Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2580

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
200.142.146/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht, regres, brand in Armandomuseum, uitleg exoneratiebeding in huurovereenkomst;

Exoneratie van toepassing op schade veroorzaakt door verhuurder tijdens onderhoudswerkzaamheden. Beroep op exoneratie niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Derdenwerking.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2014:1684 en ECLI:NL:GHAMS:2017:819.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2018/85
P. Jahan en A. van der Hilst annotatie in TvHB 2018/21, UDH:TvHB/15313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.142.146/01

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland : C/16/286565 / HA ZA 10-1092

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 juli 2018

inzake

1. de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

handelend onder de naam ALLIANZ GLOBAL RISKS NEDERLAND,

gevestigd te Rotterdam,

2. de rechtspersoon naar het recht van Duitsland

AXA ART VERSICHERING A.G.,

gevestigd te Keulen (Duitsland),

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant sub 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant sub 4] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

5. de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk

HISCOX EUROPE UNDERWRITING LIMITED,

rechtsopvolgster van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HISCOX B.V.,

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

6. de naamloze vennootschap

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

rechtsopvolgster van Nassau Verzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

7. de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk

XL INSURANCE COMPANY SE,

voorheen XL INSURANCE COMPANY PLC., handelend onder de naam XL INSURANCE COMPANY LIMITED,

gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

advocaat: mr. Chr. H. van Dijk te Amsterdam

tegen

1. de naamloze vennootschap

N.V. SPORT, RECREATIE EN ONDERWIJSVOORZIENINGEN,

geïntimeerde,

gevestigd te Amersfoort,

advocaat mr H.K.P Ex,

2 [geïntimeerde sub 2]

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat mr. A. van Hees te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk de verzekeraars, SRO en [geïntimeerde sub 2] genoemd.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In deze zaak heeft het hof op 14 maart 2017 een incidenteel arrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dat arrest verwezen. Bij dit arrest zijn de incidentele vorderingen en verzoeken van SRO en [geïntimeerde sub 2] afgewezen, met reservering van de kosten, en is de hoofdzaak verwezen naar de rol van 28 maart 2017 voor voortprocederen.

1.2

Op 4 september 2017 hebben partijen de zaak doen bepleiten, de verzekeraars door mr. Van Dijk voornoemd, alsmede door mr. A.M. Morssinkhof, advocaat te Amsterdam, SRO door mr. Ex, voornoemd, en [geïntimeerde sub 2] door mr. F.R.A. Schaaf en mr. C.J-A. Seinen, advocaten te Den Haag, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Door de verzekeraars en SRO en [geïntimeerde sub 2] zijn nog producties in het geding gebracht.

1.3

Tenslotte is arrest gevraagd.

1.4

De verzekeraars hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen van 15 september 2010, 10 november 2010 en 12 juni 2013 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, - uitvoerbaar bij voorraad - de vorderingen van appellanten alsnog zal toewijzen en SRO en [geïntimeerde sub 2] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

SRO en [geïntimeerde sub 2] hebben ieder voor zich geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met - uitvoerbaar bij voorraad - (hoofdelijke) veroordeling van de verzekeraars in de kosten van het geding in hoger beroep vermeerderd met wettelijke rente en, wat SRO betreft, nakosten. Alle partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden eindvonnis van 12 juni 2013 onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

Op 22 oktober 2007 heeft in het Armando Museum, gevestigd in de voormalige Katholieke Elleboogkerk aan de Langegracht 36 te Amersfoort, rond het middaguur een brand gewoed. De Elleboogkerk en het naastgelegen pand aan de Langegracht 37 zijn door de brand ernstig beschadigd. De in het Armando Museum aanwezige kunstcollectie is door de brand zo goed als geheel verloren gegaan.

2.2

Voorafgaand aan de brand vonden in opdracht van SRO door [geïntimeerde sub 2] onderhoudswerkzaamheden (het vervangen van de zinken dakgoot) plaats aan het pand. De werkzaamheden vonden plaats vanaf een steiger. [geïntimeerde sub 2] werd op de dag van de brand geassisteerd door [A] , een stagiair in dienst bij SRO. Om ongeveer 13.10 uur hebben zij de werkplek verlaten om te gaan lunchen. Tijdens hun afwezigheid zijn de Elleboogkerk en het naastgelegen pand aan de Langegracht 37 grotendeels afgebrand.

2.3

De Elleboogkerk is een rijksmonument, eigendom van de gemeente Amersfoort. Het naastgelegen pand aan de Langegracht 37 is eigendom van de Stichting Amerpoort. Daarin was een dagopvang voor geestelijk gehandicapten gevestigd, de Elleboog. Delta Lloyd was de opstalverzekeraar van het pand aan de Langegracht 37.

2.4

Ten tijde van de brand was in het Armando Museum de tentoonstelling ‘In het woud - op zoek naar betekenis’ te zien, met kunst van Armando en andere kunstenaars. Een deel van de aanwezige kunstcollectie was in bruikleen van het Dordrechts Museum en de heer en mevrouw [B] (hierna tezamen: [B] ).

2.5

De verzekeraars hebben uitkeringen gedaan met betrekking tot de schade aan:

- de collectie van het Armando Museum,

- de collectie van [B] ,

- de collectie van het Dordrechts Museum,

- het pand aan de Langegracht 37.

2.6

De politie en het openbaar ministerie hebben de oorzaak van de brand onderzocht. De betrokken verzekeraars hebben diverse onderzoeken laten verrichten naar de oorzaak van de brand. Ook [geïntimeerde sub 2] heeft onderzoeken laten verrichten. De verschillende onderzoekers hebben gerapporteerd en in aanvullende rapportages op elkaars stellingen en rapporten gereageerd.

