Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2582

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
23-003371-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek Mercedes II. Veroordeling tot drie jaren gevangenisstraf voor oplichting, witwassen en deelname aan een criminele organisatie die oplichting en witwassen als doel had. Verdachte heeft twee banken, door bij het verrichten van handelingen met opties van een systeemgebrek gebruik te maken, voor ruim € 44 miljoen opgelicht. De bedragen die hij hierdoor heeft verkregen, zijn steeds snel naar andere, onder meer buitenlandse, rekeningen van derden doorgesluisd en voor een deel contant opgenomen. Hij heeft bij dit alles een essentiële rol vervuld. Door snel ingrijpen hebben de banken ongeveer € 41 miljoen kunnen terughalen. Uiteindelijk zijn zij echter met een schade van ruim € 3 miljoen blijven zitten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003371-14

datum uitspraak: 18 juli 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-710020-11 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op 18 september 1979,

adres: [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2015, 25 februari 2016, 14 juni 2016, 17 juni 2016, 24 oktober 2016, 3 april 2018, 9 april 2018, 11 april 2018, 13 april 2018, 29 mei 2018, 27 juni 2018 en 4 juli 2018, alsmede, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering,

naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak voor feit 2. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1:
hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 11 mei 2009 tot en met 30 mei 2011 te Bunschoten-Spakenburg en/of Heerewaarden en/of Amersfoort en/of Nijkerk en/of Altforst en/of Hoenderloo en/of Putten, althans in Nederland en/of in Hongarije en/of Duitsland, heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit de navolgende mededader(s):

- [medeverdachte 1] en/of

- [medeverdachte 2] en/of

- [medeverdachte 3] en/of

- [medeverdachte 4] en/of

- [medeverdachte 5] en/of

een of meerdere andere perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het oplichten van een of meerdere rechtsperso(o)n(en) (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- het verduisteren van een of meerdere geldbedrag(en) toebehorende aan een of meerdere rechtsperso(o)n(en) (artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- het (gewoonte)witwassen van een of meerdere geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) uit misdrijf afkomstig (artikel 420(ter/bis/quater) van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- het afpersen van een of meerdere perso(o)n(en) (artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht);

2:
hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 22 maart 2010 tot en met

28 april 2010 te Heerewaarden en/of Sleeuwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld (telkens) [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten:

- administratieve bescheiden (waaronder gegevens, te weten (onder meer) een ID-code, benodigd om geld over te kunnen boeken vanaf de bankrekeningen van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] via de internetbankieromgeving van [bank 4] bank) en/of (oprichtings)bescheiden van de bedrijven [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] ),

in elk geval van enig goed en/of enige gegevens, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [medeverdachte 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),


welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (telkens) hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededaders (met hoge snelheid en met meerdere auto's) in een kort tijdsbestek meerdere keren op het terrein van het perceel op de [adres] van die [slachtoffer] is/zijn gekomen en/of naar die [slachtoffer] is/zijn gelopen en/of toen en aldaar (vervolgens) op een steeds dwingendere toon, die dwingende toon kracht bijzettend (onder meer) door zich vlakbij [slachtoffer] te begeven en/of met de vuist op tafel te slaan, heeft/hebben aangedrongen op afgifte van die/dat genoemde administratieve bescheiden en/of (daarbij) heeft/hebben aangegeven dat als die [slachtoffer] die genoemde administratieve bescheiden niet zou afgeven/overdragen/ter beschikking zou stellen, verdachte en/of zijn mededader(s) die zelf zou(den) komen halen of iemand anders op die [slachtoffer] zou(den) afsturen en/of dat verdachte en/of zijn mededader(s) wisten waar die [slachtoffer] woonde en/of dat het gezin van die [slachtoffer] daar dan consequenties van ging ondervinden en/of dat de vrouw en kinderen van die [slachtoffer] dan wat kon overkomen;

3:
hij (op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 4 november 2009 tot en met 23 mei 2011, te Bunschoten-Spakenburg en/of te Amersfoort, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich (meermalen althans eenmaal) schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (van) een of meerdere voorwerp(en), te weten (onder meer):

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 5.279.000,00 (aangifte 1), bestaande uit (onder meer) een deel van (ongeveer) EURO 2.849.000,00 [bedrijf 1] en/of een deel van (ongeveer) EURO 2.430.000,00 ( [bedrijf 2] ), in elk geval enig geldbedrag en/of

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 240.500,00 (aangifte 6), in elk geval een of

meerdere geldbedrag(en) en/of

- tien (10), althans een of meerdere goudsta(a)f(ven),

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was en/of genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden had

en/of

verworven, voorhanden gehad, (gedeeltelijk) overgedragen en/of (gedeeltelijk) omgezet, althans van een of meerdere voorwerp(en) gebruik gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s),wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

4
primair:
hij (op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met

16 oktober 2010 tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen te Bunschoten-Spakenburg en/of Hoenderloo en/of Putten en/of Zeewolde, althans in Nederland, ter uitvoering van

het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meerdere voorwerp(en),

te weten:

- ( van) een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 8.990.280,00 (aangifte 4), althans enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing

te verbergen en/of te verhullen, althans te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende op de genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was

en/of

om dat/een geldbedrag te verwerven en/of voorhanden te krijgen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

immers heeft/hebben hij en/of een of meer medeverdachten

- een of meer personen benaderd om een of meer bankrekeningen op naam van een ander of anderen dan verdachte of zijn mededaders bij een bank in Nederland ter beschikking te krijgen en/of

- een of meer personen benaderd om een of meer bankrekeningen op naam van een ander of anderen dan verdachte of zijn mededaders bij een bank in Hongarije ter beschikking te krijgen en/of

- bankrekeningnummers en/of inloggegevens en/of bankpassen in ontvangst genomen en/of

- een of meer (gegevens van) bankrekeningen, op naam van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of een of meer anderen ter beschikking gesteld aan [medeverdachte 1] , althans aan een van zijn mededaders en/of

- geld overgeboekt naar de rekening op naam van [betrokkene 1] en/of

- getracht geld over te boeken van de rekening op naam van [betrokkene 1] naar de rekening op naam van [betrokkene 2] ,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4
subsidiair:
hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode(n) van 15 oktober 2010 tot en met

16 oktober 2010 te Bunschoten-Spakenburg en/of Hoenderloo en/of Putten en/of Zeewolde, althans

in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en), te weten:

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 8.990.280,00 (aangifte 4),

in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan de [bank 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als klant (optiebelegger), onder zich had(den), telkens wederrechtelijk zich toe te eigenen, toen aldaar met een of meer van zijn mededader(s) opzettelijk telkens een of meerdere handeling(en) heeft/hebben verricht (onder meer dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een of meerdere perso(o)n(en) heeft/hebben benaderd en/of bereid heeft/hebben gevonden om een of meerdere bankrekening(en) ter beschikking te stellen waarnaar het/de geldbedrag(en) kon(den) worden overgeboekt en/of vervolgens heeft/hebben getracht om dit/deze geldbedrag(en) naar deze bankrekening(en) over te boeken) met als doel zich te onttrekken aan de verplichting tot het aanhouden van een dekking voor de aangegane verplichtingen jegens genoemde rechtspersoon totdat alle verplichtingen uit hoofde van aangegane (optie)posities waren afgewikkeld, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat de tenlastelegging in hoger beroep nogmaals

is gewijzigd.

Bewijsoverwegingen

Aan de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] is tenlastegelegd dat zij - tezamen - deel uitmaken van een criminele organisatie.

