Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2577

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
23-002373-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een auto bestuurd, terwijl zijn rijbewijs geschorst was. Bewijsoverweging mbt wetenschap van de schorsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002373-17

datum uitspraak: 17 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 96-169351-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 augustus 2016 te Amsterdam, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Wageningendreef, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om doelmatigheidsredenen worden vernietigd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 augustus 2016 te Amsterdam, terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Wageningendreef, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat niet vast staat dat de verdachte de brief van het CBR van 19 januari 2016 (onderwerp: besluit: onderzoek naar uw alcoholgebruik, voorlopig geen rijbewijs) heeft ontvangen en dat hij op 15 augustus 2016, kijkend naar de tekst in de brief van 8 juni 2016 (onderwerp: uitslag onderzoek), dacht dat hij tot aan het besluit van ongeldigverklaring gewoon mocht rijden.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt eerst vast dat de in de onderhavige zaak van belang zijnde brieven van het CBR (d.d. 19 januari 2016 en 8 juni 2016) aangetekend zijn verstuurd naar het adres waarop de verdachte al sinds lange tijd staat ingeschreven bij de Basisregistratie Personen (BRP). De politie heeft de brief van 8 juni 2016 bij de aanhouding van de verdachte geopend aangetroffen in zijn auto.

In deze brief staat kort gezegd dat de verdachte niet geschikt is om een motorvoertuig te besturen. De verdachte heeft ook niet betwist dat hij de brief van 8 juni 2016 heeft ontvangen en heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij “heel veel post van het CBR” heeft ontvangen.

In de brief van 19 januari 2016 met als onderwerp ‘Besluit: onderzoek naar uw alcoholgebruik, voorlopig geen rijbewijs’ staat vermeld dat de geldigheid van het rijbewijs wordt geschorst en dat het rijbewijs zo snel mogelijk moet worden opgestuurd naar het CBR. En verder staat daarin vermeld: Er moet onderzoek gedaan worden naar het alcoholgebruik. U mag voorlopig niet meer rijden. In elk geval niet tot de uitslag van het onderzoek. U moet het onderzoek zelf betalen. U ontvangt hiervoor twee aparte facturen. Deze facturen sturen we mee met deze brief. Betaal eerst allebei de facturen. […] Daarna kunt u ons bellen om het onderzoek in te plannen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij heeft betaald voor het onderzoek.

In de bij de verdachte aangetroffen brief van het CBR van 8 juni 2016 met als onderwerp ‘Uitslag onderzoek’ staat vermeld: U heeft een onderzoek naar uw alcoholgebruik gehad. De uitslag van het onderzoek is dat u niet geschikt bent om te rijden. […] Denkt u dat een tweede onderzoek aan ander resultaat oplevert, dan kunt u binnen twee weken een tweede onderzoek aanvragen. Vervolgens bevat het dossier een brief van het CBR van 23 augustus 2016 met als onderwerp ‘Uitslag na twee onderzoeken, besluit: rijbewijs ongeldig’ en verder: De uitslag van beide onderzoeken is dat u niet geschikt bent om te rijden. Daarom verklaren we uw rijbewijs ongeldig vanaf 30 augustus 2016.

Het hof stelt op basis van het voorgaande – in onderling verband en samenhang beschouwd – vast dat de verdachte de facturen bij de brief van 19 januari 2016 heeft betaald, dat hij heeft deelgenomen aan het onderzoek, dat hij de brief van 8 juni 2016 heeft ontvangen en vervolgens een tweede onderzoek heeft betaald en aangevraagd. Het hof concludeert op basis hiervan dat het niet anders kan dan dat de verdachte ook de brief van 19 januari 2016 heeft ontvangen en derhalve minst genomen redelijkerwijs moest weten dat het rijbewijs was geschorst.

Anders dan de raadsvrouw ziet het hof niet in hoe de inhoud van de brief van 8 juni 2016 over de ongeschiktheid van de verdachte om te rijden bij de verdachte de gerechtvaardigde gedachte zou kunnen opleveren dat de verdachte zijn rijbewijs weer zou mogen gebruiken ‘tot aan het moment van ongeldigverklaring’. Daarbij betrekt het hof de samenhang tussen die brief en de brief van 19 januari 2016.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ook op de tenlastegelegde datum redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een auto bestuurd, terwijl zijn rijbewijs geschorst was. Hiermee heeft hij een met het oog op de verkeersveiligheid door het bevoegde gezag genomen maatregel genegeerd.

Het hof houdt bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte rekening met een hem betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 25 juni 2018, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens rijden onder invloed.

Het hof heeft bij het bepalen van de soort en de omvang van de aan de verdachte op te leggen straf gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof ziet in het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep geen aanleiding hiervan in het voordeel van de verdachte af te wijken en acht, alles afwegende, een door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.E. Hinskens - van Neck, mr. R.D. van Heffen en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 juli 2018.

[...]