Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2576

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
23-002785-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft niet voldaan aan een bevel zich uit een door de burgemeester van Amsterdam aangewezen dealeroverlastgebied te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002785-17

datum uitspraak: 17 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 13-120566-16 en 13-060740-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 2018.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op 9 juni 2016 te 15.55 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9A van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende -zakelijk weergegeven - om zich uit het dealeroverlastgebied Amsterdam 1.0, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsmotivering

Op 9 juni 2016 is de verdachte aangehouden in het dealeroverlastgebied 1.0. Bij het politieverhoor op 9 juni 2016 heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat hij ongeveer twee maanden eerder een DOG-maatregel heeft gekregen en dat hij wist dat het verbod tot 21 juli 2016 gold, maar dat hij niet wist dat hij niet op de Nieuwendijk mocht komen omdat hij niet goed naar het kaartje had gekeken.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat bij brief van 20 april 2016 het dealerverblijfsverbod van 19 april 2016 met bijbehorende gebiedskaart op de geëigende wijze naar verdachtes GBA-adres is gezonden. In deze brief staat vermeld dat de verdachte zich voor de duur van drie maanden vanaf 23 april 2016 tot en met 22 juli 2016 dient te verwijderen uit dealeroverlastgebied DOG 1.0. Bovendien is de verdachte ter gelegenheid van een politieverhoor op 10 april 2016 (proces-verbaalnummer 2016078680-4) in kennis gesteld van de voordracht voor de DOG-maatregel en is hem alvast de kaart van het ‘nieuwe’ dealeroverlastgebied 1.0 uitgereikt.

Op grond daarvan stelt het hof vast dat de verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan het hem gegeven bevel. Dat uit het dossier niet blijkt dat de aan de verdachte op 20 april 2016 toegezonden brief met gebiedskaart de verdachte daadwerkelijk heeft bereikt doet aan het voorgaande niet af, nu daaruit tevens blijkt dat de verdachte op de hoogte was van het gebiedsverbod als zodanig en dat op 10 april 2016, nadat de voordracht voor de DOG-maatregel met hem is besproken, de gebiedskaart van het ‘nieuwe’ dealeroverlastgebied 1.0 aan hem is uitgereikt, zodat hij geacht moet worden met de grenzen daarvan bekend te zijn geweest. Dat hij niet wist dat hij niet op de Nieuwendijk mocht komen, acht het hof volstrekt ongeloofwaardig.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 juni 2016 te 15.55 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9A van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het dealeroverlastgebied Amsterdam 1.0 te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand en heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot 1 (één) dag gevangenisstraf en een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft verder gevorderd dat de aan de orde zijnde vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen, omdat deze al eerder onherroepelijk is toegewezen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Door niet te voldoen aan een bevel zich uit een door de burgemeester van Amsterdam aangewezen dealeroverlastgebied te verwijderen, heeft de verdachte, die wist dat hij in het betreffende gebied niet mocht komen, de inspanningen van de gemeente om de veiligheid en rust in dat gebied te bevorderen en het imago van de stad te verbeteren, gefrustreerd. De naleving van dit soort bevelen is van belang voor de algemene veiligheid en de openbare orde. Het niet naleven van een dergelijk verwijderingsbevel draagt bij aan gevoelens van onveiligheid bij buurtbewoners, ondernemers, toeristen en andere passanten.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 juni 2018 is hij eerder ter zake van misdrijven tegen het openbaar gezag veroordeeld, hetgeen het hof in zijn nadeel weegt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij – na onder meer een langere periode in detentie te hebben doorgebracht – zijn leven verder op de rit probeert te krijgen en daarbij hulp krijgt van stichting MEE, Innovium en het UWV. De verdachte lijkt gemotiveerd te zijn om mee te werken aan zijn begeleiding.

Evenals de advocaat-generaal ziet het hof in het voorgaande aanleiding de verdachte een taakstraf op te leggen. Het hof zal de verdachte voorts – gelet op het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht – een gevangenisstraf opleggen van 1 dag.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 63 en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2014 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof is gebleken dat de politierechter te Amsterdam bij vonnis van 5 augustus 2015 de tenuitvoerlegging heeft gelast van de onder parketnummer 13-060740-14 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Dit vonnis is onherroepelijk. Het hof zal het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging van de hier bedoelde voorwaardelijk opgelegde straf.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 9 juni 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2014, parketnummer 13-060740-14, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. R.D. van Heffen en mr. M.E. Hinskens - van Neck, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 juli 2018.

[...]

.