De criminele organisatie heeft volgens de tenlastelegging - kort weergegeven - het oogmerk op

het plegen van de volgende misdrijven:

- het oplichten van rechtspersonen en/of het verduisteren van een of meerdere geldbedrag(en) toebehorende aan rechtspersonen (het hof begrijpt de [bank 2] en de [bank 1] );

- het (gewoonte)witwassen van geldbedragen en/of voorwerpen (het hof begrijpt afkomstig uit

oplichting en/of verduistering van geldbedragen van de [bank 2] en de [bank 1] );

- het afpersen van een of meerdere perso(o)n(en) (het hof begrijpt het afpersen van [slachtoffer] ).

Het hof zal (nu) eerst onderzoeken in hoeverre de verdachten zich schuldig hebben gemaakt

aan de onderliggende misdrijven. Daarna zal het hof de vraag beantwoorden of en zo ja welke

verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie.

Oplichting en/of verduistering [bank 2] en [bank 1]

[bank 2] 11 mei 2009 (aangifte 5)

Op 11 mei 2009 nam [medeverdachte 1] samen met [betrokkene 3] via het concept Direct Beleggen van de [bank 2] een optiepositie in, middels een computer in de woning van [medeverdachte 1] te [plaats] , waarbij de beleggingsrekening van [betrokkene 3] bij de [bank 2] werd gebruikt.

Deze optiepositie betrof een zogeheten combinatieorder AEX indexopties, opgebouwd uit verschillende kleinere orders. Die order bestond uit het enerzijds zichzelf verschaffen van een recht, waarvoor de klant van de beleggingsrekening geld moest betalen, en anderzijds het aangaan van een verplichting (ook wel het ‘schrijven’ van een optie) waarvoor de klant geld ontving. De financiële toetsing van deze positie vond plaats op basis van het (geringe) verschil tussen het te betalen en het te ontvangen bedrag,

ook wel ‘agio’ genaamd, aangevuld met de eventueel verschuldigde ‘margin’, zijnde de dekking

die de rekeninghouder ter zekerheid van de bank moet bieden voor het toekomstige voldoen aan de verplichtingen (van de klant) volgende uit de optiepositie.

Deze transacties bleken door een later vastgestelde ‘bug’ in de systemen te kunnen worden uitgevoerd zonder de zogenaamde margin-verplichtingen in aanmerking te nemen.

In de nacht van 11 op 12 mei 2009 wordt door de [bank 2] de optiepositie administratief afgewikkeld, inhoudende dat de uit de optiepositie voortvloeiende betaling en vergoeding worden geboekt.

Vanwege het systeem moest zowel de afschrijving als de bijschrijving behorende bij de optietransactie plaatsvinden op de aan de beleggingsrekening gekoppelde spaarrekening van [betrokkene 3] , eveneens bij

de [bank 2] . Omdat de afschrijving het eerst plaatsvond en deze spaarrekening geen of niet voldoende ‘funding’ had - het saldo op de spaarrekening was daarvoor te laag (een spaarrekening kan niet ‘rood’ staan) - vond voorts deze afschrijving (van vrijwel dezelfde hoogte als de bijschrijving) tijdelijk ten

laste van de tussenrekening van de bank plaats. De bijschrijving even later vond echter wel op de spaarrekening van [betrokkene 3] plaats. Dit leidde ertoe dat van deze order (tijdelijk) een groot bedrag

(als gevolg van het schrijven van de optie) te weten € 11.736.647 beschikbaar kwam op de spaarrekening van [betrokkene 3] , voordat de bank de gecombineerde optieorder volledig had verwerkt. Als er verder (gedurende de administratieve afwikkeling door de bank van de gehele optiepositie) door de rekeninghouder geen handelingen waren verricht, had verrekening van de bancaire tussenrekening met de spaarrekening op reguliere wijze plaatsgevonden. Echter, op 12 mei 2009 om 04.30 uur ’s-nachts werd via het IP-adres [nummer] ingelogd op de internetsite telebankieren van de [bank 2] , waarna van de genoemde premiebetaling via 18 betalingsopdrachten in totaal een bedrag van € 875.000 vanaf de spaarrekening naar de betaalrekening van [betrokkene 3] werd overgeboekt.

Vervolgens werden op 12 mei en 13 mei 2009 opdrachten tot overboeking ingevoerd om bedragen over te boeken naar andere rekeningen, hetgeen ook heeft plaatsgevonden. Door ingrijpen van de bank werden deze bedragen teruggehaald of werd de rekening waarnaar deze bedragen waren overgeboekt, geblokkeerd.

Op 6 mei 2009 had [medeverdachte 1] reeds een soortgelijke combinatieorder, toen via zijn eigen beleggingsrekening, geplaatst. De afschrijving en bijschrijving, die op dezelfde wijze moeten zijn verwerkt, bedroegen beide ruim € 0,9 miljoen.

Oordeel van het hof

[medeverdachte 1] heeft in zijn verklaring van 14 mei 2009 erkend deze gecombineerde optiepositie te hebben ingenomen. Hij heeft in zijn schrijven aan de bank te kennen gegeven verrast te zijn geweest dat ten gevolge van de transactie een dergelijk groot geldbedrag beschikbaar kwam. Vervolgens heeft hij, naar zijn zeggen uit balorigheid, de overboekingen verricht. In de eerste plaats moest het [medeverdachte 1] , zeker als ervaren belegger, duidelijk zijn dat het op de rekening van [betrokkene 3] bijgeboekte bedrag van ruim € 11,7 miljoen niet de verwerking van zijn gehele gecombineerde optiepositie was, maar slechts van een deel, te weten de premieontvangst die zag op het schrijven van opties, het aangaan van een verplichting. Het ging immers bij de gecombineerde optiepositie tegelijkertijd om de aan- en verkoop van opties, waarbij het daarmee gemoeide aan- en verkoopbedrag vrijwel gelijk was. Bij de verwerking zouden beide bedragen dan ook logischerwijs vrijwel tegen elkaar worden weggestreept. Het was dan ook evident dat het - nog geen dag na het innemen van de positie - bijgeschreven bedrag alleen de premieontvangst betrof, hetgeen het gevolg was van een systeemfout. Dat [medeverdachte 1] toevallig tegen deze systeemfout aanliep, zoals uit het genoemde schrijven zou kunnen volgen, verwerpt het hof op grond van het volgende. [medeverdachte 1] had enkele dagen eerder - op 6 mei 2009 - een soortgelijke gecombineerde, zij het kleinschaliger, optiepositie ingenomen. Vervolgens nam hij enkele dagen later - op 11 mei 2009 - deze gecombineerde optiepositie in, die hij ten opzichte van de eerdere tot het tienvoudige van de omvang vergrootte. Vervolgens boekte hij in het holst van de nacht, om 04:30 uur, direct een deel van het geldbedrag dat op de spaarrekening van [betrokkene 3] beschikbaar was gekomen, over naar diens betaalrekening. Daaruit leidt het hof af dat [medeverdachte 1] welbewust en met de doelstelling van de systeemfout te profiteren, de optiepositie heeft ingenomen. Daarmee handelde hij met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, waarbij het op 11 mei 2009 wederom innemen van een soortgelijke optiepositie onder de omstandigheden als hiervoor geschetst zich laat kwalificeren als een listige handeling of kunstgreep. De bank stelde het geldbedrag beschikbaar als gevolg van deze oplichtingsmiddelen, daaraan doet niet af dat dit volledig geautomatiseerd verliep. De bank zou dat zonder die oplichtingsmiddelen niet hebben gedaan. De bank werd in juridische zin dan ook door die middelen tot afgifte bewogen. Na de afgifte kon [medeverdachte 1] , als degene die toegang tot de bankrekening had, als heer en meester over het geldbedrag beschikken.

[bank 2] 6 november 2009 (aangifte 6)

Op 6 november 2009 werd een soortgelijke gecombineerde AEX-optiepositie ingenomen waarbij gebruik werd gemaakt van de beleggingsrekening van [betrokkene 4] bij de [bank 2] . Deze rekening was op

26 juni 2009 geopend. Het IP-adres dat voor het innemen van de posities werd gebruikt, was het statische IP-adres op naam van [medeverdachte 1] , gekoppeld aan zijn woonadres te Bunschoten-Spakenburg.

