Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2497

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
23-005937-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek opheffing lijfsdwang afgewezen. Geen inzicht in financiële positie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

AV-nummer: 001659-17

rolnummer: 23-005937-08

datum uitspraak: 6 maart 2018

Beschikking gegeven naar aanleiding van een ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift, op grond van artikel 577c, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering ingediend namens:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1970,

thans verblijvende in Detentiecentrum Schiphol, te Badhoevedorp,

adres: [adres].

Procesgang

Dit gerechtshof heeft bij inmiddels onherroepelijk geworden arrest van 1 april 2011 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 41.256,80.

Bij beschikking van dit hof van 20 oktober 2017 is verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang voor de duur van 180 dagen verleend, aangezien de verzoeker op dat moment niet aan bovengenoemde betalingsverplichting had voldaan en niet aannemelijk was geworden dat hij op dat moment buiten staat was om aan die betalingsverplichting te voldoen.

Door verzoeker is vervolgens bij een op 30 november 2017 ter griffie van dit gerechtshof ingekomen verzoekschrift op grond van artikel 577c, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering, verzocht voornoemde lijfsdwang op te heffen, welk verzoek is aangevuld per e-mail van 13 december 2017 en per brief van 16 december 2017.

Het verzoek is door het hof in raadkamer op 20 februari 2018 in het openbaar behandeld. Daarbij zijn gehoord de verzoeker, zijn advocaat mr. O.R.R. Hetterscheidt, en de advocaat-generaal mr. M.W. Hemelaar.

Beoordeling van het verzoek

Het verzoekschrift is tijdig door verzoeker ter griffie van dit hof ingediend.

De advocaat van verzoeker heeft tijdens de openbare behandeling van het verzoekschrift betoogd dat lijfsdwang thans geen enkel doel dient nu er geen sprake is van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. Daar komt bij dat verzoeker tevergeefs doende is een betalingsregeling met het CJIB te treffen. De advocaat heeft daarnaast aangevoerd dat als verzoeker gedetineerd blijft, hij niet in staat kan worden gesteld om te voldoen aan zijn betalingsverplichting nu de medische situatie van verzoeker lijkt te verslechteren door detentie en hij wederom geheel arbeidsongeschikt zal raken. Voorts heeft verzoeker niet de beschikking over vermogen om aan de ontnemingsvordering te kunnen voldoen en moet hij zien rond te komen van een bijstandsuitkering. De advocaat heeft verzocht om opheffing van de lijfsdwang om verzoeker in staat te stellen inkomsten te genereren.

De advocaat-generaal heeft in raadkamer geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot opheffing van de lijfsdwang.

Het hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de lijfsdwang dient als pressiemiddel, met als doel een veroordeelde ertoe te bewegen (alsnog) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Het is aan een veroordeelde, die opheffing van de lijfsdwang verzoekt, om aannemelijk te maken dat de lijfsdwang wat hem betreft aan dat doel heeft beantwoord en dat hij mitsdien alsnog aan zijn betalingsverplichting zal voldoen, dan wel dat hij heeft aangetoond in betalingsonmacht te verkeren.

Weliswaar heeft verzoeker gesteld dat dit, wat hem betreft, het geval is, maar die stelling is door hem niet voldoende – met bewijsstukken – onderbouwd. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij aan het CJIB een adequaat betalingsvoorstel heeft gedaan en/of dat het CJIB op onredelijke gronden niet aan de totstandkoming van een betalingsregeling heeft meegewerkt. Het hof acht hierbij van belang dat verzoeker tot op heden geen, met bewijsstukken onderbouwde, inzage heeft verschaft in zijn financiële situatie, met name in zijn vermogenspositie. Zo had verzoeker bijvoorbeeld bankafschriften en/of aangiftes dan wel aanslagen van de Belastingdienst kunnen overleggen. Ook roept de niet nader gespecificeerde stelling van verzoeker dat hij voorafgaand aan zijn detentie een bedrag van € 700,00 aan pensionkosten, inclusief schoonmaakkosten, heeft betaald, vragen op ten aanzien van de wijze waarop verzoeker (verder) in zijn onderhoud heeft voorzien, in het licht van het feit dat verzoeker een bijstandsuitkering geniet, althans genoot.

Bij deze stand van zaken zal het verzoek tot opheffing van de lijfsdwang als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. Hetgeen overigens namens verzoeker is aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de lijfsdwang.

Deze beschikking is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 maart 2018.

Mrs. A.D.R.M. Boumans en A.M.P. Geelhoed zijn buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.