Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2405

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
200.220.116/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:3199, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beëindiging van het gezag van de vader. Kwetsbare kinderen verblijven sinds 2014 onafgebroken bij de pleegmoeder. De vader is onvoldoende in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen binnen een voor de kinderen aanvaardbaar te achten termijn te dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.220.116/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/617696/FA RK 16-7286

Beschikking van de meervoudige kamer van 10 juli 2018 inzake:

[X] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.M. van de Weijer te Amsterdam,

en

Raad voor de Kinderbescherming regio Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna te noemen: de GI);

- [Y] (hierna te noemen: de moeder);

- de hierna nader te noemen minderjarige [A] ;

- de hierna nader te noemen minderjarige [B] ;

- [Z] (hierna te noemen: de pleegmoeder).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna te noemen: de kinderrechter) van 26 april 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 25 juli 2017 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van bovengenoemde beschikking van 26 april 2017.

2.2

De moeder heeft op 21 september 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 22 augustus 2017 met een bijlage, ingekomen op diezelfde datum.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 5 maart 2018 plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door mr. S.M. van de Weijer;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw F.L.M. Huizinga;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager;

- de moeder, bijgestaan door mr. S. Jurkovich, advocaat te Amsterdam.

2.5

De pleegmoeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit de (in 2010 verbroken) relatie van de vader en de moeder (hierna gezamenlijk te noemen: de ouders) zijn - voor zover hier van belang - geboren:

- [A] (hierna te noemen: [kind a] ), [in] 2007 te [geboorteplaats] , en

- [B] (hierna te noemen: [kind b] ), [in] 2009 te [geboorteplaats] (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).

De ouders waren vanaf 20 februari 2014 tot de bestreden beschikking gezamenlijk belast het gezag over de kinderen.

3.2

De kinderen zijn in november 2013 op vrijwillige basis door de moeder bij de pleegmoeder geplaatst. Sinds januari 2014 verblijven de kinderen bestendig bij de pleegmoeder en staan zij op haar adres ingeschreven.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is op het daartoe strekkende verzoek van de raad, voor zover thans van belang, het ouderlijk gezag van de vader over de kinderen beëindigd en is de GI benoemd tot voogdes over de kinderen.

4.2

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de raad niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans het verzoek van de raad af te wijzen.

4.3

De raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof stelt voorop dat de raad bevoegd was tot het indienen van het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders over de kinderen. Anders dan de vader stelt, volgt uit artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat beëindiging van het gezag mogelijk is zonder dat daaraan voorafgaand een maatregel van ondertoezichtstelling is uitgesproken. Hieruit vloeit voort dat ook de niet met een maatregel van ondertoezichtstelling belaste GI aan de raad kan verzoeken onderzoek te doen naar beëindiging van het gezag van de ouders. Het bepaalde in artikel 1:267 lid 2 BW, waarop de vader zich beroept, maakt dat niet anders. Dit artikel ziet op een andere situatie, namelijk de situatie dat de raad na onderzoek geen noodzaak voor een kinderbeschermingsmaatregel ziet en de GI desondanks de in hun ogen mogelijk bedreigende situatie ter beoordeling aan de rechter wil voorleggen. Dit doet derhalve niet af aan de bevoegdheid van de raad tot het indienen van het onderhavige verzoek.

Het verzoek van de vader om de raad niet-ontvankelijk te verklaren zal derhalve worden afgewezen.

5.2

Ter beoordeling ligt aan het hof de vraag voor of het gezag van de vader over de kinderen moet worden beëindigd.

5.3

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 lid 1 BW kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.4