2.7

SRO is een voormalige gemeentelijke dienst, die per 26 november 1996 is verzelfstandigd. SRO draagt zorg voor het beheer en de exploitatie van een groot aantal welzijnspanden. SRO heeft deze welzijnspanden niet zelf in gebruik maar verhuurt deze panden onder aan huurders, vaak (deels) door de gemeente gesubsidieerde instellingen. In de huurovereenkomst tussen de gemeente en SRO is bepaald dat SRO als huurder verantwoordelijk is voor de uitvoering van het dagelijks en groot onderhoud aan de welzijnspanden en dat de kosten daarvan (tenzij hiervan in de overeenkomst is afgeweken) voor rekening van SRO komen.

2.8

Op 11 januari 2000 is er op aanwijzing van de gemeente Amersfoort een huurovereenkomst tot stand gekomen tussen SRO als verhuurder en het Armando Museum (onderdeel van de Stichting Amersfoort in C, rechtsopvolger van de Stichting De Zonnehof, centrum voor moderne kunst te Amersfoort) als huurder. In de huurovereenkomst tussen SRO en de Stichting Amersfoort in C (hierna: de Stichting) is een exoneratie- en vrijwaringsclausule opgenomen onder artikel 5, dat luidt als volgt:

1. De verhuurder is niet aansprakelijk voor:

a. schade, die ontstaat aan de persoon of goederen van de huurder of van derden als gevolg van de in artikel 4, sub 1 bedoelde zichtbare en/of verborgen gebreken, of als gevolg van de staat van het gehuurde tenzij de verhuurder ter zake van die staat grove schuld treft of deze ter zake ernstig nalatig is gebleven;

b. schade – door welke oorzaak dan ook ontstaan – die de huurder of derden lijden, voortvloeiende uit, of verband houdende met het door de huurder, of met zijn goedvinden in het gehuurde aanwezige personen, van het gehuurde gemaakte gebruik. Voorts vrijwaart de huurder de verhuurder voor alle vorderingen, welke derden mochten kunnen doen gelden tot vergoeding van schade, die met het door de huurder, danwel door de met zijn goedvinden in het gehuurde aanwezige personen, van het gehuurde gemaakte gebruik in enigerlei verband mocht staan.

c. (…)

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg hebben de verzekeraars en Delta Lloyd Schadeverzekeringen NV (de opstalverzekeraar als bedoeld onder 2.3) naast verklaringen voor recht (terug) betaling van de door hen in het kader van de brand uitgekeerde verzekeringspenningen en buitengerechtelijke kosten gevorderd. Deze uitkeringen hebben betrekking op de schade aan de kunstcollectie toebehorende aan respectievelijk het Armando Museum, de heer en mevrouw [B] en het Dordrechts Museum, en op de schade aan het belendende pand op Langegracht 37.

3.2

De verzekeraars hebben geen grieven geformuleerd tegen de incidentele vonnissen van respectievelijk 15 september en 10 november 2010, zodat het beroep kennelijk niet tegen deze vonnissen is gericht.

3.3

Bij het bestreden eindvonnis van 12 juni 2013 heeft de rechtbank - kort samengevat - geoordeeld dat de brand is veroorzaakt door de werkzaamheden van [geïntimeerde sub 2] . Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat zowel SRO als [geïntimeerde sub 2] veiligheidsnormen hebben overtreden. Dit leidde bij de rechtbank tot de conclusie dat [geïntimeerde sub 2] aansprakelijk is op grond van onrechtmatig handelen. Ten aanzien van SRO heeft de rechtbank geoordeeld dat ook zij onrechtmatig heeft gehandeld, hetgeen in de verhouding tussen SRO en het Armando Museum bovendien een toerekenbare tekortkoming oplevert. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat, ondanks het feit dat [geïntimeerde sub 2] ZZP-er is, in dit geval artikel 6:170 BW van toepassing is, daartoe kort gezegd overwegende dat de werkzaamheden van [geïntimeerde sub 2] waren ingebed in de organisatie van SRO, waarbij sprake was van een vergaande verwevenheid en van een gezagsverhouding. Op die grond heeft de rechtbank SRO ook aansprakelijk geacht voor het handelen van [geïntimeerde sub 2] .

Vervolgens heeft de rechtbank het beroep van SRO op de exoneratieclausule gehonoreerd en geoordeeld dat ook [geïntimeerde sub 2] zich op die clausule mag beroepen. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat die exoneratie ook derdenwerking heeft ten opzichte van de bruikleengevers [B] en het Dordrechts Museum. Dit leidt ertoe dat SRO en [geïntimeerde sub 2] niet op grond van toerekenbare tekortkoming aansprakelijk zijn voor de schade aan de collecties van het Armando Museum, [B] en het Dordrechts Museum. De vorderingen van verzekeraars zijn dan ook grotendeels afgewezen evenals de vorderingen betrekking hebben op de daarmee samenhangende expertisekosten. De vordering van [appellant sub 3] is toegewezen ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 43.947,77.

De vordering van Delta Lloyd (als betrokken opstalverzekeraar van het belendende pand Langegracht nr. 37) is wel toegewezen, zij het op grond van de Bedrijfsregeling Brandregres (BBr) ten aanzien van zowel SRO als [geïntimeerde sub 2] tot het daaruit voortvloeiende maximum van € 500.000. Tevens zijn bedragen ter zake van expertisekosten toegewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd.

Na het vonnis in eerste aanleg is tussen Delta Lloyd enerzijds en SRO en [geïntimeerde sub 2] anderzijds een minnelijke regeling tot stand gekomen, op grond waarvan SRO en [geïntimeerde sub 2] , ieder, zonder erkenning van aansprakelijkheid, in totaal een bedrag van

€ 431.250 tegen finale kwijting aan Delta Lloyd voldoen.

3.4

Tegen voormelde beslissingen (voor zover tussen partijen gewezen) en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen de verzekeraars met drie grieven op.

