Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2492

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
23-000089-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen telen van hennep en voorhanden hebben van wapens. Persoonlijke omstandigheden. Taakstraf en gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000089-17

datum uitspraak: 6 maart 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 december 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 15‑810371-15 en 15-089872-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2015 tot en met 11 november 2015 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (in een pand gelegen aan het [adres 2] aldaar) opzettelijk hennep heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2:
hij op of omstreeks 12 november 2015 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 182 hennepplanten en/of 205 hennepstekken en/of ongeveer 4800 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september 2014 tot en met 12 november 2015 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid/heden stroom, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

4:
hij op of omstreeks 12 november 2015 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, een of meer wapens van categorie II en/of III, te weten: een pomp-action jachtgeweer/riotgun (kaliber 12, wapennummer J372303) en/of een dubbelloops hagelgeweer (kaliber 16, wapennummer 525378) en/of munitie van categorie II en/of III, voorhanden heeft gehad;


5:
hij op of omstreeks 12 november 2015 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, een of meer wapens van categorie I, onder 3, 5 en 6, te weten twee werpsterren en/of acht pijlen en/of een katapult voorhanden heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van het aan hem onder 5, impliciet cumulatief ten laste gelegde – kort gezegd – het voorhanden hebben van acht pijlen. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv, staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere kwalificatie en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 11 november 2015 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, in een pand gelegen aan het [adres 2] aldaar, opzettelijk hennep heeft geteeld en/of bewerkt;

2:
hij op 12 november 2015 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 182 hennepplanten en 205 hennepstekken en ongeveer 4800 gram hennep;

3:
hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 12 november 2015 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, toebehorende aan Liander N.V., waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

4:
hij op 12 november 2015 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, wapens van categorie II en III, te weten: een pomp-action jachtgeweer/riotgun (kaliber 12, wapennummer J372303) en een dubbelloops hagelgeweer (kaliber 16, wapennummer 525378) en munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;

5:
hij op 12 november 2015 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, wapens van categorie I, onder 3 en 6, te weten twee werpsterren en een katapult voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij zijn de bijzondere voorwaarden bepaald inhoudende een meldplicht en begeleiding bij of door de reclassering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met anderen een hennepplantage opgezet in zijn woning, namelijk in de kelder van de garage. Gedurende een periode heeft hij zich daar bezig gehouden met het - kort gezegd - telen van hennep. De uit hennepplanten verkregen stof THC is schadelijk voor de volksgezondheid. Mede daarom heeft de wetgever het telen van hennep en/of de handel daarin verboden. De hennepteelt en de handel in hennep gaat vaak gepaard met maatschappelijk onwenselijke effecten. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich hier kennelijk niet om heeft bekommerd en louter uit winstbejag heeft gehandeld.

Daarnaast hebben de verdachte en zijn mededaders door het verbreken van de zegels van de meterkast gedurende die periode elektriciteit gestolen van Liander B.V. Dit is een ergerlijk feit, waardoor de elektriciteitsmaatschappij benadeeld is. Voorts is door deze illegale elektriciteitsaansluiting sprake van een handelwijze waarbij niet is voldaan aan de veiligheidsvoorschriften.

Bovendien heeft de verdachte een riotgun, een dubbelloops hagelgeweer, munitie, twee werpsterren en een katapult voorhanden gehad. Wat er ook zij van de stelling van de verdachte dat hij die wapens uit hoofde van zijn hobby voorhanden had, gelet op de omstandigheden waaronder die wapens in de woning van de verdachte zijn aangetroffen, namelijk op diverse etages, brengt dit onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich mee. Ook dit is een ernstig feit nu ongecontroleerd wapenbezit onaanvaardbare risico’s en gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich brengt.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 februari 2018 is hij eerder voor het voorhanden hebben van wapens onherroepelijk veroordeeld, waarbij de verdachte nog in een proeftijd liep, ten tijde van onderhavige overtreding.

Het hof houdt in het voordeel van de verdachte echter wel rekening met de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken. De verdachte heeft thans een woning, hij probeert in de schuldsanering te komen en zijn zoon van 17 jaar woont bij hem in huis. Het hof acht het raadzaam deze ontwikkeling niet door het opleggen van een (lange) vrijheidsbenemende straf te doorbreken. Daarom zal het hof het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf beperken tot de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en hem verder een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen. Daarnaast acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan enig strafbaar feit. Gelet op de omstandigheden waaronder de feiten hebben plaatsgevonden ziet het hof, met de advocaat-generaal, aanleiding om daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht en reclasseringstoezicht op te leggen

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 4 februari 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 (één) maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Anders dan door de raadsman is bepleit ziet het hof geen aanleiding voor een omzetting van de voorwaardelijk opgelegde straf in een taakstraf. De verdachte heeft ervoor gekozen om opnieuw strafbare feiten te plegen terwijl de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf nog niet was verstreken. Nu de duur van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf relatief gering is, zal dit hetgeen hiervoor bij de strafmaat is overwogen niet in de weg staan.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing tot vrijspraak ter zake van het onder 5 impliciet cumulatief ten laste gelegde voorhanden hebben van acht pijlen.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 118 (honderdachttien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

 zich binnen vijf dagen volgens op het onherroepelijk worden van het arrest zal melden bij Reclassering Nederland, Zijlweg 148c te Haarlem, zo lang en frequent als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht, voor maximaal één jaar;

 zich houdt aan de aanwijzingen en voorwaarden hem door en/of namens Reclassering Nederland te geven, voor maximaal één jaar.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 4 februari 2015, parketnummer 15-089872-14, te weten van:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.C. Römer en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van

mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 maart 2018.

Mrs. A.D.R.M. Boumans en P.C. Römer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]