De vader betoogt dat niet wordt voldaan aan de gronden van artikel 1:266 lid 1 BW. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking ten onrechte geen feiten ten aanzien van de vader opgenomen. Hierdoor is ten onrechte niet meegenomen dat de vader vanaf de geboorte van de kinderen tot 2010 met de moeder heeft samengewoond. Vanaf het uiteengaan van de ouders heeft de vader omgang gehad met de kinderen en voor hen gezorgd op momenten waarop de moeder werkte, waardoor tussen hem en de kinderen sprake is van family life. De vader heeft ingestemd met de plaatsing van de kinderen bij de pleegmoeder, onder de mededeling dat dit tijdelijk zou zijn. De vader heeft vanaf het moment dat duidelijk werd dat de kinderen niet terug konden naar de moeder (in juli 2016) laten weten dat hij voor de kinderen wilde zorgen. De vader is echter, ondanks dat hij met het gezag over de kinderen was belast, niet bij de hulpverlening betrokken. Ook is naar hem geen onderzoek gedaan. Hierdoor kan thans niet worden gezegd dat de kinderen bij hem ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat hij niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen binnen een voor de kinderen aanvaardbaar te achten termijn te dragen. Daarbij is van belang dat de kinderen op vrijwillige basis tijdelijk bij de pleegmoeder zijn geplaatst, zodat duidelijk was dat de kinderen zouden terugkeren naar de moeder. Voorts is tijdelijke opvang binnen de familie in de cultuur van de ouders heel gebruikelijk. De kinderen zijn aan de pleegmoeder, maar ook aan de vader gehecht. De hechting met de pleegmoeder wordt niet doorbroken als de kinderen bij de vader worden geplaatst, omdat de pleegmoeder een familielid is. Niet is gebleken dat de kinderen met de juiste begeleiding en ondersteuning niet terug kunnen naar de vader. Dit kan hen juist rust bieden, waardoor zij kunnen opbloeien. Naar de mogelijkheid van een dergelijke positieve invloed van plaatsing van de kinderen bij de vader op de ontwikkeling van de kinderen is niet gekeken. In het onderhavige geval is een lichtere maatregel dan ook juist geboden, omdat dan alsnog onderzoek kan worden gedaan naar het perspectief van de kinderen. Gelet op deze omstandigheden dient de bestreden beschikking te worden vernietigd en het verzoek van de raad te worden afgewezen, aldus de vader.

5.5

De raad heeft ter zitting verweer gevoerd en betoogd dat beëindiging van het gezag van de vader noodzakelijk is in het belang van de kinderen. De kinderen wonen al lange tijd bij de pleegmoeder en zij is dan ook hun primaire opvoeder. De pleegmoeder heeft ervoor gezorgd dat de kinderen, die een onrustige voorgeschiedenis kennen, een stabiele opvoeding krijgen, waarbinnen zij zich kunnen ontwikkelen. De kinderen zijn gehecht aan de pleegmoeder. Het is in hun belang dat zij stabiliteit ervaren en dat ten aanzien van hun perspectief duidelijkheid ontstaat. De vader is destijds onvoldoende betrokken bij de hulpverlening. Desondanks had hij een actievere rol kunnen spelen in het leven van de kinderen. Het enkel laten weten dat hij beschikbaar is voor de kinderen is in dat verband onvoldoende. Op dit moment is de aanvaardbare termijn voor de kinderen verstreken. De kinderen zijn kwetsbaar, waardoor zij veel vragen van hun opvoeder. De huidige opvoedsituatie van de kinderen bij de pleegmoeder dient dan ook niet te worden doorbroken. In het kader van de beoordelingsboog die is afgenomen, is onderzoek gedaan naar de vader als opvoeder. Hieruit is naar voren gekomen dat het niet in het belang is van de kinderen om hen uit hun vertrouwde omgeving te halen en bij de vader te plaatsen. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd, aldus de raad.

5.6

De moeder betoogt dat het in het belang is van de kinderen dat de huidige plaatsing bij de pleegmoeder wordt bestendigd. De vader heeft in het verleden slechts een klein aandeel in de verzorging en opvoeding van de kinderen gehad. De vader heeft na de geboorte van de kinderen genoeg kansen gehad om zijn rol als vader omvangrijker te maken. Hij heeft deze kansen echter onbenut gelaten. De conclusie dat hij niet in staat is om de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich te nemen, is dan ook niet onjuist. Plaatsing van de kinderen bij de vader zou op dit moment een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen inhouden. De omstandigheid dat de vader dit niet inziet, laat zien dat hij zich onvoldoende kan verplaatsen in de kinderen. De kinderen hebben in het verleden veel onrust gekend. Een verhuizing betekent opnieuw een grote verandering, waaraan zij op dit moment niet moeten worden blootgesteld. Bovendien zijn de kinderen gehecht aan en vertrouwd met de pleegmoeder. De omstandigheid dat de plaatsing bij de pleegmoeder in eerste instantie tijdelijk was, is thans niet meer relevant, nu de aanvaardbare termijn voor de kinderen reeds is verstreken. Hierdoor is ook een eventueel onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de vader thans niet meer aan de orde. De kinderen zijn aan de pleegmoeder gehecht en ervaren rust en stabiliteit bij haar. Het is dan ook in hun belang om bij de pleegmoeder op te groeien. De bestreden beschikking dient derhalve te worden bekrachtigd, aldus de moeder.