Grief 1 klaagt over het oordeel dat SRO en [geïntimeerde sub 2] op grond van de exoneratieclausule niet aansprakelijk zijn voor de schade aan de collecties. Met grief 2 betogen de verzekeraars dat een beroep op de exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en grief 3 klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de clausule derdenwerking toekomt, zodat SRO en [geïntimeerde sub 2] zich daarop ook jegens de bruikleengevers kunnen beroepen.

De verzekeraars hebben tot slot een voorwaardelijke grief geformuleerd die slechts behandeling behoeft als het hof, naar aanleiding van een eventueel incidenteel appel van SRO, zou oordelen dat art. 6:170 BW in casu geen toepassing vindt, omdat [geïntimeerde sub 2] niet als ondergeschikte van SRO kan worden aangemerkt.

3.5

Ter toelichting op grief 1 hebben de verzekeraars aangevoerd dat de uitleg van de rechtbank van artikel 5 lid 1 sub b van de huurovereenkomst niet alleen inconsistent en onlogisch is, maar ook volledig voorbij gaat aan de gerechtvaardigde verwachtingen van de bij die overeenkomst betrokken partijen. De Stichting mocht verwachten dat de Elleboogkerk en de tentoongestelde werken niet tussentijds teniet zouden gaan, en dat in voorkomend geval SRO als verhuurder verhaal zou bieden. Partijen mochten over en weer verwachten dat de exoneratie zou zien op normale schade die samenhangt met het gebruik van een opstal zoals inboedelschade als gevolg van lekkage, of omzetschade als gevolg van tijdelijke uitval van de verwarming en de Stichting had niet hoeven te verwachten dat de clausule zo’n ruime werking had dat SRO niet aansprakelijk zou zijn voor schade als gevolg van zeer onzorgvuldig uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden.

3.6

SRO betwist dat haar uitleg van artikel 5 lid 1 sub b van de huurovereenkomst inconsistent en onlogisch zou zijn. De tekst van artikel 5 lid 1 onder b sluit aan bij artikel 4 lid 3 waarin is bepaald dat “de huurder verplicht [is]een inboedelverzekering af te sluiten”. De tekst “schade door welke oorzaak dan ook ontstaan” geeft geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat aansprakelijkheid voor bepaalde soorten schade of schadeoorzaken wel en andere niet is uitgesloten. Integendeel, een ruimere omschrijving van mogelijke schadeoorzaken waarvoor de verhuurder zich wenst te exonereren is niet denkbaar. De tekst van de bepaling geeft geen enkele

aanleiding om, zoals de Stichting stelt te hebben gedaan, een onderscheid aan te

brengen tussen bijvoorbeeld schade aan de inboedel (waaronder kunstwerken) door lekkage en schade aan diezelfde inboedel door brand. SRO kon of behoefde er ook geen rekening mee te houden dat haar professionele wederpartij een dergelijke

onvoorziene, althans in het geheel niet uit de tekst voortvloeiende uitleg aan die

bepaling zou geven. De Stichting heeft ook daadwerkelijk een verzekering afgesloten. Het mag duidelijk zijn dat SRO de verplichting om een verzekering af te sluiten niet in de overeenkomst heeft opgenomen om vervolgens door die uitkerende verzekeraar voor de schade te kunnen worden aangesproken, aldus SRO.

3.7

[geïntimeerde sub 2] stelt voorop dat de exoneratieclausule in de huurovereenkomst niet los kan worden gezien van de inhoud en strekking van de huurovereenkomst als geheel en van de voor de tentoongestelde kunst afgesloten verzekeringen. De huurovereenkomst bevat naast de exoneratieclausule tevens een vrijwaringsclausule op grond waarvan de Stichting SRO vrijwaart voor alle vorderingen van derden tot vergoeding van schade, die met het door de huurder van het gehuurde gemaakte gebruik in enigerlei verband mocht staan en de verplichting voor de Stichting om een inboedelverzekering af te sluiten en om op eigen kosten aanvullende brandpreventie- maatregelen te treffen in verband met het gebruik van het gehuurde als expositieruimte.

De verzekeringsovereenkomsten en bijhorende verzekeringsvoorwaarden bevatten een zeer ruime omschrijving van het begrip verzekerde en bieden een ruime dekking, onder meer ook voor inkomende bruiklenen. Zij bevatten voorts een clausule waarin door verzekeraars afstand wordt gedaan van hun verhaalsrecht jegens onder meer

accommodatieverschaffers. Uit al deze bepalingen in onderlinge samenhang bezien volgt dat het risico voor de ten toon gestelde kunstwerken op de Stichting rustte. Deze risicoverdeling strookt met het feit dat de Stichting een dergelijk risico eenvoudig kan verzekeren, terwijl die mogelijkheid er voor SRO niet is. Indien beoogd was een dergelijk risico voor rekening van SRO te laten blijven, zou het bovendien voor de hand gelegen hebben dit in de huurprijs te verdisconteren, hetgeen vertaald zou zijn in een significant hogere huurprijs dan de gebruikelijke marktprijs. Daarvan is in dit geval geen sprake. Tevens zou dan zijn overeengekomen dat de Stichting SRO steeds nauwkeurig op de hoogte zou houden van de aanwezige kunstwerken en hun waarde, hetgeen ook niet het geval is, aldus steeds [geïntimeerde sub 2] . [geïntimeerde sub 2] sluit zich dan ook aan bij de uitleg van de exoneratiebepaling zoals door SRO bepleit.

3.8

Het hof overweegt als volgt. Partijen twisten over de uitleg van het exoneratiebeding van artikel 5 lid 1 onder b van de huurovereenkomst. Bij de uitleg komt het niet alleen aan op de letterlijke bewoordingen maar ook op de betekenis van de bepaling die partijen daaraan redelijkerwijs mochten toekennen en van hetgeen zij over en weer redelijkerwijs van elkaar konden verwachten. Het hof stelt vast dat tussen SRO en de Stichting niet is onderhandeld over het exoneratiebeding, zodat een groter belang toekomt aan de taalkundige uitleg van de bepaling, bezien in het licht van de overeenkomst als geheel.