Als gevolg van deze order werd € 284.386 op de spaarrekening van rekeninghouder [betrokkene 4] bijgeschreven. Vanaf die spaarrekening werd het geld doorgeboekt naar de betaalrekening ten name van [betrokkene 4] , waarna van die rekening tussen 04:50 uur en 07:45 uur gelden werden overgeboekt naar rekeningen ten name van [medeverdachte 6] en [betrokkene 5] .

Op naam van deze [medeverdachte 6] was daaraan voorafgaand al op 4 november 2009 een bestelling van tien kilo goud bij de bank [bank 3] gedaan. Dit goud werd op 6 november 2009 bij de [bank 3] te Rotterdam door de geïdentificeerde rekeninghouder [medeverdachte 6] en een andere persoon, [verdachte] , de zoon van

[medeverdachte 1] , opgehaald.

Eerder, op 20 en 21 oktober 2009, was reeds een vergelijkbare gecombineerde optiepositie ingenomen. Ook toen waren vervolgens bedragen van de spaarrekening van [betrokkene 4] naar zijn betaalrekening doorgeboekt. Deze bedragen werden van deze betaalrekening vervolgens voor een deel overgeboekt

naar een rekening ten name van [medeverdachte 1] .

[bank 1] 19 maart 2010 (aangifte 1)

Op 19 maart 2010 werd gedurende de dag via de rekening van [betrokkene 13] bij de [bank 1] een gecombineerde optiepositie met AEX-opties ingenomen, opgebouwd uit 55 gecombineerde optietransacties. De optiepositie werd ingenomen via een IP-adres gekoppeld aan een bungalow op een bungalowpark te Hoenderloo.

Binnen het systeem van [bank 1] waren de optieposities van de op 19 maart 2010 vervallen opties op enig moment afgeboekt. Op dat moment verviel tevens de marginverplichting. De verrekening van de exercise en de assignment had echter pas enkele uren later plaats. In de tussenliggende periode kreeg de rekening van [betrokkene 13] ten onrechte een te hoge beschikkingsruimte van ruim € 5,6 miljoen. In die periode werd van de rekening van [betrokkene 13] in totaal € 5.279.000 overgeboekt naar bankrekeningen bij de [bank 4] Bank in Hongarije, te weten € 2,43 miljoen naar de rekening van [bedrijf 2] en € 2,849 miljoen naar de rekening van [bedrijf 1] .

Eerder, op 19 en 20 februari 2010, was de rekening van [betrokkene 13] eveneens via een IP-adres gekoppeld aan een bungalow op een bungalowpark bezocht, in dat geval een park te Putten. Via hetzelfde IP-adres, met een korte tijdsduur tussen de bezoeken, was de rekening van [medeverdachte 1] bezocht.

[bank 1] 16 april 2010 (aangifte 2)

Op 16 april 2010 werd gedurende de dag via internetbankieren via de rekening van [medeverdachte 8] een gecombineerde optiepositie met AEX-opties ingenomen, opgebouwd uit verschillende gecombineerde optietransacties. Deze positie werd ingenomen vanaf een IP-adres gerelateerd aan een bungalow op een bungalowpark te Eerbeek. De afloopdatum van deze opties was 16 april 2010. Binnen het systeem van [bank 1] werden de optieposities van de op 16 april 2010 vervallen opties op enig moment afgeboekt. Op dat moment verviel tevens de marginverplichting. In de tussenliggende periode had [medeverdachte 8] ten onrechte een te hoge beschikkingsruimte van € 9.015.951 op zijn rekening. In die periode werd van de rekening van [medeverdachte 8] € 9.019.920 overgeboekt naar andere rekeningen.

[bank 1] (aangifte 3 en 4)

Op 15 oktober 2010 werd via een [bank 1] -bankrekening ten name van [naam] een gecombineerde optiepositie met AEX-opties ingenomen, opgebouwd uit verschillende gecombineerde optietransacties. Deze positie werd ingenomen vanaf een IP-adres gerelateerd aan een bungalowpark te Zwolle. De afloopdatum van deze opties was 16 oktober 2010. De gekochte put opties kostten totaal ruim € 3,6 miljoen. Voor de verkochte put opties werd ruim €13,1 miljoen ontvangen. Het verschil in betaalde en ontvangen optiepremies bedroeg € 9.489.740. Doordat de beleggingsorders werden afgewikkeld vanaf een spaarrekening (Beleggers Spaar Rekening) in plaats van een rekeningcourant, werd de waardering van de aangegane verplichtingen (de marginberekening) niet toegepast in het fiatsaldo. Hierdoor kon het verschil tussen de betaalde en ontvangen premies (ten onrechte) worden overgeboekt naar de studentenrekening van [naam]. Van deze rekening werd het voornoemde bedrag overgeboekt naar diverse andere begunstigden. Op dezelfde datum, 15 oktober 2010, werd gedurende de dag via internetbankieren via de [bank 1] -bankrekening van [betrokkene 1] een gecombineerde optiepositie met AEX-opties ingenomen, opgebouwd uit verschillende gecombineerde optietransacties. Deze positie werd ingenomen vanaf een IP-adres gerelateerd aan hetzelfde bungalowpark te Zwolle. De afloopdatum van deze opties was diezelfde datum, vrijdag 15 oktober 2010. De ontvangst en de betaling van de optiepremie naar aanleiding van de optie-orders en de verrekening van de assignment en exercise vond niet gelijktijdig plaats. In de tussenliggende periode werd getracht het verschil aan gelden, een bedrag van € 8.990.280, door te boeken.

Het oordeel van het hof

Het hof acht bewezen dat [medeverdachte 1] telkens de hiervoor besproken optieposities heeft ingenomen en

de daaropvolgende overboekingen heeft verricht. Het voornaamste bewijs voor dat daderschap van

[medeverdachte 1] , naast verschillend ander ondersteunend bewijs, wordt gevormd door:

a. a) inloggegevens van IP-adressen (ten name van [medeverdachte 1] dan wel adressen waarmee ten laste gelegde overboekingen zijn verricht en die rechtstreeks aan [medeverdachte 1] zijn te linken) (aangiftes 6, 1, 3);

b) de herkenningen van de stem van [medeverdachte 1] in telefoongesprekken die direct in verband staan met deze feiten (aangiftes 6, 1, 2);

c) uitpeilgegevens van een telefoon die aan [medeverdachte 1] kan worden toegeschreven (aangifte 3, aangifte 4).

Het hof is (ad a) van oordeel dat hoewel niet is onderzocht of de internetaansluiting van [medeverdachte 1] beveiligd was en daardoor niet kan worden uitgesloten dat anderen dan [medeverdachte 1] gebruik hebben gemaakt van het netwerk en dat uit de uitpeilgegevens van een telefoon die aan [medeverdachte 1] kan worden gelinkt niet uitdrukkelijk blijkt dat die op een bepaald moment ook daadwerkelijk door [medeverdachte 1] werd gebruikt (ad c) elk van deze bewijsmiddelen een directe en nadrukkelijke aanwijzing vormt voor de betrokkenheid van [medeverdachte 1] . Voor elk van de aangiftes is sprake van ten minste twee van de genoemde, nadrukkelijke aanwijzingen, die elkaar onderling versterken en die de mogelijkheid van een alternatief scenario uitsluiten. Voor aangiften 3 en 4 geldt dat het bewijs voor het daderschap over en weer geldt, nu deze optieposities nagenoeg gelijktijdig vanuit dezelfde locatie zijn ingenomen.

