Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2412

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
200.227.726/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verrekening polissen levensverzekering en overgespaarde inkomsten. Gelden tijdens huwelijk geconsumeerd. Afgifte financiële bescheiden.

Staat van aanbrengsten bij huwelijkse voorwaarden. Beroep tot betaling door de vrouw van een door de man aangebrachte vordering op de vrouw in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.227.726/01

zaaknummer rechtbank: C/13/624739 / FA RK 17-1312

beschikking van de meervoudige kamer van 10 juli 2018 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F.A.E. Ohlenroth te Leiden,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.H.J. Bartman te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2017 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 2 november 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 2 augustus 2017.

2.2

De man heeft op 15 januari 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

Op 27 maart 2018 heeft de vrouw een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 24 mei 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

3. De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1975 onder het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd. Hun huwelijk is op 22 januari 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 17 mei 2017 in de registers van de burgerlijke stand.

Partijen leven sinds juli 2013 gescheiden.

3.2

In de door partijen op 20 november 1975 overeengekomen huwelijkse voorwaarden is, voor zover thans van belang, het navolgende bepaald:

Artikel 1

Er zal tussen de echtgenoten geen gemeenschap van goederen bestaan, zodat ieder van hen eigenaar zal zijn en blijven van alle door hem of haar ten huwelijk aangebrachte en van alle gedurende het huwelijk verkregen zaken.

(…)

Artikel 4

De kosten van de huishouding en die van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen (…) zullen uit de inkomsten van de echtgenoten worden betaald, zonder dat dit tot enige onderlinge verrekening aanleiding zal geven.

Overtreffen die kosten (…) in enig jaar de gezamenlijke inkomsten, dan zal het meerdere uit de vermogens van de echtgenoten worden betaald, zo mogelijk door ieder van hen voor de helft. Ook te dezer zake zal nimmer enige verrekening plaats hebben. Indien in de loop van enig kalenderjaar blijkt dat een gedeelte van de inkomsten der echtgenoten of een hunner, genoten in het onmiddellijk daaraan voorafgegane kalenderjaar niet werd aangewend tot bestrijding van de in lid 1 bedoelde kosten (…), dan zal binnen vier maanden nadat dit is gebleken, het aldus overgespaarde bedrag tussen de echtgenoten bij helften worden gedeeld.

De echtgenoten zijn verplicht elkander desverlangd volledige gegevens te verschaffen omtrent de genoten inkomsten en de daaruit betaalde kosten en belastingen.

De hiervoor omschreven verplichting van de echtgenoten eindigt, indien de gemeenschappelijke huishouding ophoudt te bestaan (…).

Aan de akte huwelijkse voorwaarden is een staat van aanbrengsten van zaken gehecht, alsmede een schuldbekentenis van de vrouw waarin zij verklaart wegens te leen ontvangen gelden fl. 15.000,- aan de man te zijn verschuldigd.

3.3

Aan het periodiek verrekenbeding als in artikel 4 weergegeven, is tijdens het huwelijk geen uitvoering gegeven.

3.4

De peildatum voor de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen is bij beschikking van 17 mei 2017 met instemming van partijen bepaald op 1 juli 2013.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad:

- aan de vrouw en de man toebedeeld de roerende zaken en overige inboedel zoals in het dictum van de beschikking nader genoemd;

- vastgesteld dat tot het te verrekenen vermogen behoren de saldi per 1 juli 2013 op de bankrekening op naam van de vrouw en op de vijf bankrekeningen op naam van de man, met uitzondering van een bedrag van € 28.000,- op naam van de man.

4.2

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre,

primair:

I de man te veroordelen tot afgifte aan de vrouw van zijn financiële bescheiden, bestaande uit bankafschriften van al zijn bank- en effectenrekeningen, belastingaangiften en aanslagen en alle financiële stukken omtrent de hypothecaire leningen en levensverzekeringspolissen, over de periode van het huwelijk;

II te bepalen dat de vrouw een direct opeisbare vordering op de man zal hebben ter hoogte van de bedragen die zijn uitbetaald als uitkering op de polissen zoals in het beroepschrift vermeld van in totaal € 78.517,-, waarbij de vrouw zich het recht voorbehoudt haar vordering te wijzigen na inzage in de financiële bescheiden van de man;

III te bepalen dat een makelaar zal worden benoemd teneinde de echtelijke woning te taxeren, opdat kan worden vastgesteld wat de huidige waarde van die woning is opdat kan worden vastgesteld op welk bedrag van de waardestijging van deze woning de vrouw recht kan doen gelden;