3.9

De verzekeraars stellen zich allereerst op het standpunt dat de exoneratie slechts betrekking heeft op schade die wordt veroorzaakt door het gebruik van het gehuurde. Het hof kan de verzekeraars daarin niet volgen. De bewoordingen bieden daarvoor onvoldoende steun. Immers, ingevolge de tekst van de bepaling wordt de oorzaak van de schade uitdrukkelijk in het midden gelaten. Kennelijk putten verzekeraars steun voor hun standpunt uit de zinsnede dat de schade moet voortvloeien uit of verband houden met het gebruik van het gehuurde. Die zinsnede kan echter, mede in het licht van de eerdergenoemde expliciete bepaling dat de oorzaak in het midden wordt gelaten, niet worden gelezen als een beperking tot door het gebruik ontstane schade. Daarbij is tevens van belang dat het beding is opgenomen in het kader van de verplichtingen van beide partijen uit de huurovereenkomst. Dit brengt mee dat de exoneratie moet worden begrepen in het licht van een eventuele aansprakelijkheid van SRO als verhuurder voor schade die zij aan de Stichting als huurder zou toebrengen. In dat licht kan niet worden ingezien dat de exoneratie zou zijn beperkt tot de schade die door het gebruik van het gehuurde ontstaat. Het gaat daarbij immers juist om schade die de verhuurder veroorzaakt, terwijl de verhuurder niet de gebruiker is van het gehuurde. Wel is ten aanzien van de schade bepaald dat die verband moet houden met het gebruik van het gehuurde. Deze beperking ligt voor de hand nu, gelet op de overeenkomst als geheel en bij gebreke van enige aanwijzing in andere zin, exoneratie voor schade die buiten het kader van de huurrelatie wordt toegebracht niet is beoogd. De uitleg van de verzekeraars is bovendien slecht te rijmen met hun eigen (hierna te bespreken) veronderstelling dat schade als gevolg van bijvoorbeeld lekkage of uitval van de verwarming wel onder de exoneratie zou vallen, nu dit type schade evenmin noodzakelijkerwijs zijn oorzaak vindt in het gebruik van het gehuurde maar veeleer in onvoldoende onderhoud door de verhuurder.

3.10

De stelling van de verzekeraars dat de Stichting deze bepaling redelijkerwijs zo mocht uitleggen dat schade als gevolg van bijvoorbeeld lekkage of tijdelijk omzetverlies als gevolg van het uitvallen van de verwarming wel onder de exoneratie zou vallen, maar niet de schade als gevolg van ondeugdelijk uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden, kan niet worden gevolgd. De verzekeraars hebben verzuimd toe te lichten op grond waarvan de Stichting een dergelijk onderscheid mocht aannemen. Dit onderscheid is niet af te leiden uit de ruime formulering ‘door welke oorzaak dan ook ontstaan’ en evenmin volgt dit uit de toevoeging dat de schade verband moet houden met gebruik van het gehuurde. Niet in geschil is dat het plegen van onderhoud (ook aan de dakgoten) gerekend moet worden tot de verplichtingen van SRO uit de huurovereenkomst, zodat zonder nadere toelichting niet valt in te zien waarom schade die zijn oorzaak vindt in de uitvoering van die werkzaamheden niet onder het exoneratiebeding zou vallen. Juist nu in artikel 5 lid 1 onder b van de huurovereenkomst is opgenomen dat de exoneratie ziet op schade die verband houdt met het gebruik van het gehuurde kon de Stichting er - uitgaande van de bewoordingen van de bepaling - niet redelijkerwijs op vertrouwen dat schade aan door haar in het gehuurde geëxposeerde kunstwerken steeds vergoed zou worden door SRO. Vast staat immers dat het overeengekomen gebruik van het gehuurde bestaat uit het houden van exposities. SRO heeft in dit verband onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat het haar niet (steeds) bekend is welke kunstwerken (van welke waarde) in het gehuurde worden tentoongesteld, zodat zij er belang bij heeft haar aansprakelijkheid voor schade aan deze (mogelijk dure) kunstwerken uit te sluiten. Zij beoogde derhalve de risico’s op dat punt zoveel mogelijk bij de Stichting te leggen. Daarbij past ook de vrijwaringsclausule waarop [geïntimeerde sub 2] wijst. Dit strookt ten slotte met de in de huurovereenkomst opgenomen verplichting voor de Stichting om zelf een verzekering af te sluiten. Daaraan doet niet af dat, zoals de Stichting onweersproken heeft gesteld, in feite al (sinds 1998) een verzekering was afgesloten op het moment dat in 2000 de huurovereenkomst met SRO werd gesloten. Dat brengt slechts mee dat aan die voorwaarde al was voldaan. De verzekeraars hebben geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan een dergelijk vertrouwen bij de Stichting niettemin te rechtvaardigen zou zijn.

3.11

De verzekeraars hebben nog aangevoerd dat de Stichting en SRO niet als gelijkwaardige partijen kunnen worden beschouwd. SRO is een grote, professionele verhuurder die een omvangrijk bestand van onroerende zaken beheert, terwijl de Stichting slechts enkele kleine musea exploiteert, aldus de verzekeraars. Dit betoog strandt reeds op het gebrek aan feitelijke grondslag. Zoals SRO immers onweersproken heeft gesteld behoorden SRO en de Stichting ten tijde van de ondertekening van de onderhavige huurovereenkomst beide tot de groep van de gemeente Amersfoort, zij waren zustervennootschappen. Het groepshoofd en tevens eigenaar van de Elleboogkerk, de gemeente Amersfoort, heeft bepaald dat de Stichting de Elleboogkerk van SRO zou gaan huren. Het model voor de huurovereenkomst is afkomstig van de gemeente en de gemeente heeft de huurovereenkomst geaccordeerd. Met SRO en [geïntimeerde sub 2] is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van ongelijkwaardige partijen. Voor toepassing van de contra proferentem-regel is in zoverre geen aanleiding, nog daargelaten de vraag tot welk resultaat toepassing van die regel in dit geval zou leiden.

