Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2413

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
200.234.375/ 01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 1:265b, eerste lid, BW. Machtiging uithuisplaatsing niet noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.234.375/ 01

zaaknummer rechtbank: C/13/639112 / JE RK 17-1185

beschikking van de meervoudige kamer van 10 juli 2018 inzake

[X] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.S. Bijsterbosch te Den Haag,

en

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Haaglanden, locatie Den Haag,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [Y] (hierna te noemen: de vader);

- de minderjarige [A] (hierna te noemen: [kind a] );

- de minderjarige [B] (hierna te noemen: [kind b] );

- de minderjarige [C] (hierna te noemen: [kind c] );

- de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna te noemen: de GI).

Als informant is opgeroepen:

- Bureau Jeugdzorg Haaglanden.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de mondelinge uitspraak van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 1 december 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer en vastgelegd in een proces-verbaal.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De moeder is op 28 februari 2018 in hoger beroep gekomen van een deel van de uitspraak van 1 december 2017.

2.2.

De vader heeft op 10 april 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting, in aanwezigheid van de griffier, met [kind a] en [kind b] gesproken. Ter zitting van 30 mei 2018 heeft de voorzitter de inhoud van dat gesprek zakelijk weergegeven. Partijen hebben gelegenheid gehad daarop te reageren.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 30 mei 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw S. Klaij;

- de vader, bijgestaan door mr. Z. Taspinar, advocaat te Amsterdam;

- de GI, vertegenwoordigd door twee medewerkers.

3 De feiten

3.1.

Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de moeder en de vader zijn geboren:

- [kind a] , [in] 2002;

- [kind b] , [in] 2003; en

- [kind c] , [in] 2007.

De vader en moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind a] , [kind b] en [kind c] (hierna tezamen ook: de kinderen). De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

3.2.

De kinderen zijn bij de, in zoverre niet bestreden, uitspraak van 1 december 2017 voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld van de GI.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden uitspraak is, voor zover thans van belang, op het daartoe strekkende verzoek van de raad, machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader verleend voor de duur van twaalf maanden, te weten tot 1 december 2018.

4.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, het verzoek van de raad alsnog af te wijzen.

4.3.

De raad verzoekt de bestreden uitspraak te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.2.

De moeder betoogt dat de gronden voor uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van de bestreden uitspraak niet aanwezig waren en ook thans niet aanwezig zijn. Zij heeft daartoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd. De noodzaak voor uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader is niet gebleken. Er hebben zich incidenten voorgedaan, maar er is nooit sprake geweest van een onveilige situatie voor de kinderen of een anderszins ernstige situatie op grond waarvan de kinderen niet bij de moeder kunnen wonen. Bovendien was de nieuwe relatie van de moeder veelal de oorzaak van de spanningen en die relatie is inmiddels verbroken. De moeder heeft altijd voldoende meegewerkt met de hulpverlening; er is echter onvoldoende ingezet op hulpverlening gericht op verblijf bij de moeder. De door de raad geformuleerde doelen kunnen ook behaald worden indien de kinderen bij de moeder wonen. Zij kan de kinderen, beter dan de vader, de hulp en ondersteuning bieden die zij zo hard nodig hebben. Bovendien geven ook de kinderen zelf aan dat ze graag bij haar willen wonen, aldus de moeder.

5.3.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat de gronden voor uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van de bestreden uitspraak aanwezig waren en ook thans aanwezig zijn. Destijds, in de zomer van 2017, was sprake van een zeer onrustige en onstabiele situatie. De situatie bij de moeder thuis was, mede door de weerstand van de kinderen tegen haar partner, zeer zorgelijk. De kinderen werden ernstig belast met de negatieve sfeer tussen de ouders en de onzekerheid omtrent hun verblijfplaats. Ook thans bestaat de noodzaak voor uithuisplaatsing. Er is nog altijd veel strijd tussen de ouders. De kinderen worden belast met volwassenenproblematiek en hebben te maken met een loyaliteitsconflict. Zij voelen de noodzaak om tussen de ouders te kiezen en zij komen niet toe aan hun eigen ontwikkelingstaken. Het is op dit moment nog te onduidelijk welke verblijfplaats het meest in het belang van de kinderen is. Alvorens dat te kunnen bepalen, dient eerst nader onderzoek verricht te worden en het verloop van het Kopp-traject te worden afgewacht, aldus de raad.

