Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2567

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
23-004406-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 1014 hennepplanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004406-16

datum uitspraak: 17 juli 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 november 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15‑710271‑14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

adres: [adres 1].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 en 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat:

2:
hij op of omstreeks 24 januari 2014 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] aldaar) 1014 hennepplanten en/of 128 hennepstekken, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde, zal worden vernietigd om proceseconomische redenen.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit, nu de hennepplanten zich niet in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het aanwezig hebben van de specifiek tenlastegelegde hoeveelheid, nu het niet ging om één kwekerij maar om een soort doolhof met verschillende compartimenten.

Op 24 januari 2014 is in een pand in Lijnden een hennepkwekerij aangetroffen. Dit pand betreft een woonhuis, dat niet bewoond werd, en een bedrijfsruimte. De woning bestaat uit twee verdiepingen en de bedrijfsruimte uit één verdieping.

De hennepkwekerij bevond zich in het bedrijfsgedeelte, in vijf verschillende ruimtes. In een ruimte vlak achter de woning stond een opkweekruimte (ruimte A). Achter in de bedrijfsruimte bevonden zich nog vier ruimtes (ruimten B t/m E) waarin hennepplanten gekweekt werden en die allemaal toegankelijk waren vanuit een gang waarin attributen stonden als transformatoren, snelheidsregelaars, temperatuurregelaars en slakkenhuizen. De ruimten B en C hadden een afmeting van 3,4 bij 7 meter. De ruimten D en E hadden een afmeting van 3,2 bij 6 meter. In totaal zijn in deze ruimten 1014 hennepplanten aangetroffen.

In de kwekerij stond een personenauto met een kenteken op naam van de verdachte. Aan deze personenauto was een gehuurde aanhanger gekoppeld waarop een waterreservoir stond, van waaruit de hennepplanten in de hennepkwekerij van water werden voorzien. In de auto bevonden zich onder andere een afzuigslang, een tijdschakelaar en een lege verpakking met de gebruiksaanwijzing voor een snelheidsregelaar die in de kweekruimte lag.

Op het moment dat de verbalisanten de woning openden is de verdachte, samen met een medeverdachte, door een raam aan de achterzijde van de woning gesprongen en weggerend. Nadat de verdachte was aangehouden, hebben twee verbalisanten geconstateerd dat hij een zeer penetrante hennepgeur om zich heen had en dat zijn handen gedeeltelijk donkergroen gekleurd waren.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in het pand en dat de hennepplanten zich in zijn machtssfeer bevonden. Dit geldt voor alle 1014 hennepplanten in de tenlastelegging, nu deze zich alle in de bedrijfsruimte bevonden en de bedrijfsruimte de verdachte bekend was, nu zijn auto daar stond. Er is geen aanwijzing dat de kwekerij bestond uit een ‘doolhof met verschillende compartimenten’ en dat de verdachte de aanwezigheid van een gedeelte kan zijn ontgaan.

Het ter terechtzitting in hoger beroep herhaalde verzoek van de raadsman tot het horen van de getuige [getuige] wordt afgewezen, nu niet valt in te zien welk verdedigingsbelang is gediend met het horen van deze getuige, gelet op hetgeen ten laste is gelegd aan de verdachte.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij op 24 januari 2014 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] aldaar) 1014 hennepplanten.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank heeft ook een taakstraf van 120 uren opgelegd en de auto van de verdachte verbeurd verklaard.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft bepleit dat voor de bepaling van de straf aansluiting gezocht moet worden bij een arrest van het hof Arnhem-Leeuwaren van 20 juli 2016 (ECLI:NL:GHARL:2015:5790) en niet bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor het telen van hennep, nu de rol van de verdachte niet is gelijk te stellen met die van een teler. Hij heeft verzocht tot het opleggen van een al dan niet voorwaardelijke taakstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een grote hoeveelheid hennepplanten voorhanden gehad. Gelet op de hoeveelheid aangetroffen planten, te weten 1.014 stuks, moet de hennep voor verdere verspreiding bedoeld zijn geweest. Het gebruik van hennep kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien leidt de teelt van hennep veelal tot negatieve maatschappelijke effecten en gaat zij niet zelden gepaard met andere vormen van criminaliteit.

Het hof houdt bij het bepalen van de straf rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Voor het aansluiten bij eerdergenoemd arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden en het volstaan met oplegging van een (on)voorwaardelijke taakstraf zoals door de raadsman verzocht, bestaat, mede gelet op de ernst van het feit, onvoldoende aanleiding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 1 en 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.C. Römer en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Togt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 juli 2018.

Mr. P.C. Römer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.