3.12

Voor zover de verzekeraars tot slot betogen dat SRO geen beroep op artikel 5 lid 1 onder b van de huurovereenkomst toekomt, gelet op het bepaalde in artikel 5 lid 1 onder a van de huurovereenkomst, faalt dat betoog eveneens. Artikel 5 lid 1 onder a van de huurovereenkomst betreft de exoneratie voor schade als gevolg van

(verborgen) gebreken die reeds bij het aangaan van de huurovereenkomst aanwezig

zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat de schade als gevolg van de onderhavige brand op zichzelf niet als een zodanig gebrek te kwalificeren is. Dat doet echter niet af aan de overeengekomen exoneratie in artikel 5 lid 1 onder b van de huurovereenkomst, die ziet op - later ontstane - ‘schade, door welke oorzaak dan ook ontstaan’.

Dat het SRO, als verhuurder, niet vrij zou staan een dergelijke exoneratie overeen te komen vindt geen steun in het recht. Verzekeraars stellen in dit verband met name dat het wettelijk dwingend huurrecht (in het bijzonder art. 7:209 BW) daaraan in de weg zou staan. Dat geen brandveiligheidsprotocol of brandveiligheidsbesef aanwezig was, zoals verzekeraars stellen, is echter, anders dan verzekeraars stellen, niet een gebrek in de zin van art. 7:204 BW. Ook het aan de onderhoudsverplichting voldoen door het inzetten van [geïntimeerde sub 2] is dat niet.

3.13

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de uitleg van de verzekeraars niet als juist kan worden aanvaard. Met SRO is het hof van oordeel dat een redelijke uitleg van de exoneratiebepaling meebrengt dat die op de thans in het geding zijnde schade van toepassing is. Grief 1 faalt.

3.14

De exoneratie is bedongen door SRO. Het uitgangspunt bij een dergelijke clausule is, dat ook de werknemers en ondergeschikten van de rechtspersoon die de exoneratie bedingt zich daarop in beginsel kunnen beroepen als zij rechtstreeks (uit onrechtmatige daad) worden aangesproken, op basis van art. 6:257 BW. De rechtbank heeft [geïntimeerde sub 2] als zodanig aangemerkt met haar oordeel dat art. 6:170 BW toepasselijk is. Er is geen (onvoorwaardelijke) grief gericht tegen de toepasselijkheid van artikel 6:170 BW, zodat dit ook voor het hof als uitgangspunt geldt. Dit brengt mee dat - in beginsel - ook [geïntimeerde sub 2] een beroep op de exoneratiebepaling toekomt.

3.15

Met de tweede grief betogen de verzekeraars dat het beroep van SRO en [geïntimeerde sub 2] op de exoneratiebepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij verwijzen naar de jurisprudentie van de Hoge Raad in de uitspraken Saladin/HBU NJ 1967, 261 en Kuunders/Swinkels NJ 2004,585 waarin een aantal omstandigheden is geformuleerd die van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de vraag of een beroep op een exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat zijn de volgende omstandigheden:

a. de zwaarte van de schuld, mede in verband met de aard en de ernst van de bij enige gedraging betrokken belangen;

b. de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt;

c. de maatschappelijke positie en de onderlinge verhouding van partijen;

d. de wijze waarop het beding is tot stand gekomen;

e. de mate waarin de wederpartij zich van de strekking van het beding bewust is geweest;

f. de aard en omvang van de schade, en

g. in hoeverre de daardoor ontstane schade eventueel door verzekering is gedekt.

De verzekeraars voeren in dit verband kort samengevat aan dat SRO ernstig te kort geschoten is in de nakoming van haar onderhoudsverplichting door onvoldoende veiligheidsmaatregelen te nemen, onvoldoende zorgvuldig te zijn in het selecteren van het uitvoerend personeel en onvoldoende toezicht te houden. De verzekeraars kwalificeren dit als zeer laakbaar. Het ter beschikking stellen van het gehuurde is de hoofdverplichting uit de huurovereenkomst. [geïntimeerde sub 2] wordt verweten dat hij op ernstige wijze onzorgvuldig heeft gehandeld bij de voorbereiding en de uitvoering van de soldeerwerkzaamheden, als gevolg waarvan brand is ontstaan.

SRO en [geïntimeerde sub 2] hebben daarmee een groot risico op het ontstaan van brand genomen dat zich heeft verwezenlijkt. De Elleboogkerk en de daarin aanwezige kunstcollectie zijn grotendeels verloren gegaan. De verzekeraars wijzen er verder ook in dit verband op dat de Stichting en SRO niet als gelijkwaardige partijen kunnen worden beschouwd en dat over het exoneratiebeding is niet onderhandeld. De Stichting was zich niet van de strekking bewust. Dat de Stichting een verzekering had afgesloten moet volgens de verzekeraars in dit geval buiten beschouwing worden gelaten.

