Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2592

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
23-001706-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijk aanwezig hebben cocaïne en MDMA. Art. 2 onder C Opiumwet. Doorzoeking auto rechtmatig, geen vormverzuim geconstateerd. Verweer verworpen. Taakstraf voor de duur van 60 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001706-16

datum uitspraak: 23 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2016 in de strafzaak onder parketnummer
13-051561-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

wonende aan de [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2017 en 9 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 9 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7,84 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 30 tabletten MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, nu het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Bespreking van een verweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat alle bewijs dat is verkregen door middel van de doorzoeking van de auto niet kan worden gebruikt tegen de verdachte en dat de verdachte dientengevolge dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de verklaring van de verdachte bij de politie en ter terechtzitting en de verhoren van de betrokken verbalisanten bij de raadsheer-commissaris niet met zekerheid kan worden uitgesloten dat de verdachte de doorzoeking heeft geweigerd. Dientengevolge is de doorzoeking van de auto onrechtmatig geweest, en daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Op basis van het belang van het voorschrift, de ernst van het verzuim en het veroorzaakte nadeel concludeert de raadsman dat overgegaan dient te worden tot bewijsuitsluiting.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

In het proces-verbaal van bevindingen van 10 maart 2016 relateren de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat de verdachte toestemming heeft gegeven voor het doorzoeken van zijn auto. De verbalisanten hebben de verdachte gevraagd of hij het goed vond dat zij zijn auto zouden doorzoeken. De verbalisanten hebben de verdachte hierop horen antwoorden: “Ja, geen probleem.” De verbalisanten hebben op ambtseed en –belofte gerelateerd en bij de raadsheer-commissaris niet in strijd met hun eerdere bevindingen verklaard. Het hof gaat er derhalve van uit dat de verdachte toestemming heeft gegeven en komt tot het oordeel dat de doorzoeking van de auto, inclusief het dashboardkastje, rechtmatig is geweest. Op basis van deze vaststelling stelt het hof vast dat van een vormverzuim dus geen sprake is geweest.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 maart 2016 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7,84 gram cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs. Harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, niet in de laatste plaats vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit.

Wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn overweegt het hof als volgt.

De verdachte is op 10 maart 2016 in verzekering gesteld. Op 2 mei 2016 heeft de politierechter vonnis gewezen. Op 4 mei 2016 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de zaak op 9 juli 2018 in hoger beroep behandeld.

Het hof stelt op grond hiervan vast dat in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM ter grootte van twee maanden. Hierdoor is inbreuk gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM. Nu het slechts een relatief geringe overschrijding van de termijn betreft, zal het hof volstaan met de enkele constatering van deze inbreuk.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. M. Lolkema en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van
R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
23 juli 2018.

Mr. Dubelaar is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[..]