Het voorgaande geldt niet voor aangifte 2. Voor dat feit zijn er slechts de herkenningen van de stem van [medeverdachte 1] . Dat deze niet door een deskundige op het gebied van stemherkenningen zijn gedaan, maakt niet dat deze herkenningen niet van waarde kunnen zijn voor het bewijs. Alle herkenningen zijn stellig

en eensluidend. Bovendien zijn zij niet alleen verricht door verbalisanten die langer bij dit onderzoek betrokken zijn geweest, maar ook door de echtgenote van [medeverdachte 1] .

Verder geldt het volgende.

Het gaat bij alle aangiften van de [bank 1] telkens om ingenomen optieposities met de volgende kenmerken: a) de positie ziet op AEX-opties, b) de positie betreft een gecombineerde positie, waarbij zowel opties worden gekocht als verkocht, c) de positie wordt ingenomen met een relatief beperkt eigen vermogen, c) de positie wordt kort voor de expiratie ingenomen, d) de ontvangen optiepremie wordt nog tijdens de verwerkingsperiode ’s nachts doorgeboekt. Bij de laatste vier aangiftes gebeurde dit telkens vanuit een bungalow op een vakantiepark.

In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de handel in derivaten - zoals opties - vanwege het specifieke en technische karakter een zekere deskundigheid vergt. [medeverdachte 1] was een ervaren belegger en heeft bekend een optiepositie als deze te hebben ingenomen (zie het vermelde bij het onder 2) tenlastegelegde feit, aangifte 5 [bank 2] 11 mei 2009).

Voor elk van de besproken optieposities is voldoende bewijs voor de betrokkenheid van [medeverdachte 1] aanwezig. Verder weegt de voorgaande sterke gelijkenis in kenmerken van elk van de ingenomen posities en het patroon dat daaruit naar voren komt, in ondersteunende zin mee voor het bewijs.

De gebeurtenissen bij de [bank 2] op 6 november 2009 (aangifte 6) en die bij de vier [bank 1] aangiften laten zich alle kwalificeren als oplichting. De hiervoor bij het op 11 mei 2009 gepleegde feit (aangifte 5) gemelde omstandigheden gelden ook hier. In aanvulling op de daarin besproken oplichtingsmiddelen is bij de gebeurtenissen bij de [bank 2] op 6 november 2009 en die bij de vier [bank 1] aangiften tevens sprake van het oplichtingsmiddel ‘het aannemen van een valse naam’, aangezien [medeverdachte 1] daarbij telkens onbevoegd de naam en rekening van een andere persoon heeft gebruikt, kennelijk met het doel zelf buiten zicht te blijven.

Verduistering

Het hof merkt in het kader van de tenlastegelegde criminele organisatie nog op dat niet bewezen kan worden dat [medeverdachte 1] de bedragen die door de banken op de bankrekeningen werden gestort heeft verduisterd nu het hof van oordeel is dat [medeverdachte 1] die bedragen door misdrijf, namelijk door oplichting, onder zich heeft.

Witwassen goud en [betrokkene 5]

Zoals uit het bovenstaande ten aanzien van aangifte 6 volgt, heeft [medeverdachte 1] op 6 november 2009 de [bank 2] voor € 284.386,- opgelicht. Dit bedrag werd door de bank op de spaarrekening van [betrokkene 4] bijgeschreven. [medeverdachte 1] heeft vervolgens € 284.380,- van de spaarrekening van [betrokkene 4] overgeboekt naar diens betaalrekening. Van die rekening heeft hij, nog steeds op 6 november 2009, een klein gedeelte,

€ 12.969,- naar de rekening van [betrokkene 5] en een groter deel, € 270.000,- naar de rekening van [medeverdachte 6] overgemaakt. Daaraan voorafgaand had [medeverdachte 1] al op 4 november 2009 tien kilo goud besteld bij de [bank 3] te Rotterdam. Dit goud, voor een aankoopbedrag van € 240.500,- is op 6 november 2009 betaald met het overgeboekte bedrag en door [medeverdachte 6] en [verdachte] daadwerkelijk opgehaald. [betrokkene 5] heeft zijn rekening ter beschikking gesteld. Toen dit met hem besproken werd, was [verdachte] aanwezig. [betrokkene 5] heeft het naar hem overgemaakte bedrag in het bijzijn van [verdachte] contant opgenomen. Vast staat tevens dat [verdachte] samen met [medeverdachte 6] tien goudstaven heeft opgehaald. Deze goudstaven zijn betaald met geld dat afkomstig was uit andermans misdrijf (oplichting). [verdachte] heeft de goudstaven vervolgens samen met [medeverdachte 6] naar de opdrachtgever in Amsterdam gebracht en daar aan hem overgedragen. [verdachte] heeft € 13.000,- van de opdrachtgever als beloning ontvangen omdat hij is meegereden met [medeverdachte 6] .

Het hof acht bewezen dat [verdachte] van de criminele herkomst van dit geldbedrag op de hoogte was. Het gaat hier om een geldbedrag van bijna twee en een halve ton in euro’s en een hoeveelheid goud met dezelfde waarde. Het ophalen van een dergelijke hoeveelheid goud is een in het maatschappelijke verkeer bijzondere transactie en brengt door die hoge waarde en de wijze van transport veiligheidsrisico’s met zich. De grote omvang van deze transactie en de hoge beloning die [verdachte] ontving (mede in relatie tot de daartoe getrooste inspanningen) roept zonder evidente contra-indicaties vragen op over de herkomst van het aangewende geld en rechtvaardigt een vermoeden van witwassen.

[verdachte] heeft zelf geen verklaring afgelegd die zijn goede trouw een begin van aannemelijkheid

zou kunnen geven.

Het hof acht dan ook witwassen bewezen. Dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat [verdachte] deze goudstaven heeft aangeraakt of anderszins daarover de zeggenschap heeft gehad, zoals de raadsman heeft betoogd, is niet vereist hem als medepleger van dit feit aan te merken.

Witwassen Hongaarse gelden

Inleiding

Zoals hiervóór overwogen is het hof van oordeel dat [medeverdachte 1] op 19 maart 2010 de [bank 1] heeft opgelicht en een deel van het daarmee verkregen geldbedrag van in totaal € 5.279.000,- heeft overgemaakt naar twee bankrekeningen in Hongarije. Deze bankrekeningen staan op naam van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , bedrijven van [medeverdachte 5] .

Op 22 maart 2010 wordt [medeverdachte 5] aangehouden, en verblijft vervolgens in beperkingen waardoor

[medeverdachte 1] en de andere bij de oplichting en/of het witwassen betrokken personen geen contact met hem kunnen opnemen, over de afwikkeling van bovengenoemde stortingen.

Het hof zal eerst beoordelen of ten aanzien van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] bewezen kan worden dat zij in strafrechtelijke zin betrokken zijn bij het witwassen van de gelden op voornoemde Hongaarse bankrekeningen.

Bezoeken aan [slachtoffer]

[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij midden 2009 twee vennootschappen in Hongarije heeft verkregen, door overname ( [bedrijf 2] ) en oprichting ( [bedrijf 1] ). [medeverdachte 5] is directeur enig aandeelhouder van [bedrijf 2]

en [bedrijf 1] . Beide ondernemingen hebben een internet-bankrekening bij de [bank 4] in Hongarije. Dit internetbankieren is [medeverdachte 5] zelf nooit gelukt, maar [slachtoffer] (het hof begrijpt verder [slachtoffer] ) heeft het wel eens voor hem gedaan. [medeverdachte 5] maakte op het bedrijf bij [slachtoffer] gebruik van een computer. [slachtoffer] moet [medeverdachte 5] met de rekeningen in Hongarije helpen. Er was daar een papiertje voor nodig met een ID-code en dat lag bij [slachtoffer] .

[slachtoffer] bevestigt in zijn verklaring dat [medeverdachte 5] op zijn kantoor altijd de PC op de eerste verdieping gebruikte. Op 20 maart 2010 vroeg [medeverdachte 5] of hij in de computer mocht kijken.