5.4.

Ook de vader stelt dat de gronden van artikel 1:265b, eerste lid, BW aanwezig zijn. Er heeft een uitgebreid onderzoek plaatsgevonden door de raad, waaruit blijkt dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling en opvoedingsomgeving van de kinderen bij de moeder. Er hebben meerdere conflicten plaatsgevonden tussen de moeder en de kinderen. De moeder heeft verschillende malen laten weten dat zij de opvoeding van de kinderen niet meer aankon. Zij heeft voorts hulpverlening gericht op haar thuissituatie geweigerd. Een ernstig loyaliteitsconflict is op zichzelf staand reeds voldoende grond voor een uithuisplaatsing bij de andere ouder. In de huidige situatie gaat het goed met de kinderen. De situatie bij de vader is stabieler en rustiger dan bij de moeder. Het is niet in het belang van de kinderen om wederom van opvoedomgeving te moeten wisselen, aldus de vader.

5.5.

Het hof overweegt als volgt. Ter beoordeling van het hof ligt voor of ten tijde van de bestreden uitspraak en ook thans nog, voldaan is aan de gronden voor uithuisplaatsing. Dat komt in de onderhavige situatie neer op de vraag of de uithuisplaatsing noodzakelijk is (geweest) in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er zorgen waren en zijn omtrent de kinderen en de opvoedsituatie bij de moeder. Partijen zijn sinds hun uiteengaan verwikkeld in een ernstig conflict. De kinderen worden daarmee belast, maken zich zorgen om hun ouders en hebben last van loyaliteitsproblematiek. Dit heeft zijn weerslag op de opvoedsituatie van de kinderen. In de periode dat de kinderen bij de moeder in [woonplaats] hebben gewoond (ruim een jaar), was er regelmatig sprake van spanningen; deels kwamen deze spanningen voort uit problemen tussen de kinderen en de nieuwe vriend van moeder. Het was een zware tijd, zowel voor de kinderen als voor de moeder.

Het hof is echter van oordeel dat ten tijde van de bestreden uitspraak en ook thans geen sprake was van een situatie die een uithuisplaatsing in voldoende mate rechtvaardigt. Hoewel gebleken is dat er zorgen zijn omtrent de kinderen en de opvoedsituatie bij de moeder, zijn deze zorgen, bezien in het licht van de hulpverleningsmogelijkheden, van onvoldoende gewicht om te concluderen dat een uithuisplaatsing in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Het betreft hier een streng criterium waaraan niet is voldaan. Onvoldoende gebleken is dat de moeder niet bereid is medewerking te verlenen aan de hulpverlening, die nodig is om de in het raadsrapport opgesomde doelen te bereiken gericht op – kort gezegd - het waarborgen van een veilige en stabiele opvoedplek en het verminderen van de strijd tussen de ouders. Ook neemt het hof in zijn overweging mee dat [kind a] en [kind b] beiden tegen de voorzitter hebben verklaard dat zij graag weer bij de moeder willen wonen en dat door de moeder ter zitting van het hof is verklaard dat haar relatie inmiddels (definitief) is beëindigd.

Het hof acht voorts van belang dat de moeder ter zitting in hoger beroep heeft verklaard te allen tijde bereid te zijn mee te werken aan hulpverlening in het belang van haar kinderen.

5.6.

Ten overvloede overweegt het hof het volgende. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat thans een procedure wordt gevoerd over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Nu bij het bepalen van de hoofdverblijfplaats een ander criterium van toepassing is dan bij het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing, te weten welke hoofdverblijfplaats in het belang van de kinderen wenselijk is, hoeft de in deze beschikking genomen beslissing niet richtinggevend te zijn voor de in de procedure over de hoofdverblijfplaats van de kinderen te verrichten belangenafweging.

5.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de uitspraak waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en, in zoverre, opnieuw recht doende:

wijst alsnog af het inleidend verzoek van de raad tot verlening van de machtiging uithuisplaatsing met betrekking tot de kinderen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M.J. Leijdekker en mr. T.M. Subelack, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier en is op 10 juli 2018 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.