IV te bepalen dat het deel van de waardestijging dat de vrouw toekomt, zal worden berekend en dat dit bedrag een door de vrouw opeisbare vordering op de man zal zijn;

V te bepalen dat indien blijkt dat de man anderszins tot het te verrekenen vermogen bedragen belegd heeft, ook deze vermogensvermeerdering voor verdeling vatbaar is, waardoor de vrouw een nader te bepalen opeisbare vordering op de man zal hebben,

subsidiair:

VI te bepalen dat de vrouw een direct opeisbare vordering zal hebben op de man ter hoogte van het bedrag van de helft van de gemeenschapsgelden die thans naar voren zijn gekomen, en in deze procedure nog naar voren zullen komen,

met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

4.3

De man verzoekt in principaal appel de verzoeken van de vrouw af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de man, naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de vrouw te veroordelen tot het betalen aan hem van het bedrag van fl. 15.000,- zoals genoemd in de aan de huwelijkse voorwaarden gehechte schuldbekentenis, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.

4.4

De vrouw verzoekt in incidenteel appel het door de man verzochte af te wijzen.

5 De beoordeling van het hoger beroep

in principaal hoger beroep

5.1

De eerste grief van de vrouw ziet op de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van de vrouw tot inzage van de bankafschriften van de man vanaf januari 2004. Met haar tweede grief vult de vrouw haar verzoek in eerste aanleg aan, aldus dat zij thans verzoekt verrekening van een drietal polissen levensverzekering en een uitbetaling door de notaris, al dan niet door middel van verdeling dan wel verrekening van de waardestijging van de woning van de man aan de [adres] te [plaats] en de eventuele andere beleggingen van de man. Met betrekking tot de polissen en de uitbetaling door de notaris heeft de vrouw zich tevens op het standpunt gesteld dat sprake is van opzettelijk verzwijgen van een tot het te verrekenen vermogen behorend goed, zodat de waarde daarvan geheel aan de vrouw dient te worden vergoed. Het hof ziet aanleiding eerst de tweede grief te bespreken.

5.2

Aan haar aanvullende verzoek heeft de vrouw ten grondslag gelegd dat staande het huwelijk met overgespaarde inkomsten is afgelost op de hypothecaire geldlening, waardoor voor de vrouw een recht op de waardestijging van de woning is ontstaan, alsmede dat overgespaarde inkomsten van partijen zijn uitbetaald op de bankrekeningen van de man, waardoor een vergoedingsrecht voor de vrouw is ontstaan. Volgens de vrouw betreft het aflossingen dan wel uitbetalingen die zijn geschied door middel van de afkoop van de verzekeringspolissen L10115987 groot € 53.002,03, L10401991 groot € 13.613,- en L10115967 groot € 3.511,97, alsmede de uitbetaling overeenkomstig de nota van afrekening van 11 september 1996 van notaris H. Bellaar van fl. 18.834,20.

5.3

De man heeft met betrekking tot voormelde polissen en de uitbetaling door de notaris, onderbouwd met stukken zoals overgelegd als productie 3 bij het verweerschrift in hoger beroep, het volgende aangevoerd. De man kent geen polis met nummer L10115987. Wel bekend is een levensverzekering met polisnummer L10115967. Dit is een voortzetting van de polis LA 1180470, met ingangsdatum 1 december 1972, die was afgesloten bij de aankoop van de eerste woning van de man. Bij brief van 20 december 1991 heeft Aegon Verzekeringen aan de man bericht dat de polis LA 1180470 was omgezet en zou worden voortgezet onder polisnummer L10115967. Nadat in oktober 2004 bleek dat sprake was van een zogenaamde woekerpolis, is de man met Aegon Verzekeringen - ter compensatie van het verlies aan betaalde premies - overeengekomen dat hij zijn opgebouwde pensioenwaarde kon terugkrijgen en tevens de hypotheek H7025059 in november 2014 aflossingsvrij kon maken en verlengen naar 1 juli 2041. Wel diende de man de kosten voor het wijzigen van de hypotheek ten bedrage van € 3.511,97 te betalen. Dit bedrag is vanuit de teruggave van de polisgelden betaald. Ter zake van de polis levensverzekering L10115967 ontving de man derhalve € 56.514,- terug, in die zin dat een bedrag van € 3.511,97 is aangewend voor de betaling van de kosten verbonden aan het wijzigen van de hypotheekvoorwaarden en dat het restant van € 53.002,03 op 8 december 2004 op zijn bankrekening is uitbetaald. Dit laatste bedrag is volgens de man door partijen in echtelijke staat geconsumeerd. Op de hypotheek is volgens de man niet afgelost. Met betrekking tot de polis L10401991 heeft de man aangevoerd dat hij in verband met de aankoop van een opvolgende woning een overbruggingskrediet nodig had en daarom op 11 september 1996 een tweede hypothecaire geldlening (H7386741) is aangegaan. Tevens heeft de man met ingang van 1 oktober 1996 een verzekering (polis L10401991) afgesloten met een op 1 oktober 2011 uit te keren verzekerd kapitaal van € 13.613,-. De tweede hypotheek is in 2011 eveneens omgezet in een aflossingsvrije hypotheek. Op 1 oktober 2011 is € 13.613,- op de bankrekening van de man uitgekeerd. Dit bedrag is volgens de man eveneens in echtelijke staat geconsumeerd. Ook op de tweede hypotheek is niet afgelost, aldus de man. Met betrekking tot de uitkering door de notaris op 11 september 1996 heeft de man tot slot aangevoerd dat dit bedrag het restant is van de uitbetaling van de tweede hypotheek verminderd met het overbruggingskrediet en bijbehorende kosten en dat ook deze gelden tijdens de echtelijke staat zijn geconsumeerd.