[medeverdachte 5] logde in op de site van de [bank 4] . Er kwamen sms-berichten van de bank met ID-codes binnen. [medeverdachte 5] vertelde dat hij van plan was de komende week naar Hongarije te gaan.

Kort hierna begonnen volgens [slachtoffer] de problemen met de mannen die op kantoor langskwamen voor de gegevens van de Hongaarse bankrekeningen.

Het hof zal nu beoordelen of en in hoeverre [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] betrokken zijn bij de bezoeken aan [slachtoffer] .

Betrokkenheid [medeverdachte 4]

[slachtoffer] verklaart dat hij op kantoor bezoek kreeg van een dikke Nederlandse man van 45-50 jaar oud die in een oud bruin/rode Mercedes zijn terrein op reed. Volgens [slachtoffer] zei de dikke man tijdens een tweede of derde bezoek tegen hem “Als je weet wie ik ben, dan hou je wel rekening met me”. [slachtoffer] moest maar navraag doen naar “ [bedrijf / naam uit plaats] ”. Ter zitting van het hof herkent (desgevraagd) [slachtoffer] de aanwezige [medeverdachte 4] als de eerder door hem beschreven dikke man. De dikke man vroeg naar spullen van [medeverdachte 5] . De dikke man wilde alle papieren hebben van de bedrijven van [medeverdachte 5] in Hongarije. De echtgenote van [slachtoffer] , [echtgenote] , verklaart dat er mannen op het terrein zijn geweest. Zij heeft het kenteken van de auto van de dikke man genoteerd: [kenteken] . Dit kenteken staat op naam van [medeverdachte 4] .

Volgens haar is de dikke man minstens drie maal langs geweest om met haar man te praten, al dan niet in gezelschap van twee jongere mannen waarvan een ‘donker type’ en een ‘blankere jongen’ die aan komen rijden in een zwarte BMW. [zoon] bevestigt de bezoeken van ‘de dikke man en twee personen’ die hij bij het kantoor ziet.

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij op zijn zaakadres in Beneden-Leeuwen bezoek kreeg van meerdere mannen die verklaren dat zij geld tegoed hebben van [slachtoffer] of voor [medeverdachte 5] . Uit de omschrijving

die de mannen gaven kon [medeverdachte 4] opmaken dat het ging om [medeverdachte 5] uit Druten en [slachtoffer] .

Het hof acht bewezen dat [medeverdachte 4] - mede gelet op zijn (hierna te bespreken) betrokkenheid bij het opnemen van geld in Hongarije en het door hem opmaken van valse facturen aan [BV] en gezien

zijn bovengenoemde verklaring, alsmede de verklaringen van [slachtoffer] en van de echtgenote van [slachtoffer] , de bevindingen met betrekking tot het kenteken en het feit dat [medeverdachte 4] in maart 2010,

49 jaar oud is - de dikke man met de Mercedes was die [slachtoffer] heeft bezocht voor de bankgegevens van [medeverdachte 5] .

Betrokkenheid [medeverdachte 2]

[slachtoffer] verklaart in zijn verhoor van 17 november 2010 (V2002.02) dat hij de dikke man (het hof begrijpt verder voor de dikke man, [medeverdachte 4] ) in het eerste bezoek heeft afgepoeierd en heeft gezegd,

dat hij niets van [medeverdachte 5] had. De volgende dag kwam de dikke man ( [medeverdachte 4] ) volgens [slachtoffer]

’s morgens weer terug tijdens welk bezoek [slachtoffer] bleef herhalen dat hij nergens vanaf wist.

De dikke man ( [medeverdachte 4] ) ging weer weg en kwam een paar uur later terug met twee andere mannen. Een getinte man, vermoedelijk Marokkaan, van rond de 25 tot 30 jaar oud die als bestuurder optrad van een zwarte BMW. In de BMW zat ook nog een Nederlandse knaap van dezelfde leeftijd.

[slachtoffer] herkent bij een latere fotoconfrontatie [medeverdachte 2] als de getinte, vermoedelijk Marokkaanse man. Deze herkenning is weliswaar wat aarzelend maar wordt ondersteund door andere gegevens uit het dossier. De zoon van [slachtoffer] , [zoon] , heeft het kenteken genoteerd van de bezoekende BMW. Dit kenteken, [kenteken] , staat op naam van de zus van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] mag er in rijden en wordt er regelmatig in aangetroffen. Zo wordt de auto met daarin [medeverdachte 2] kort voor een bezoek van de mannen aan [slachtoffer] op 7 april 2010 staande gehouden en geverbaliseerd op de A12 bij Renswoude, en daarmee op de route tussen Bunschoten en Nijkerk (de woonplaats van [medeverdachte 2] ) en Heerewaarden (de woonplaats en het bedrijfsadres van [slachtoffer] ). Hij zit dan samen met [verdachte] in deze BMW.

Zoals eerder vermeld heeft [medeverdachte 4] verklaard dat hij op zijn zaakadres in Beneden-Leeuwen bezoek kreeg van meerdere mannen die hem vertelden dat zij geld tegoed hebben van ene Jan van Druten. Over een bij de doorzoeking bij [medeverdachte 4] aangetroffen notitie met telefoonnummer [mobiel nummer] en kenteken [kenteken] verklaart [medeverdachte 4] dat hij dit kenteken heeft genoteerd op het moment dat de mannen bij hem aan de deur geweest zijn. Het kenteken is het kenteken van de BMW in gebruik bij [medeverdachte 2] . Op het papiertje staat tevens het telefoonnummer [mobiel nummer] waarvan [medeverdachte 4] bij de FIOD verklaart dat hij dit nummer niet zelf heeft opgeschreven, maar een van de bezoekers.

Het hof wijst in dit verband ook nog op twee bij [medeverdachte 2] aangetroffen notities met de adresgegevens van [medeverdachte 4] . Een ander telefoonnummer [mobiel nummer] dat aan [medeverdachte 2] kan worden toegeschreven heeft op 3 november 2010 telefonisch contact gehad met [bedrijf 3] , het bedrijf van [slachtoffer] .

Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat [medeverdachte 2] - mede gelet op (hierna te bespreken) de betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij de contacten met [betrokkene 6] en [betrokkene 2] (in samenwerking met anderen) - de getinte man tussen de 25 en 30 jaar oud was die samen met [medeverdachte 4] [slachtoffer] heeft bezocht ten einde de gegevens van de Hongaarse bankrekeningen te verkrijgen.

Betrokkenheid [verdachte]

wordt door [slachtoffer] bij een foto-herkenning aangewezen als één van de twee mannen

die de Nederlandse man zou kunnen zijn die samen met de Marokkaanse man in de zwarte BMW bij het bedrijf verschijnt, maar zoals de raadsman terecht naar voren brengt geschiedt het uiteindelijke aanwijzen met zeer grote aarzeling. Het hof acht de herkenning dan ook niet bruikbaar voor het bewijs. Naast deze ’herkenning’ bevat het dossier ook overigens onvoldoende bewijs dat [verdachte] bij de bezoeken aan [slachtoffer] betrokken is.

Betrokkenheid [medeverdachte 3]

Het hof acht niet bewezen dat [medeverdachte 3] één van de mannen is geweest die langs is geweest bij [slachtoffer] . Het dossier bevat daarvoor onvoldoende bewijs.

Het dossier bevat echter wel aanwijzingen, onder meer sms-berichten tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] , dat [medeverdachte 3] op andere wijze betrokken is bij het witwassen van de Hongaarse geldbedragen.

Het hof zal hier later op terugkomen.