3.16

SRO betwist dat het beroep op de exoneratie in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Zij betoogt dat, als het gaat om de mate van verwijtbaarheid, volgens vaste jurisprudentie een exoneratie slechts dan niet kan worden ingeroepen indien er sprake is van opzet of grove schuld/bewuste roekeloosheid. Onder grove schuld/bewuste roekeloosheid wordt verstaan een handelen of nalaten dat roekeloos en met de wetenschap dat schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien, is geschied (Vgl Hoge Raad 4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4731). Het gaat derhalve bij grove schuld/bewuste roekeloosheid om een in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld (vgl HR 12 maart 1954 en HR 30 september 1994). Volgens de Hoge Raad is van zodanig “bewuste roekeloosheid” sprake “wanneer degene die zich aldus gedraagt het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat dit gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijker groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren en zich door dit een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden.” VIg ook HR 5 januari 2001, NJ 2001, 391 (Overbeek/Cigna), HR 5 januari 2001, NJ 2001, 392 (Van der Graaf/Philip Morris).

3.17

SRO stelt vast dat de verzekeraars ‘slechts’ stellen dat sprake is geweest van ernstige tekortkomingen die zij als laakbaar kwalificeren. Dat is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van grove schuld/bewuste roekeloosheid. Zij betwist voorts dat haar gedrag gelijk te stellen valt aan bewuste roekeloosheid. Ook betwist SRO dat zij haar onderhoudsverplichting zou hebben geschonden en dat zij onvoldoende toezicht zou hebben gehouden. Zij stelt dat zij in beginsel heeft mogen vertrouwen op de kennis en ervaring van de ingeschakelde vakman en verwijst in dit verband naar het BING rapport, waarin nader is ingegaan op de kwalificaties van de loodgieter en waarin de conclusie wordt getrokken dat de loodgieter over de benodigde kennis, ervaring en certificering beschikte om de onderhavige opdracht uit te kunnen voeren. Er is bovendien dagelijks overleg geweest met de voorman van SRO. Zelfs al zou sprake zijn geweest van onderschatting van het risico door SRO of [geïntimeerde sub 2] , dan is dat nog niet voldoende om grove schuld/bewuste roekeloosheid aan te nemen. Verder weerspreekt SRO dat sprake zou zijn geweest van ongelijkwaardige partijen en wijst zij erop dat de overeenkomst is opgesteld door de gemeente en dat daarover tussen de Stichting en SRO niet is onderhandeld. Dat de Stichting zich onvoldoende bewust is geweest van de inhoud van de bepaling moet voor haar rekening blijven. Ten slotte wijst SRO erop dat de Stichting verzekerd was en dat [geïntimeerde sub 2] eveneens verzekerd was, maar dat zij zelf geen verzekeringsdekking had voor deze schade.

3.18

[geïntimeerde sub 2] stelt eveneens dat in de onderhavige zaak geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de schuldenaar, SRO, of een aldaar met de leiding belast persoon en constateert dat de verzekeraars dit dan ook terecht niet stellen. Dit betekent dat een beroep op de exoneratie slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden onaanvaardbaar is. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de zwaarte van de schuld, de aard van de overeenkomst en in hoeverre de schade door een verzekering wordt gedekt. [geïntimeerde sub 2] betwist in dat verband de door de verzekeraars gemaakte verwijten die gaan over de uitvoering van de werkzaamheden. Die verwijten missen feitelijke grondslag, althans zijn zij niet zodanig zwaarwegend dat het beroep op de exoneratie onaanvaardbaar is. Hij benadrukt - onder meer - dat hij 17 jaar ervaring had, VCA-gecertificeerd was, en altijd, en ook in dit geval, zorgvuldig te werk is gegaan. Tot slot wijst [geïntimeerde sub 2] erop dat de Stichting, zoals overeengekomen, verzekerd was voor deze schade.

3.19

Een exoneratiebeding dient buiten toepassing te blijven voor zover die

toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, hetgeen in het algemeen het geval zal zijn als de schade is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid bij de partij die zich heeft vrijgetekend, hier SRO, dan wel haar hulppersoon in de zin van art. 6:170 BW [geïntimeerde sub 2] . Bewuste roekeloosheid omvat niet alleen welbewust onzorgvuldig gedrag of ‘waarschijnlijkheidsbewustzijn’, maar ook ‘mogelijkheidsbewustzijn’, dat wil zeggen handelen of nalaten waarvan men zich bewust was dat daardoor schade zou kunnen ontstaan, waarbij die kans bewust is aanvaard. Daarbij zal de rechter rekening moeten houden met de door de verzekeraars opgesomde omstandigheden.

Met SRO en [geïntimeerde sub 2] is het hof van oordeel dat – uitgaande van het handelen van SRO en [geïntimeerde sub 2] zoals dat door de rechtbank is vastgesteld en tegen welke vaststelling door de verzekeraars niet is gegriefd – niet gesproken kan worden van opzet of grove schuld /bewuste roekeloosheid. Daarvoor is immers niet voldoende dat, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, zorgvuldigheidsnormen zijn geschonden, respectievelijk dat is tekortgeschoten in de nakoming van verbintenissen uit overeenkomst. Die schendingen (respectievelijk) tekortkomingen leiden tot de vestiging van aansprakelijkheid, waarvoor SRO zich nu juist heeft geëxonereerd. Om te kunnen concluderen dat een beroep op die exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, dient dan ook een hogere drempel te worden genomen.

3.20

Dat sprake is van opzet in engere zin, met andere woorden dat de brand beoogd was, is niet gesteld. Het komt aan op het verwijt dat de werkzaamheden zo zijn uitgevoerd dat het gedrag, en met name het nalaten, van SRO en [geïntimeerde sub 2] neerkomt op grove schuld dan wel bewuste roekeloosheid. SRO heeft in dat verband terecht gewezen op de jurisprudentie over het begrip grove schuld en bewuste roekeloosheid. De verzekeraars hebben geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat aan het in die rechtspraak geformuleerde criterium is voldaan. In het bijzonder is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde sub 2] zich ervan bewust was dat de kans dat het brandgevaar zich zou verwezenlijken aanzienlijk groter was dan de kans dat dit niet zou gebeuren en dat hij zich daardoor niet heeft laten weerhouden en evenmin dat hij het risico op brand, waarvan hij zich bewust was, bewust heeft aanvaard. Hij was zich weliswaar in het algemeen bewust van brandgevaar, maar hij had daartegen maatregelen getroffen (zij het dat die achteraf onvoldoende bleken). Toen hij ging lunchen meende hij dat er geen sprake was van gevaar. Die mening was weliswaar onterecht, maar de verwijtbaarheid is juist gelegen in het besef van de kans op brand, die vervolgens op de koop toegenomen wordt, en dat besef bij [geïntimeerde sub 2] is niet komen vast te staan.