5.4

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van de door haar gestelde overgespaarde inkomsten. Weliswaar heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep vraagtekens geplaatst bij het standpunt van de man dat de hiervoor genoemde uitkeringen/betalingen tijdens het huwelijk zijn geconsumeerd, en heeft zij erop gewezen dat partijen tijdens het huwelijk een goed inkomen hadden en zeer beperkte uitgaven, doch zij heeft nagelaten dit standpunt te specificeren. De enkele vermelding van het huidige pensioen van de man, waaruit dan wordt afgeleid dat de man gemiddeld ongeveer € 60.000,-- bruto per jaar zal hebben verdiend, is daartoe onvoldoende, nu daarmee nog niets is gezegd over de maandelijkse lasten van partijen ten tijde van het huwelijk, laat staan in de periode vanaf 1996 tot het einde van de samenwoning in 2013. De vrouw heeft ook overigens geen feiten of omstandigheden gesteld die het vermoeden rechtvaardigen dat de door de man ontvangen gelden in een periode van ruim 17 jaar niet zijn geconsumeerd, doch op enigerlei wijze door de man zijn achtergehouden, althans direct dan wel indirect nog ergens aanwezig zijn. Van het opzettelijk verzwijgen dan wel verborgen houden van de uitbetaling door de notaris en van de polissen zoals door de vrouw betoogd, is dan ook niet gebleken.

Tot slot geldt dat de man onweersproken heeft aangevoerd dat op beide hypotheken niet is afgelost, zodat reeds om die reden de stelling van de vrouw faalt dat voor haar een recht op de waardestijging van de woning is ontstaan. De vrouw heeft in dit verband nog aangevoerd dat het de bedoeling van partijen was dat met de ontvangen gelden op de hypotheken zou worden afgelost. Indien en voor zover echter al van de juistheid van die stelling zou moeten worden uitgegaan, geldt dat niet is gesteld of gebleken dat consequenties moeten worden verbonden aan het feit dat dit niet is gebeurd. Dit betoog kan de vrouw daarom niet baten.

5.5

Het vorenoverwogene brengt mee dat de vrouw ten aanzien van de genoemde polissen en de uitkering door de notaris geen vordering heeft op de man. Aanknopingspunten voor het oordeel dat de man naast die polissen over (andere) beleggingen beschikt die al dan niet zouden moeten worden verrekend of verdeeld, liggen niet voor en zijn ook niet gebleken. Ook in zoverre is het aanvullende verzoek van de vrouw niet toewijsbaar. Haar tweede grief faalt.

5.6

De vrouw heeft in haar eerste grief verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw dient af te geven zijn financiële bescheiden, bestaande uit bankafschriften van al zijn rekeningen, effectendepots, belastingaangiften en -aanslagen en alle financiële stukken omtrent de hypothecaire leningen en levensverzekeringspolissen, over de periode van het huwelijk. Met betrekking tot dit verzoek geldt het volgende.