Rollen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] bij bezoeken [slachtoffer]

Na het eerste bezoek van (alleen) de dikke man heeft [slachtoffer] direct naar de papieren van [medeverdachte 5] (die is aangehouden en in beperkingen verblijft) gezocht en heeft hij die gevonden. [slachtoffer] heeft verklaard dat de dikke man, tijdens het daarop volgende bezoek waar ook de getinte man bij aanwezig was, vertelde dat ze echt de papieren van [medeverdachte 5] wilden hebben. [slachtoffer] geeft daarop de map

met papieren van [medeverdachte 5] aan de getinte (Marokkaanse) man. De inhoud werd direct door hen samen beoordeeld. De papieren werden bij [slachtoffer] op kantoor doorgenomen. Er werd een selectie gemaakt wat oprichtingstukken en wat bankdocumenten waren. Alle interesse ging uit naar de bankpapieren. [slachtoffer] zag dat in de map van [medeverdachte 5] de noodzakelijke bankpapieren zaten om te kunnen internet bankieren. De mannen waren tevreden met deze papieren en vertrokken.

Vlak daarna kreeg [slachtoffer] weer bezoek. De dikke vent met Mercedes Benz en de getinte (Marokkaanse) knaap (hof: [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] ) met een Nederlandse vent in de BMW kwamen terug om verhaal te halen. Volgens hen hadden ze niet alles gekregen. Ze wilden bankpassen hebben van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] om daarmee te kunnen pinnen en internetbankieren.

[slachtoffer] vertelde hen, dat ze de bankpassen niet nodig hadden voor internetbankieren en legde uit,

dat ze voor internetbankieren de telefoon nodig hadden met het 06-nummer, dat [medeverdachte 5] moet hebben opgegeven bij de opening van de [bank 4] -bankrekeningen. Een wijziging van dit telefoonnummer bij

de Hongaarse bank kan alleen door persoonlijk daar te verschijnen. [slachtoffer] wist, dat het om het

06-nummer ging waarop hij [medeverdachte 5] normaliter ook belde. Met dit verhaal namen de mannen genoegen en gingen weer weg. Hij hoorde, vermoedelijk van de dikke vent, dat het 06-nummer waarvan [medeverdachte 5] gebruik maakte geregeld was door [betrokkene 7] uit Druten. Die dikke vent is ook alleen nog een keer terug geweest. Hij kwam om te vertellen dat die andere gasten er nog steeds druk mee bezig waren.

De getinte (Marokkaanse) knaap in de zwarte BMW (het hof begrijpt [medeverdachte 2] ) kwam met die Nederlander een paar dagen op rij terug. Ze wilden meer uitleg over de wijze waarop internet bankieren in zijn werk ging. [slachtoffer] heeft ze duidelijk gemaakt, dat zonder het 06-nummer van [medeverdachte 5] niets kon worden overgemaakt. Op het moment dat de mannen de beschikking over het 06-nummer van [medeverdachte 5] hadden heeft [slachtoffer] , ter controle of ze het goede nummer hadden, vanuit zijn kantoor

dit 06-nummer van [medeverdachte 5] gebeld. De mannen zijn later teruggekomen. Ze wilden op kantoor direct overboekingen gaan doen. [slachtoffer] verklaarde dat hij heeft geweigerd op zijn kantoor de overboekingen

te gaan doen. Hij heeft wel een keer laten zien hoe dit moet op zijn eigen privé-rekening bij de [bank 4] .

Op een gegeven moment kwam - aldus [slachtoffer] - die dikke met die Mercedes weer langs op het kantoor. Hij kwam aan [slachtoffer] vragen hoe dat in Hongarije zat met die [advocaat] . Hij vroeg het telefoonnummer

van [advocaat] . In de map van [medeverdachte 5] , die [slachtoffer] aan die gasten had gegeven, zat onder andere een visitekaartje van advocaat [advocaat] in Hongarije. Daarop stonden alle gegevens van [advocaat] .

Ze beschikten ook over een factuur of briefhoofd van [advocaat] . Daar zullen ook rekeninggegevens op gestaan hebben. Die dikke man wilde met [advocaat] contact opnemen en zei dat hij, indien nodig naar Hongarije zou gaan.

Het hof acht op grond van bovengenoemde verklaringen van [slachtoffer] en de overige genoemde bewijsmiddelen, alsmede het volgens de gegevens van de [bank 4] daadwerkelijk overmaken van

de Hongaarse geldbedragen bewezen dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het witwassen van de Hongaarse gelden.

Vrijspraak afpersing [slachtoffer]

Aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] is tenlastegelegd dat zij tezamen en in vereniging [slachtoffer] hebben afgeperst. Dit is ook aan [verdachte] en [medeverdachte 3] tenlastegelegd, maar het hof acht niet bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 3] aanwezig waren bij de bezoeken aan [slachtoffer] , zodat reeds daarom persoonlijke betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte 3] bij de tenlastegelegde afpersing niet kan worden bewezen.

Het hof overweegt ten aanzien van afpersing, al dan niet binnen de criminele organisatie, als volgt. Het hof acht zoals hiervoor vermeld bewezen dat een groep personen - waaronder [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] - bezoeken heeft gebracht aan [slachtoffer] en dat het de bezoekers daarbij te doen was om de administratieve (bank)gegevens en pinpassen van de rekeningen van de Hongaarse bedrijven [bedrijf 2] en [bedrijf 1] van [medeverdachte 5] .

Het hof stelt allereerst vast dat - zoals blijkt uit het dossier - nadat gelden van voornoemde Hongaarse rekeningen, met hulp van [slachtoffer] , waren overgemaakt naar andere rekeningen, ook

€ 100.000,- van de rekening van [bedrijf 1] is overgemaakt naar een door [slachtoffer] aangegeven rekening in België, waarover [slachtoffer] kon beschikken. Deze betaling is in het licht van de tenlastegelegde afpersing opmerkelijk. Uitgaande van de verklaring van [slachtoffer] zou het er immers voor moeten worden gehouden dat van hem eerst op dreigende wijze bankgegevens zouden zijn afgeperst, maar dat daarna de daders van die afpersing hem een dergelijk groot bedrag zouden hebben geschonken.

Het hof stelt vervolgens vast dat de kern van de ten laste gelegde afpersing van [slachtoffer] wordt gevormd door de stelling van [slachtoffer] dat de bezoekers hem hebben bedreigd met geweld. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat als bewijs voor die kern in het dossier in feite slechts de verklaringen van [slachtoffer] aanwezig zijn. De overige inhoud van het dossier kan slechts in te ondergeschikte, te indirecte zin bijdragen aan het bewijs van de geweldscomponent. Overwogen wordt dan ook dat sprake is van onvoldoende bewijs voor geweld en daarmee afpersing. Het hof acht de tenlastegelegde afpersing dan ook niet bewezen.

Witwassen via rekening [betrokkene 2]

[medeverdachte 2] en [verdachte] worden eveneens verdacht van het witwassen van een geldbedrag van in totaal (ongeveer) € 8.990.280,- afkomstig uit oplichting van de [bank 1] (aangifte 4).

Uit de bewijsmiddelen blijkt - samengevat - het navolgende.

(Ene) [medeverdachte 7] wordt benaderd door ene [betrokkene 8] uit Eindhoven. Deze [betrokkene 8] vraagt [medeverdachte 7]

of hij een bankpas met pincode kan regelen. [medeverdachte 7] begrijpt van deze [betrokkene 8] dat er zwart geld

van criminele activiteiten op die rekening zou worden gezet om wit te wassen. [medeverdachte 7] benadert vervolgens [betrokkene 1] en die opent tegen betaling en op verzoek van [medeverdachte 7] een effecten- en obligatierekening bij de [bank 1] en ondertekent daarvoor documenten, waarna [betrokkene 1] op

12 september 2010 en 10 oktober 2010 geld - dat hij van [medeverdachte 7] heeft gekregen - stort op voornoemde rekening. [medeverdachte 7] benadert ook Hartog om tegen betaling zijn pincode en bankpas aan hem te verstrekken. Deze Hartog wist dat er geld op die rekening zou komen en hij heeft op verzoek van [medeverdachte 7] een aanvraag om te beleggen ingediend.

