Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2424

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
23-004255-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis met aanvulling bewijsmiddel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004255-17

datum uitspraak: 13 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-152105-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde taakstraf, het opgelegde gebiedsverbod en de beslissing op de vordering benadeelde partij - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:

- begrijpt dat de bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen opgenomen onder 1 t/m 4 in het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 november 2017;

- de bewijsmiddelen aanvult met het hierna te noemen bewijsmiddel.

Bewijsmiddel

Een geschrift, aangeduid als “brief door [naam 1], Arts-assistent Neurologie-volwassenen” van 16 september 2016 van AMC SEH, opgemaakt door [naam 2], SEH-arts KNMG, [naam 1], Arts-assistent Neurologie-volwassenen en prof. dr. [naam 3], neuroloog.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Patiënt [naam 4] bezocht 15-9-16 om 15:56 de Spoedeisende Hulp.

Reden van komst:

Mishandeling

Lichamelijk onderzoek:

A: vrij, CWK drukpijn C3-C6. Rode striemen hals.

B; symmetrische thoraxexcursies, NAG. Geen thoracale compressiepijn. Wel drukpijn rechterzijde thorax, costa 6-8.

D: EMV 15. Georiënteerd in TRIAS. Pupillen isocoor en lichtreactief. Rechterzijde hoofd 2 kleine hematomen en aan bovenzijde hoofd een deel van het haar verdwenen.

E: TWK en LWK niet drukpijnlijk. Paravertebraal van TWK wel drukpijn.

Over beide armen en benen verschillende echymosen. Geen verdenking facturen.

Conclusie:

Mishandeling door onbekende man. Geen traumatische afwijkingen, behoudens enkele hematomen.

Neurologie

Neurologisch onderzoek:

Rechterzijde hoofd 2 kleine hematomen en op bovenzijde hoofd kale plek.

Conclusie: licht schedelhersenletsel.

Het hiervoor vermelde bewijsmiddel is slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

Voorts heeft de politierechter de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een gebiedsverbod voor de duur van twee jaren met een vervangende hechtenis voor de duur van 1 week, iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De politierechter heeft bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Voor het opnieuw opleggen van een gebiedsverbod ziet de advocaat-generaal gelet op het tijdverloop geen aanleiding.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht om, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, de verdachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijk taakstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft de keel van aangeefster dichtgeknepen tijdens het uitoefenen van haar werk, aan haar haren getrokken, waardoor een pluk haar uit haar hoofd is getrokken en tegen haar hoofd en bovenlichaam geschopt. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar naast pijn en letsel zeer angstige momenten bezorgd. Ook pleegt dit soort feiten gevoelens van angst en onrust te veroorzaken, onder meer bij collega’s van aangeefster. Het betreft hier een kwetsbare beroepsgroep die haar diensten verleent aan veelal voor hen onbekende mannen in een afgesloten werkruimte.

Voor het opleggen van een geheel voorwaardelijke taakstraf, zoals door de raadsman is verzocht, acht het hof het bewezenverklaarde feit te ernstig.

Voor het opleggen van een gebiedsverbod ziet het hof gelet op het tijdverloop en de omstandigheid dat de verdachte het verbod heeft geëerbiedigd geen aanleiding.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [naam 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.750,00, waarvan € 2.000,00 op materieel geleden schade ziet en

€ 750,00 dat ziet op immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00, waarvan € 1.250,00 ziet op materieel geleden schade en € 750,00 op immaterieel geleden schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot hetzelfde bedrag als door de rechter in eerste aanleg is toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren wegens onvoldoende onderbouwing.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade is het hof van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. In zoverre kan de benadeelde partij in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof als volgt.

Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden. Hierbij moet de rechter rekening houden met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel, te weten licht schedelhersenletsel en enkele hematomen, opgelopen en heeft uitvoerig uiteengezet welke impact het bewezenverklaarde heeft gehad op haar persoonlijke leven en op de wijze waarop zij nadien haar werkzaamheden heeft uitgeoefend. Gelet op die concrete onderbouwing en bij gebreke van enige gemotiveerde betwisting van die omstandigheden en van de gevorderde bedragen zijdens de verdachte, leent de vordering zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot het bedrag van € 750,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde taakstraf, het opgelegde gebiedsverbod en de beslissing ten aanzien van de vordering benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [naam 4]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 4] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam 4], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 september 2016.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. M.L. Leenaers en mr. N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van A.D. Renshof, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 juli 2018.

mr. N.C. Laatsch is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]