Blijkens de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden zijn partijen in het kader van het in artikel 4 van de voorwaarden opgenomen periodiek verrekenbeding verplicht elkaar desverlangd volledige gegevens te verschaffen omtrent de genoten inkomsten en de daaruit betaalde kosten en belastingen. Omdat aan dit periodiek verrekenbeding geen uitvoering is gegeven en van een eindafrekening sprake is, volstaan in beginsel de gegevens met betrekking tot het moment van verrekening op 1 juli 2013. Nu ten aanzien van de polissen en de uitbetaling door de notaris, zoals hiervoor is overwogen, van opzettelijk verzwijgen dan wel verborgen houden geen sprake is, en ook overigens niet van (eventuele) onjuistheden of onvolledigheden is gebleken, bestaat geen grond om dienaangaande meer of andere stukken aan de vrouw te verschaffen dan door de man tot op heden gedaan. Voor het overige geldt dat het verzoek van de vrouw onvoldoende is onderbouwd, temeer nu niet van andere beleggingen is gebleken. Het verzoek is dan ook niet toewijsbaar. Ook de eerste grief faalt.

in incidenteel hoger beroep

5.7

De man verzoekt, zo begrijpt het hof, te bepalen dat de vrouw het bedrag van fl. 15.000,-zoals genoemd in de aan de huwelijkse voorwaarden gehechte schuldbekentenis, aan de man dient te betalen. Dit bedrag is de vrouw volgens de man op grond van de schuldbekentenis gehouden aan hem te voldoen. De vrouw heeft bestreden dit bedrag aan de man verschuldigd te zijn.

5.8

Het hof overweegt als volgt. Zoals volgt uit de aan de huwelijkse voorwaarden gehechte staat van aanbrengsten van zaken heeft de vrouw een aantal roerende zaken ten huwelijk aangebracht, waaronder diverse muziekapparatuur, meubilair en een zeilboot. De man heeft blijkens de staat van aanbrengsten onder andere aangebracht de vordering op de vrouw van fl. 15.000,-. Bij de huwelijkse voorwaarden is tevens gevoegd een – niet-ondertekende – schuldbekentenis, waarin de vrouw verklaart een bedrag van fl. 15.000,- schuldig te zijn aan de man.

Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft de man verklaard dat een deel van de door de vrouw aangebrachte zaken zijn eigendom was en dat destijds, teneinde “alles in balans te brengen en het verschil in aanbreng te kapitaliseren”, ervoor is gekozen de vrouw een schuld bij de man te laten aangaan en een aantal zaken van de man door de vrouw te laten aanbrengen. Voorts heeft de man verklaard dat die aldus door de vrouw aangebrachte zaken voor gezamenlijk gebruik waren, dat de man nog over een deel van deze zaken beschikt en dat een deel daarvan niet meer in het bezit is van partijen.

In het licht van deze door de man geschetste gang van zaken en vanwege de omstandigheid dat de man nog over een deel van de blijkens de staat van aanbrengsten aan de vrouw toebehorende zaken beschikt (en kennelijk wil blijven beschikken) en de vrouw haar eigendomsrecht ten aanzien van deze door haar “aangebrachte” zaken niet zal kunnen laten gelden, is het hof met de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man tot betaling door de vrouw van fl. 15.000,- niet voor toewijzing in aanmerking komt. Nu de man heeft aangegeven dat hij een deel van de roerende zaken thans nog onder zich heeft, zou dat gegeven in het licht van de wijze waarop het beding is tot stand gekomen, op zijn minst tot een verrekening van de waarde moeten leiden. Voor dit oordeel is bovendien van belang dat de vrouw, zoals zij tijdens de behandeling in hoger beroep niet, althans onvoldoende weersproken heeft aangevoerd, eerst kort voor het tekenen van de huwelijkse voorwaarden met de staat van aanbrengsten werd geconfronteerd. Zij heeft aangegeven dat zij niet ten volle heeft beseft waarvoor zij tekende, en zij behoefde naar het oordeel van het hof ook niet te verwachten dat de verklaring van partijen opgenomen in de staat van aanbrengsten ertoe zou leiden dat enerzijds de door de man ingebrachte roerende zaken tijdens het huwelijk verbruikt zouden kunnen worden en deels weer aan de man zouden kunnen toevallen, terwijl de daar tegenover staande vordering van de man op de vrouw onverkort zou blijven bestaan. Indien het betreffende beding in de staat van aanbrengsten al de strekking heeft als door de man voorgestaan, is naar het oordeel van het hof een beroep tot betaling van het bedrag van fl. 15.000,- onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De grief in incidenteel appel faalt derhalve.

Slotsom

5.9

De slotsom van het voorgaande is dat zowel het principale als incidentele beroep niet kunnen slagen. De beschikking waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

5.12

Nu partijen gewezen echtelieden zijn ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

Het hof:

in principaal en in incidenteel hoger beroep

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.A. van den Berg, A.R. Sturhoofd en T.A.M. Tijhuis, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.