Op 15 oktober 2010 wordt er middels internetbankieren via de rekening van [betrokkene 1] een optiepositie AEX ingenomen, opgebouwd uit verschillende gecombineerde optietransacties, waarvan de financiële afrekening op 16 oktober 2010 plaatsvindt. Door deze transactie staat er gedurende een korte periode een bedrag van € 8.990.280,- op de rekening van [betrokkene 1] . Getracht wordt (zonder resultaat) dit bedrag via de rekening van Hartog door te boeken op de Hongaarse [bank 4] -bankrekening van [betrokkene 2] . Deze poging tot overboeken alsmede het daaraan voorafgaande plaatsen van de order vindt plaats op 15 en 16 oktober 2010 vanaf een IP-adres gerelateerd aan bungalowpark De Eemhof. Hierbij valt op dat in de vroege ochtend van 16 oktober 2010 het bij [medeverdachte 1] in gebruik zijnde telefoonnummer [telefoonnummer], gebruik makend van zendmastlocatie aan de Slingerweg te Zeewolde, gelegen op voornoemd bungalowpark, (pogingen tot) telefonisch of sms-contact maakt met nummer [mobiel nummer] (het door [medeverdachte 2] bij het huren van een zwarte Mercedes, type C220 CDI opgegeven telefoonnummer).

Voornoemde [betrokkene 2] stuurt op 15 oktober 2010 aan [betrokkene 9] een sms-je met zijn iban en de swift, hij was (daartoe) eerder benaderd door [betrokkene 9] , die (eerder) zelf (weer) benaderd was door personen die een Hongaarse bankrekening wilden hebben, omdat op zo’n rekening makkelijker een groot bedrag kon worden gestort zonder daar meteen vragen over te krijgen. [betrokkene 9] heeft verklaard

de desbetreffende personen drie keer te hebben gezien, bij de eerste ontmoeting was zijn broer

[betrokkene 10] erbij. De tweede keer was, aldus [betrokkene 9] , alleen met de buitenlandse jongen en

bij de derde ontmoeting heeft hij de gegevens doorgegeven aan een Hollandse jongen,

die deze gegevens heeft opgeschreven. Ze hadden, zegt [betrokkene 9] , een dikke zwarte Mercedes.

[betrokkene 9] herkent bij een fotoconfrontatie [verdachte] voor 100%. [betrokkene 10] verklaart dat er mensen waren die over veel geld konden beschikken en die geld op een buitenlandse rekening wilden overmaken. Hij ging vervolgens samen met zijn broer naar de zaak van [betrokkene 11] , waar toen twee jongens waren. [betrokkene 10] herkent [medeverdachte 2] en [verdachte] voor 100% van de foto’s.

Het hof acht op grond van het vorenstaande in samenhang bezien - op de wijze als hierna aangegeven -wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan een poging witwassen van een geldbedrag.

De verdediging van [verdachte] heeft - naar de kern - betoogd dat om tot een bewezenverklaring te komen eigenlijk alles moet worden opgehangen aan de herkenningen door de [betrokkene 9 en 10] , waarbij - gelet op de wijze van totstandkoming - door de verdediging vragen worden gesteld, met name waar

het betreft de herkenning door [betrokkene 10] . Deze confrontatie voldoet niet aan de eisen, gelet op

de zeer suggestieve setting waarover (ook) die getuige bij de rechter-commissaris opmerkt “Er stond

een foto van een Hollandse jongen en een buitenlandse jongen naast elkaar. (…) Het was misschien moeilijker voor mij geweest als ik verschillende foto’s had gezien.”.

Dit verweer wordt verworpen. De verdediging gaat eraan voorbij dat de herkenningen zijn ingebed

in de hiervoor aangegeven omstandigheden die maken dat die herkenningen niet op zichzelf staan, in welk verband de frequente sms-contacten tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 15 en 16 oktober 2010 veelzeggend zijn, alsook de omstandigheid dat [verdachte] door [betrokkene 9] voor 100% wordt herkend. De omstandigheid dat [medeverdachte 2] door [betrokkene 9] niet wordt herkend doet daar niet aan af.

Ook voert de verdediging aan dat er geen handelingen zijn verricht die kunnen worden aangemerkt

als een begin van een uitvoering en dus geen sprake kan zijn van een poging, omdat de handelingen waarbij [verdachte] volgens het Openbaar Ministerie betrokken zou zijn geweest niet als zodanig te duiden zijn en de enkele wetenschap dat er geld op een rekening zou worden gestort, niets zegt over

de bron van het geld.

Naar aanleiding van dit laatste wordt opgemerkt dat er door de handelingen van [medeverdachte 1] (reeds) sprake is van een voltooide oplichting. Daarnaast wordt overwogen dat uit de verklaringen van

[betrokkene 9 en 10] (te weten, kort samengevat, dat de personen door wie zij werden benaderd een Hongaarse bankrekening wilden hebben, omdat op zo’n rekening makkelijker een groot bedrag kon worden gestort zonder daar meteen vragen over te krijgen) volgt dat [verdachte] wist dat het ging om uit misdrijf afkomstig geld. Dit klemt temeer indien hierbij in aanmerking wordt genomen dat [verdachte] eerder in beeld is en wel bij het samen met [medeverdachte 6] ophalen van goudstaven die zijn betaald met uit oplichting (van de [bank 2] ) verkregen gelden.

Dit handelen kleurt zijn wetenschap en opzet. Tot slot heeft de verdediging in dit verband naar voren gebracht dat slechts sprake zou zijn van wanprestatie van [medeverdachte 1] . Ook dit verweer wordt verworpen, nu [medeverdachte 1] gebruik maakt van een niet aan hem toebehorende code en hij zonder daartoe gemachtigd te zijn deze transacties uitvoert, is er sprake van oplichting. Het hof verwijst hierbij naar het onderdeel over de oplichting van de banken.

Criminele organisatie

Zoals hiervóór beschreven heeft [medeverdachte 1] in een periode van ongeveer 18 maanden twee keer de [bank 2] en vier keer de [bank 1] - bank opgelicht voor grote bedragen. Vanaf november 2009 gebruikt hij daarbij zonder daartoe gemachtigd/bevoegd te zijn beleggingsrekeningen van derden. Bij het vervolgens doorboeken (en daarmee witwassen) van de aldus verkregen bedragen heeft hij anderen ingeschakeld.

Bij de oplichting van de [bank 1] rond 19 maart 2010, maakt [medeverdachte 1] vanaf de rekening van [betrokkene 13] ruim € 5,6 miljoen over naar de Hongaarse bankrekeningen van twee Hongaarse vennootschappen. [medeverdachte 5] , de directeur van die vennootschappen kan over de saldi op die rekeningen beschikken, maar is daar (fysiek) niet meer toe in staat als hij onverwacht op 22 maart 2010 wordt aangehouden en in beperkingen wordt gehouden. [medeverdachte 2] gaat samen met - onder meer - [medeverdachte 4] op bezoek bij [slachtoffer] . [medeverdachte 5] had bij [slachtoffer] stukken (laten) liggen die nodig waren om te beschikken over de saldi op genoemde Hongaarse rekeningen.

Nadat met hulp van [slachtoffer] diverse overboekingen hebben plaatsgevonden, gaan [medeverdachte 4] en

[medeverdachte 3] samen met [betrokkene 12] naar Hongarije om een deel van het geld (€ 850.000,-) contant op te nemen. Het betreft geld dat van een van voornoemde Hongaarse vennootschappen (via een Duitse zakenrekening van [BV] ) was terechtgekomen op een door [betrokkene 12] kort voordien bij de [bank 4] bank in Boedapest geopende bankrekening. [betrokkene 12] verklaart daarover dat hij eind maart-begin april 2010 was benaderd door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] om een bankrekening te openen in Hongarije, dat het zou gaan om uit de lucht gegrepen geld waardoor [betrokkene 12] begreep dat het geen zuivere koffie zou zijn.