Bij SRO is dat evenmin het geval. Zij had een gekwalificeerde opdrachtnemer, [geïntimeerde sub 2] , ingeschakeld en hield op hem ook toezicht. Ook bij SRO geldt, dat zij zich bewust was van het gevaar in het algemeen, maar dat zij niet de kans op de koop heeft toegenomen dat dat gevaar zich zou verwezenlijken.

3.21

Voor zover de verzekeraars aanvoeren dat SRO nog geen begin van een maatregel had genomen om te verzekeren dat haar personeel of derden die zij daarvoor inschakelde bij de werkzaamheden op een brandveilige wijze te werk zou gaan, alsook de stelling dat [geïntimeerde sub 2] onvoldoende kennis en ervaring had op het gebied van brandveiligheid is, mede gelet op hetgeen daarover door SRO en [geïntimeerde sub 2] is aangevoerd, onvoldoende onderbouwd. Bovendien is op dit punt geen concreet bewijsaanbod gedaan. De daaraan verbonden conclusie dat SRO een onaanvaardbaar risico op het ontstaan van brand heeft genomen, kan dan ook niet worden gevolgd.

Weliswaar heeft het risico van brand zich verwezenlijkt, en is als gevolg daarvan veel materiële schade ontstaan, maar de Stichting was, overeenkomstig de daarover gemaakte afspraken, tegen die schade verzekerd. Dat SRO mogelijk eveneens verzekeringsdekking had kunnen krijgen voor deze schade, zoals door verzekeraars gesteld, doet daaraan niet af. Het bewijsaanbod van verzekeraars op dit punt zal dan ook worden gepasseerd.

Ten aanzien van hetgeen de verzekeraars in dit verband overigens hebben aangevoerd met betrekking tot de inhoud en de totstandkoming van het exoneratiebeding, wordt verwezen naar hetgeen daarover bij de bespreking van grief 1 is overwogen. Dat de Stichting zich mogelijk niet bewust is geweest van de strekking van het exoneratiebeding, onder meer voor wat betreft de positie van [geïntimeerde sub 2] , legt, mede gelet op de verwevenheid tussen SRO en de Stichting en de overige hiervoor besproken omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal.

3.22

Dit alles leidt tot de conclusie dat de aan SRO en [geïntimeerde sub 2] gemaakte verwijten, zelfs in het licht van de overige door verzekeraars genoemde omstandigheden, een beroep op de exoneratie niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken. Ook grief 2 slaagt niet.

3.23

Grief 3 klaagt dat de rechtbank ten onrechte derdenwerking heeft toegekend aan art. 5 lid 1 sub b van de huurovereenkomst, en daarvan uitgaande ten onrechte heeft geoordeeld dat SRO en [geïntimeerde sub 2] zich daarop ook jegens de bruikleengevers kunnen beroepen. Volgens de verzekeraars is daarvoor niet voldoende dat SRO gelet op de tekst van art. 5 lid 1 sub b van de huurovereenkomst ervan uit mocht gaan dat zij haar aansprakelijkheid voor de roerende zaken in de Elleboogkerk volledig had uitgesloten, nu in artikel 5 lid 1 sub b van de huurovereenkomst ook ‘derden’ worden genoemd die schade lijden. Het leerstuk van derdenwerking van overeenkomsten ziet juist op betrokkenen die geen partij zijn bij de overeenkomst waarop een beroep wordt gedaan. Blijkens voormelde jurisprudentie gaat het om een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen dat door de derde is gewekt. Dat is niet het geval. Niet valt in te zien hoe SRO dergelijk vertrouwen kan ontlenen aan een contractsbepaling die nota bene door haarzelf is opgesteld, en waaraan de derden part noch deel hebben gehad. Zij stellen dat SRO en [geïntimeerde sub 2] hun beroep op derdenwerking niet hebben onderbouwd en betwisten dat sprake zou zijn van het geven van de vrije hand voor de bruikleengevers aan de Stichting. Tot zover steeds de verzekeraars.

3.24

SRO betwist dat sprake zou moeten zijn van door derden gewekt vertrouwen bij SRO; voldoende is dat het gaat om op derden terug te voeren omstandigheden. Zij verwijst naar het Sungreen-arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA4429). In dat verband voert zij aan dat de bruikleengevers de kunstwerken om niet in bruikleen hebben gegeven aan de Stichting. Alleen de verzekeringspremie en kosten van transport komen voor rekening van de Stichting. De bruikleengevers hebben verder geen enkele instructie aan de Stichting verstrekt, en evenmin enig voorbehoud gemaakt ter zake van de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de kunstwerken zullen worden vervoerd naar, en geëxposeerd in de Elleboogkerk. De bruikleengevers hebben de Stichting derhalve de vrije hand gelaten. Zij hebben zich niet verdiept in de vraag uit welke hoofde de Stichting de Elleboogkerk in gebruik heeft en zij hebben de Stichting wat dat betreft ook geen beperkingen of bijzondere instructies opgelegd.

