Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2428

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
23-003362-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis behalve ten aanzien van de straf en met wijziging bewijsoverweging. Toepassing 9a. Benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering. Onevenredige belasting strafproces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003362-17

datum uitspraak: 13 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 september 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-014676-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde geldboete en de beslissing op de vordering benadeelde partij - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof de in de aantekening van het mondeling vonnis onder 3. opgenomen bewijsoverweging vervangt door de navolgende bewijsoverweging.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van de wederrechtelijkheid van verdachtes handelen. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat sprake was van een heterdaadsituatie en de reactie van de verdachte in dat verband proportioneel was.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer een trap tegen de stilstaande auto waarin de verdachte zat heeft gegeven en vervolgens doorfietste. Het hof acht het begrijpelijk dat de verdachte naar aanleiding van die trap contact met het slachtoffer wilde om eventuele schade te regelen. Het hof acht het dan ook gerechtvaardigd dat de verdachte het slachtoffer heeft aangeroepen en achter hem is aangerend en hem tot stoppen heeft willen manen toen het slachtoffer in het geheel niet voornemens bleek zijn fiets tot stilstand te brengen. Het hof is evenwel van oordeel dat de verdachte door het slachtoffer een harde duw te geven terwijl hij fietste de grenzen van proportionaliteit heeft overschreden.

Hoewel het hof de verklaring van de verdachte dat hij niet de bedoeling heeft gehad om het slachtoffer letsel toe te brengen maar hem slechts tot stilstand wilde brengen niet onaannemelijk acht, is het hof van oordeel dat de verdachte door een rijdende fietser een harde duw te geven bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de fietser ten val zou komen en daardoor pijn zou ondervinden of letsel zou bekomen.

Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis, met de bepaling dat de verdachte die geldboete in termijnen van € 50,00 mag betalen.

De raadsman van de verdachte heeft – indien het hof tot een bewezenverklaring komt – verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel, omdat sprake is van medeschuld van de aangever.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,00, subsidiair 8 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft daarnaast gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof is in hoger beroep, gesteld voor de vraag of en zo ja, welke straf of maatregel dient te worden opgelegd, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft het slachtoffer mishandeld door hem van de fiets af te duwen. Het slachtoffer heeft daardoor letsel bekomen en pijn ondervonden.

Gelet op de omstandigheden waaronder het feit is begaan heeft het slachtoffer ook een aandeel in het conflict gehad en hoewel de verdachte met zijn handelen de grens van de proportionaliteit heeft overschreden is het hof van oordeel dat geen straf of maatregel moet worden opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.985,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 682,98. De benadeelde partij heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdediging heeft aangevoerd dat de schade mede het gevolg is van de gedragingen die zijn toe te rekenen aan de benadeelde partij en voorts onvoldoende is onderbouwd. Behandeling van de vordering levert naar het oordeel van het hof gelet op de omstandigheden zoals gebleken uit het dossier een onevenredige belasting van het strafgeding op nu een goede beoordeling van de vordering nader onderzoek vergt naar onder meer de vraag of en zo ja, in hoeverre, sprake is van eigen schuld van de zijde van de benadeelde partij. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde geldboete en de beslissing op de vordering benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van A.D. Renshof, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 juli 2018.

mr. N.C. Laatsch is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[...]