5.7

De GI heeft ter zitting in hoger beroep het volgende verklaard. Op dit moment gaat het redelijk met de kinderen. Met [kind a] is het een periode minder goed gegaan. Bij hem was sprake van gedrags- en concentratieproblematiek. Uit onderzoek is gebleken dat hij op dit moment voldoende medicatie krijgt. Indien zijn problematiek aanhoudt, dient hiernaar opnieuw onderzoek te worden gedaan. Ook ten tijde van het raadsonderzoek in 2016 werd [kind a] onrustig. Op het moment waarop hij met de raad in gesprek moest, begon hij in zijn broek te plassen. Waar de huidige problematiek bij [kind a] vandaan komt, is thans nog niet geheel duidelijk. Spirit is reeds lange tijd betrokken bij de pleegzorgplaatsing. De ouders zijn aanwezig bij uitvoerdersoverleggen en het contact tussen hen en de pleegmoeder is over het algemeen goed. Daarbij laten zij zaken die moeten worden geregeld, zoals waar de kinderen op bijzondere (feest-)dagen verblijven, over aan de GI. Het is in het belang van de kinderen dat de ouders dergelijke zaken in onderling overleg met de pleegmoeder regelen, aldus de GI.

5.8

Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. In november 2013 heeft de moeder de kinderen vanwege haar persoonlijke problematiek bij de pleegmoeder gebracht. De kinderen hebben nadien gedurende een korte periode weer bij de moeder verbleven. Sinds januari 2014 verblijven zij onafgebroken bij de pleegmoeder. In februari 2014 zijn de ouders gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. In deze periode heeft de pleegmoeder contact gezocht met de GI. De kinderen vertoonden gedragsproblemen en de pleegmoeder had behoefte aan pleegzorgbegeleiding. De gedragsproblemen bestonden bij [kind a] onder andere uit jokken, niet luisteren, schreeuwen, stampen, continue aandacht vragen en in bed plassen. [kind b] vroeg veel positieve aandacht, plaste in bed, vertoonde babygedrag (jengelen) en was in zichzelf gekeerd op momenten waarop hij boos was. Ook leken de kinderen soms last te hebben van het ontbreken van de moeder. Eind augustus 2014 zijn de kinderen door de school aangemeld bij PIT en Oase van de Bascule. Uit onderzoek aldaar is naar voren gekomen dat bij [kind a] sprake was van concentratiemoeilijkheden. Ook was hij zwak in het opslaan en reproduceren van talige informatie en om betekenis te verlenen aan gesproken taal en dit om te zetten in gedrag. Uit een intelligentieonderzoek kwam naar voren dat [kind a] presteert op de bovengrens van een gemiddeld intelligentieniveau. In september 2015 hebben de ouders toestemming gegeven voor hulpverlening voor [kind a] vanuit Oase in de Bascule. Aldaar is [kind a] na onderzoek gediagnostiseerd met een oppositionele gedragsstoornis (ODD) en een aandachttekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD). Daarnaast was bij hem sprake van problemen binnen de primaire steungroep, schoolproblemen, problemen met leeftijdsgenoten en opvoedproblemen. Naar aanleiding hiervan in voor [kind a] cognitieve gedragstherapie ingezet. Deze behandeling is in mei 2016 afgesloten. De einddiagnose was ODD (gedeeltelijk in remissie) en ADHD. Daarnaast bleef sprake van de geschetste problematiek en was sprake van wisselend functioneren met sporadisch voorkomende moeilijkheden of symptomen op verschillende maar niet alle sociale gebieden. De gedragsproblemen van de kinderen namen sinds de inzet van PIT en Oase aanzienlijk af; zowel de school als de pleegmoeder ervaarde minder gedragsproblemen bij de kinderen. In april 2016 liet de moeder aan de GI weten de kinderen na de zomervakantie van 2016 terug te willen. Na gesprekken tussen de moeder en de hulpverlening is overeengekomen dat het beter was voor de kinderen om bij de pleegmoeder te blijven wonen. De vader is in juni 2016 door de GI betrokken bij de hulpverlening. In juli 2016 gaf hij bij de GI aan dat hij wilde dat de kinderen bij hem zouden komen wonen. De GI heeft daarop aan de raad verzocht om onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel. De GI achtte dit noodzakelijk om de stabiliteit en de woonsituatie voor de kinderen bij de pleegmoeder te continueren. Ten tijde van het raadsonderzoek liet [kind a] een terugval zien in zijn gedrag. [kind a] werd zenuwachtig van het gesprek met de raadsonderzoeker en had opnieuw last van broekplassen. In deze periode was van een structurele omgangsregeling tussen de ouders en de kinderen geen sprake. De moeder zag de kinderen regelmatig en de kinderen logeerden af en toe bij de vader.