Bij het contant maken van een ander deel van het geld dat door [medeverdachte 1] is overgemaakt op de Hongaarse bankrekeningen, komt [medeverdachte 2] andermaal in beeld. Nadat bij [slachtoffer] de benodigde gegevens zijn verkregen wordt op 19 april 2010 van een van de bankrekeningen € 1.950.000,- overgemaakt naar een Duitse bankrekening van [betrokkene 6] . Deze [betrokkene 6] verklaart dat hij tegen een vergoeding, akkoord is gegaan met het op zijn rekening laten storten van een omvangrijk bedrag

dat hij vervolgens contant moest opnemen en afdragen.

[verdachte] is al eerder in beeld, en wel bij het witwassen van door oplichting verkregen geld in november 2009. Die oplichting was gepleegd door [medeverdachte 1] en het witwassen gebeurt doordat

met voornoemd geld goudstaven worden gekocht en later worden opgehaald door onder andere

[verdachte] .

[verdachte] is ook in beeld, samen met [medeverdachte 2] , bij het regelen van een bankrekening op naam van [betrokkene 2] . Deze bankrekening had gebruikt moeten worden voor het doorboeken (en daarmee witwassen) van geld dat was verkregen door oplichting van [bank 1] rond 15 oktober 2010. De poging blijft uiteindelijk zonder resultaat, maar [verdachte] en [medeverdachte 2] regelen wel de benodigde bankrekening. [medeverdachte 4] is betrokken bij het witwassen van gelden via het bedrijf van [BV] .

Voor het bewijs van de hiervoor genoemde feiten wordt verwezen naar hetgeen met betrekking tot

die feiten reeds eerder in dit arrest is overwogen, alsmede naar de bewijsmiddelen aan dit arrest gehecht.

Het hof is gezien het vorenstaande van oordeel dat ten aanzien van [medeverdachte 1] en [verdachte] bewezen kan worden dat zij van november 2009 tot en met oktober 2010 deel hebben genomen aan een criminele organisatie op de wijze als hierna bewezen zal worden verklaard.

[medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zijn deel gaan uitmaken van de criminele organisatie vanaf de oplichting van de [bank 1] in maart 2010. [medeverdachte 5] komt vlak na het overmaken van het geld onvrijwillig vast te zitten, maar [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] blijven handelingen verrichten om het uit misdrijf verkregen geld wit te wassen.

Overwogen wordt in dit verband dat op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden vaststaat dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen twee of meer personen waarbij [medeverdachte 1] banken oplichtte en vervolgens de overige personen al dan niet gezamenlijk met [medeverdachte 1] witwasactiviteiten ontplooiden. Het uiteindelijke doel van hen allen was te kunnen beschikken over uit misdrijf verkregen gelden en daar voordeel mee te behalen, waarbij ieder een (eigen) rol had in het geheel, in de organisatie.

Vrijspraak gewoontewitwassen

Het hof is van oordeel dat de aard en omvang (duur) van de bewezenverklaarde witwashandelingen niet zodanig zijn dat gesproken kan worden van gewoontewitwassen. Het hof zal de verdachte hiervan vrijspreken.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

4. Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat verdachte

1.

in de periode van november 2009 tot en met oktober 2010 te Bunschoten-Spakenburg en elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit de navolgende mededaders:

- [medeverdachte 1] en

- [medeverdachte 2] en

- [medeverdachte 3] en

- [medeverdachte 4] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het oplichten van rechtspersonen (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht) en

- het witwassen van geldbedragen uit misdrijf afkomstig

3.

in de periode van 4 november 2009 tot en met 23 mei 2011, te Bunschoten-Spakenburg en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders van een geldbedrag van in totaal € 240.500,00 (aangifte 6) en tien (10) goudstaven de werkelijke aard en herkomst verborgen en verhuld,

en voornoemd geldbedrag en voornoemde goudstaven verworven en voorhanden gehad,

terwijl hij en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedrag en voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

4
primair:
hij omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 16 oktober 2010 tezamen en in vereniging met anderen, te Bunschoten-Spakenburg, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om van enig geldbedrag, de herkomst te verhullen, althans te verbergen en/of te verhullen terwijl hij en zijn mededaders, wisten dat bovenomschreven geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf, immers heeft hij en een medeverdachte een of meer personen benaderd om een bankrekening op naam van een ander dan verdachte of zijn mededaders bij een bank in Hongarije ter beschikking te krijgen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Hetgeen onder 1, 3 en 4 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 3 en 4 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien

van het onder 1, 3 en 4 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1, 2, 3 en 4 primair

ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen en poging tot witwassen, en aan deelname aan een criminele organisatie. De criminele organisatie lichtte banken via valse optieposities voor miljoenen op, sluisde deze bedragen weg (deels via buitenlandse bankrekeningen) en nam deze vervolgens contant (dan wel in goudstaven, waar de verdachte een aandeel in gehad heeft) op. Het gaat om ernstige feiten. Daarnaast weegt zwaar dat deze feiten gedurende een langere periode zijn gepleegd. Door het witwassen verkrijgen vervolgens criminele opbrengsten een schijnbaar legale herkomst, wat de integriteit van het financiële verkeer ondermijnt. Bovendien stelt het criminelen in staat de winst van hun misdrijven daadwerkelijk te genieten. Als reactie op deze feiten kan niet met een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf worden volstaan.

Dankzij het ingrijpen van de banken is voorkomen dat de criminele organisatie het grootste gedeelte van de vele buitgemaakte miljoenen fysiek in handen kon krijgen en daarmee het witwasproces kon voltooien. ‘Slechts’ een bedrag van ruim drie miljoen1 kon niet meer worden achterhaald. Daarmee is de schade, hoewel in potentie zeer groot en anders dan de deelnemers aan de criminele organisatie voor ogen stond, in belangrijke mate beperkt gebleven.

In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding daarmee bij de strafmaat in voor de verdachte gunstige zin rekening te houden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 maart 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof overweegt met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het volgende. Voorop staat dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Als daarna hoger beroep volgt geldt in beginsel ook dat binnen twee jaren eindarrest dient te worden gewezen.

De verdachte is op 30 mei 2011 in verzekering gesteld. Vanaf dat moment kon de verdachte verwachten dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld en is de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn gaan lopen. De rechtbank heeft vervolgens op 18 augustus 2014 vonnis gewezen.

Het hof doet op 18 juli 2018 uitspraak.

Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. Tussen de inverzekeringstelling van de verdachte op 30 mei 2011 en de datum van het vonnis in eerste aanleg

18 augustus 2014 zijn meer dan twee jaren verstreken. Ook in hoger beroep is sprake van overschrijding van de redelijke termijn, aangezien het hof op 18 juli 2018 arrest wijst. De totale rechtsgang heeft daarmee zeven jaren en twee maanden in beslag genomen. Het hof zal bij de strafoplegging rekening houden met een overschrijding van de redelijke termijn van drie jaren en twee maanden.

Alles afwegende vindt het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van

18 (achttien) maanden passend en geboden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, de gehele strafprocedure in aanmerking genomen, zal het hof in plaats van de hiervoor genoemde in beginsel passende en geboden straf een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 57, 63, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover het is gericht tegen de beslissingen omtrent hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3 en 4 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht,

voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin

zitting hadden mr. S. Clement, mr. A.M. van Amsterdam en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 juli 2018, zijnde mr. C. de Beer buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

1 € 3.491.772,-, zie AH7049, pag. 10.