3.25

Ook [geïntimeerde sub 2] betoogt dat de bruikleengevers de exoneratie in redelijkheid tegen zich moeten laten gelden, omdat bij SRO het vertrouwen is gewekt - welk vertrouwen is terug te voeren op gedragingen van de bruikleengevers, te weten [B] en het Dordrechts museum – dat zij dit beding zal kunnen inroepen ter zake van alle in het gehuurde met instemming van huurder aanwezige goederen, ongeacht of die aan derden toebehoorden.. Zij hebben de Stichting volledig de vrije hand gelaten. Immers, zij hebben zich niet bekreund over de vraag hoe de Stichting de aansprakelijkheid bij eventuele schade aan hun eigendommen precies had geregeld. Voor hen was voldoende dat de kunst adequaat was verzekerd. Een exoneratiebeding als het onderhavige is bovendien aan te merken als gebruikelijk, juist omdat het voor een verhuurder zonder een dergelijk exoneratiebeding niet aantrekkelijk zou zijn om een pand aan een huurder als de Stichting te verhuren, omdat het daarmee gemoeide potentiele risico zonder exoneratiebeding veel te hoog zou zijn en voor dat risico voor een verhuurder als SRO (laat staan voor een ondergeschikte als [geïntimeerde sub 2] ) geen adequate verzekering voorhanden is.

3.26

Het hof overweegt dat contractuele bedingen in beginsel alleen van kracht zijn tussen de contracterende partijen. Onder bepaalde omstandigheden kan dit beginsel uitzondering lijden en moet een derde een contractueel beding in redelijkheid tegen zich laten gelden. Voor een zodanige uitzondering moet voldoende rechtvaardiging worden gevonden in de aard en omstandigheden van het betreffende geval. Hierbij valt te denken aan het op gedragingen van de derde terug te voeren vertrouwen van degene die zich op het beding beroept, dat hij dit beding zal kunnen inroepen ter zake van hem door zijn wederpartij toevertrouwde goederen, alsmede aan de aard van de overeenkomst en van het desbetreffende beding in verband met de bijzondere relatie waarin de derde staat tot degene die zich op het beding beroept. (HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4429).

3.27

De door SRO en [geïntimeerde sub 2] aangevoerde feitelijke omstandigheden, op grond waarvan zij concluderen dat de bruikleengevers aan de Stichting de vrije hand hebben gegeven, zijn door de verzekeraars niet weersproken. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, kunnen ook in de visie van het hof de conclusie dragen dat de bruikleengevers aan de Stichting de vrije hand hebben gegeven. Niet gesteld of gebleken is dat zij zich, als zij zich al bewust waren van het feit dat de expositieruimte door de Stichting werd gehuurd van SRO en dat SRO - naast de Stichting - mogelijk aansprakelijk jegens hen zou kunnen worden voor eventuele schade aan hun kunstwerken, hebben bemoeid met de afspraken tussen SRO en de Stichting, laat staan dat zij in dat verband beperkingen hebben geëist of instructies aan de Stichting hebben gegeven. Zij hebben kennelijk slechts afgesproken dat de Stichting het risico van schade zou verzekeren en dat de verzekeringspremies voor rekening van de Stichting zouden komen. Daarbij komt dat een exoneratie door de verhuurder van een expositieruimte niet ongebruikelijk is, juist nu de verhuurder in de regel - en zo ook in dit geval - niet op de hoogte is van de (waarde van de) tentoongestelde werken. Weliswaar betwisten verzekeraars dat, maar zij onderbouwen die betwisting niet tegenover het beroep van de SRO op de ROZ-voorwaarden. Nu een van hen zelf een museum exploiteert - het Dordrechts museum - moet deze bruikleengever op de hoogte geacht worden van de omstandigheid dat dergelijke bedingen wel worden gebruikt. Daarbij komt nog de verwevenheid tussen de Stichting en SRO. Op grond van al deze omstandigheden heeft SRO er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat zij deze exoneratie ook jegens de bruikleengevers zou kunnen inroepen en moeten [B] en het Dordrechts Museum de door SRO met de Stichting overeengekomen exoneratie in redelijkheid tegen zich laten gelden. Ook deze grief faalt derhalve.

Gelet op het voorgaande behoeft ook geen bespreking of de polisvoorwaarden (en/of de BBR) al dan niet aan de weg staan aan regres.

3.28

De verzekeraars hebben tot slot een voorwaardelijke grief geformuleerd die slechts behandeling behoeft op het moment dat het hof, naar aanleiding van een eventueel incidenteel appel van SRO, zou oordelen dat art. 6:170 BW in casu geen toepassing zou vinden, omdat [geïntimeerde sub 2] niet als ondergeschikte van SRO kan worden aangemerkt. SRO heeft geen incidentele grieven geformuleerd, zodat de voorwaarde niet is vervuld. De grief behoeft dan ook geen bespreking.

3.29

De grieven van de verzekeraars falen. Dit betekent dat al hetgeen door SRO en [geïntimeerde sub 2] is aangevoerd dat ingeval van welslagen van (één van) de grieven, als gevolg van de devolutieve werking van het appel weer aan de orde zou moeten komen, evenmin bespreking behoeft. Het hof zal dan ook niet nader toekomen aan bespreking van de oorzaak van de brand en de aan SRO en [geïntimeerde sub 2] in dat verband gemaakte verwijten.

3.30

Van voldoende concrete bewijsaanbiedingen ter zake van voor de beslissing relevante stellingen die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden is geen sprake.

3.31

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. De verzekeraars zullen als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

SRO en [geïntimeerde sub 2] zullen evenwel in het bevoegdheidsincident als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van [appellant sub 3] .

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het eindvonnis waarvan beroep;

veroordeelt de verzekeraars in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van SRO begroot op € 13.740 voor salaris en op € 131 voor nasalaris, te vermeerderen met € 68 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt de verzekeraars hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde sub 2] begroot op € 13.740 voor salaris en te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt SRO en [geïntimeerde sub 2] in de kosten van het geding in het bevoegdheidsincident, aan de zijde van [appellant sub 3] begroot op € 1.788.

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F. Aalders, M. Jurgens en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2018.