Uit een telefonisch gesprek van 23 februari 2018 tussen de raadsonderzoeker en de gezinsmanager blijkt dat het op dit moment goed gaat met de kinderen. Zij hebben het naar hun zin bij de pleegmoeder en hebben inmiddels structureel omgang met de ouders. Wel zijn de afgelopen periode de gedragsproblemen van [kind a] opnieuw toegenomen. Bij het BovenIJ ziekenhuis wordt daarom bekeken of hij is gebaad bij een verhoging van zijn medicatie. De GI heeft de afgelopen periode ingezet op het verbeteren van de relatie tussen de ouders en de pleegmoeder. De onderlinge communicatie tussen hen is verbeterd en de samenwerkingsrelatie is inmiddels goed. Het toekomstperspectief van de kinderen ligt volgens de GI nog steeds bij de pleegmoeder. Zij kan de kinderen de zorg en aandacht bieden die zij nodig hebben. Een wisseling in hun leefomgeving en hun huidige stabiele situatie zou niet in het belang zijn van de kinderen, aldus de GI.

5.9

Het hof is gelet op het vorenstaande met de rechtbank en de raad van oordeel dat de vader niet, althans onvoldoende in staat moet worden geacht om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen binnen een voor de kinderen aanvaardbaar te achten termijn te dragen. De kinderen verblijven sinds januari 2014 onafgebroken bij de pleegmoeder en dienen thans duidelijkheid te krijgen over waar zij mogen opgroeien. De vader is reeds in februari 2014 samen met de moeder belast met het gezag over de kinderen. Hij heeft zich in deze periode niet verzet tegen de plaatsing van de kinderen bij de pleegmoeder en hun feitelijke woonplaats aldaar geaccepteerd. Ook heeft hij in 2015 toestemming gegeven voor het onderzoek naar de kinderen in de Bascule. De vader voert aan dat hij dit alles heeft gedaan in de veronderstelling dat het verblijf bij de pleegmoeder tijdelijk zou zijn, namelijk totdat de kinderen weer naar de moeder zouden terugkeren. Dat verandert echter niets aan het feit dat de kinderen inmiddels ruim vier jaar bij de pleegmoeder verblijven. Gebleken is dat zij het daar goed hebben en rust en stabiliteit ervaren. Door hetgeen de kinderen in het verleden hebben meegemaakt, waaronder het weggaan van de moeder, zijn zij kwetsbaar, hetgeen veel vraagt van hun opvoeder. Daarbij komt dat bij de kinderen sprake is van gedragsproblematiek, welke problematiek bij [kind a] de afgelopen periode opnieuw is toegenomen. De kinderen hebben hierdoor extra en structurele ondersteuning nodig. Ondanks de geschetste problematiek hebben de kinderen de afgelopen jaren bij de pleegmoeder een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Zij doen het goed op school en hebben het naar hun zin bij de pleegmoeder. Deze positieve ontwikkeling dient te worden voortgezet teneinde te voorkomen dat de kinderen (wederom) ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Het hof is gelet op deze omstandigheden dan ook van oordeel dat het perspectief van de kinderen bij de pleegmoeder ligt en dat de opvoedsituatie van de kinderen aldaar dient te worden bestendigd. Een wijziging van de huidige stabiele leefomgeving en opvoedsituatie van de kinderen bij de pleegmoeder vormt thans naar het oordeel van het hof een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Hoezeer de GI ook ten onrechte heeft nagelaten de vader eerder dan pas in 2016 bij de hulpverlening te betrekken, brengt dit in het voorgaande geen verandering. Daardoor is een onderzoek naar de mogelijkheid tot plaatsing van de kinderen bij de vader niet meer aan de orde.

Uit het voorgaande volgt tevens dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven gerechtvaardigd is, nu deze noodzakelijk is en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de kinderen.

5.10

Het hof zal het verzoek van de vader derhalve afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen. Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kok, mr. A. van Haeringen en mr. M. van Groenleer, bijgestaan door mr. H. Sapir als griffier en is op 10 juli 2018 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.