien te hebben dat hij aan het filmen was. Het hof acht op grond van het voorgaande en de inhoud van de hierna opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte opzet had op het vervaardigen van filmmateriaal. Het hof stelt voorts de – voor het eerst ter zitting in hoger beroep naar voren gebrachte – lezing van de verdachte dat hij alleen maar voor de grap zijn telefoon voor het bovenraampje heeft gehouden als ongeloofwaardig, nu deze niet overeenkomt met zijn eerdere verklaring en uitlatingen tegenover de moeder van aangeefster, ter zijde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 maart 2017 te Hoofddorp gebruik makende van een iPhone (merk Apple), waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, te weten [slachtoffer] , aanwezig in een woning aan de Roosduinen, een film heeft vervaardigd.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal met nummer PL1100-2017050681-1 van 14 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 3). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 maart 2017 afgelegde verklaring van [slachtoffer] :

Ik doe aangifte van het feit dat de verdachte mij opzettelijk en wederrechtelijk heimelijk heeft gefilmd met een technisch hulpmiddel in een woning zijnde niet toegankelijk voor overig publiek, op 11 maart 2017 in Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer. Mijn moeder heeft sinds vier jaar een relatie met [verdachte] . Op vrijdagavond, 10 maart 2017, ben ik blijven slapen bij mijn moeder die op dat moment bij [verdachte] verbleef. Omstreeks 09:00 uur stond ik mij af te drogen in de badkamer, omdat ik net gedoucht had was ik naakt. Mijn telefoon lag ook in de badkamer en het alarm van mijn telefoon ging af. Toen ik mij omdraaide om het alarm uit te zetten, zag ik in mijn ooghoek iets door het bovenraam van de badkamerdeur. Toen ik goed keek, zag ik dat het een mobiele telefoon in een hand was die op voorcamera stond. Ik zag namelijk mezelf naakt op het scherm van de telefoon. Omdat ik een kreet slaakte ging de hand met de mobiele telefoon weg en hoorde ik daarna heel zachtjes de slaapkamerdeur. Kort daarna hoorde ik [verdachte] normaal de slaapkamer uitlopen en hoorde ik hem zeggen: “mogge”. Ik heb me vervolgens snel aangekleed. Op de badkamer heb ik gewacht totdat mijn moeder terug was. Toen ik beneden kwam heb ik spullen gepakt en in mijn tas gedaan. Vervolgens kwam [verdachte] in de deuropening staan van de woonkamer naar de hal. [verdachte] zei toen: “sorry, ik weet niet wat me bezielde”.

2. Een proces-verbaal met nummer PL1100-2017050681-2 van 15 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 4 en 5). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 maart 2017 afgelegde verklaring van [naam] :

In de nacht van 10 op 11 maart ben ik samen met mijn dochter blijven slapen in de woning van [verdachte] . [verdachte] woont op het adres [adres 2] . Mijn dochter moest naar haar werk en ging om 09:00 uur douchen. [slachtoffer] ging de badkamer in en ik ging op dat moment de hond uitlaten. Ik was net buiten en rond 09:00 uur kreeg ik een WhatsApp van mijn dochter. Zij vroeg of ik wel helemaal goed was. Ik ben teruggegaan naar de woning en daar stond [verdachte] achter de deur. Hij zei tegen mij dat hij iets stoms had gedaan. Hij zei dat hij door het raam boven de badkamerdeur had gekeken naar [slachtoffer] , terwijl zij in de badkamer was. In tweede instantie zei hij dat hij met zijn telefoon naar [slachtoffer] in de badkamer had gekeken. Hij ontkende dit later. Dit is volgens mij een Apple iPhone. Mijn dochter vertelde mij dat [verdachte] met zijn telefoon voor het raampje van de badkamerdeur had gestaan, terwijl zij naakt onder de douche stond.

3. Een proces-verbaal met nummer PL1100-2017050681-10 van 5 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] met als bijlagen 5 foto’s. (doorgenummerde pagina’s 14 tot en met 19). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van voornoemde verbalisant:

Op het bestand van de laptop staan filmopnamen van 11 maart 2017 te 08:57 uur. Op deze filmopnamen staat verdachte [verdachte], terwijl hij vermoedelijk met zijn smartphone iemand heimelijk filmt die zich in de doucheruimte van een badkamer bevindt. [verdachte] filmt vermoedelijk aangeefster [slachtoffer] , terwijl zij zich in de doucheruimte bevindt. Alleen de handen van de persoon die zich in de doucheruimte bevindt, zijn zichtbaar en niet het gelaat of lichaam.

4. Een proces-verbaal met nummer PL1100-2017050681-3 van 15 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 33 tot en met 36). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 maart 2017 afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik heb de camera van mijn toestel gebruikt om te kijken of er iets te zien was, terwijl [slachtoffer] in mijn woning in de badkamer stond. Ik stond met mijn rug naar de deur, ik heb het beeldscherm richting de badkamer gehouden en zo kon ik zien of er iets te zien was in de badkamer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Gebruik maken van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in zijn woning heimelijk vervaardigen van een film. De verdachte heeft de aangeefster, de dochter van zijn ex-vriendin die op dat moment met haar moeder bij hem logeerde, met zijn iPhone gefilmd, terwijl zij onder de douche stond. Door aldus te handelen, heeft de verdachte blijk van gegeven van een gebrek aan respect voor de privacy van de aangeefster. Ten gevolge van zijn handelen heeft hij gevoelens van schaamte bij de aangeefster veroorzaakt en het in hem gestelde vertrouwen geschaad. Het hof rekent hem dit aan, temeer daar de verdachte in het verleden vaker met justitie in aanraking is gekomen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, ziet het hof geen aanleiding een deel van deze taakstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 800,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 200,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 139f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
4 (vier) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 maart 2017.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. M. Lolkema en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juli 2018.

mr. Dubelaar is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte]

[...]