Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2564

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
23-002042-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voorhanden hebben valse reisdocumenten (art. 231 Sr).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002042-17

datum uitspraak: 17 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13‑701942-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van het afleveren dan wel voorhanden hebben van een Italiaanse familieverblijfskaart. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

hij op 9 juni 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, een of meerdere reisdocumenten en/of identiteitsbewijzen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Nigeriaanse paspoortkaart, nummer [nummer 1], en/of een Maleisische verblijfskaart, nummer [nummer 2], waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij een Nigeriaanse paspoortkaart en een Maleisische verblijfskaart heeft afgeleverd en of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat deze vals of vervalst was.

De verdachte was in het bezit van één geplastificeerde kaart. Aan de voorzijde staat een nationaal paspoort uit Nigeria op naam van de verdachte afgedrukt. Aan de achterzijde staat een verblijfspas van Maleisië op naam van de verdachte afgedrukt.

Nu een paspoort niet in kaartvorm pleegt te worden verstrekt en zeker niet in combinatie met een verblijfspas van een ander land op de achterkant van diezelfde kaart, is evident dat het hier niet gaat om op originelen gelijkende documenten als bedoeld in artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht. Aan eenieder moet direct duidelijk zijn dat het gaat om kopieën en er bestaat geen risico dat de kaart wordt aangezien voor een origineel reisdocument of identificatiebewijs.

De advocaat-generaal heeft nog gesteld dat hier sprake zou zijn van een fantasiedocument dat als reisdocument kan worden aangemerkt. Dit kan het geval zijn indien het gaat om een op een paspoort lijkend document dat zodanig is opgetuigd dat het moeilijk van een reisdocument van een bepaald land is te onderscheiden.1 Zoals hiervoor is overwogen is dat hier niet het geval.

Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van het afleveren dan wel voorhanden hebben van een Italiaanse familieverblijfskaart.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.C. Römer en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van

mr. K. van der Togt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 juli 2018.

Mr. P.C. Römer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 vgl. HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5248, NJ 2010/425.