Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2376

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
200.192.909/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop van recreatieve woning op recreatiepark in Friesland. Koper moet lid worden van coöperatieve vereniging van eigenaren. Moet koper de contributies en bijdragen van de vereniging blijven betalen, ook nadat de koper het lidmaatschap van die vereniging heeft opgezegd? Zelfde vraag voor de gedwongen verhuurbemiddeling via Landal Greenparks. Derdenbeding ten behoeve van de coöperatieve verenging in de koopovereenkomst? Uitleg. Haviltex-criterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/877
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.192.909/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 4272606 \ CV EXPL 15-5610

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 juli 2018

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M.J. Drijftholt te Amsterdam,

tegen

de coöperatie COÖPERATIEVE VERENIGING ESONSTAD U.A.,

gevestigd te Anjum, gemeente Dongeradeel,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A. van der Wielen te Leeuwarden.

Partijen worden hierna respectievelijk [appellant] en Esonstad genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 23 mei 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (verder: de kantonrechter) van 24 februari 2016, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Esonstad als eiseres en [appellant] als gedaagde.

Partijen hebben daarna, afgezien van de stukken betrekking hebbend op een door [appellant] in hoger beroep ingestelde incidentele vordering waaromtrent partijen een minnelijke regeling hebben getroffen en die door [appellant] is ingetrokken, de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties, van de zijde van [appellant] ;

- memorie van antwoord, met producties, van de zijde van Esonstad;

- akte na beraad, met producties, van de zijde van [appellant] ;

- akte van de zijde van Esonstad.

Op 25 januari 2018 heeft ten overstaan van het hof een comparitie van partijen plaatsgevonden. Esonstad heeft daarbij een aanvullende productie overgelegd. Beide partijen hebben hun standpunten door hun advocaten voornoemd mondeling doen toelichten. Mr. Drijftholt heeft daarbij spreekaantekeningen overgelegd.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd, mede gezien de appeldagvaarding, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van Esonstad alsnog zal afwijzen, met ontheffing van hem van de veroordelingen zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep onder 6.1 tot en met (lees:) 6.4, en met veroordeling van Esonstad in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, met nakosten en wettelijke rente alsmede tot terugbetaling van hetgeen [appellant] op grond van het bestreden vonnis aan Esonstad heeft voldaan, met wettelijke rente.

Esonstad heeft geconcludeerd, zakelijk weergegeven, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, met wettelijke rente en nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 De feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 een aantal feiten vastgesteld. [appellant] is met grief I opgekomen tegen de onder 2.2 van het bestreden vonnis vermelde datum waarop hij de twee recreatiewoningen heeft gekocht en voorts heeft hij, bij de toelichting op de grieven II en III, erover geklaagd dat de onder 2.4 van het vonnis gegeven citaten onvolledig zijn. Voor het overige is de feitenvaststelling echter niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. De twee zojuist genoemde bezwaren van [appellant] tegen de feitenvaststelling zal het hof hierna bespreken.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak, voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende.

3.1.1.

Op 3 en 22 november 2004 hebben [appellant] en zijn echtgenote van Eson Stad B.V. twee (nog te bouwen) recreatiewoningen en opstalrechten ter zake een ligplaats in de haven en een aanlegsteiger op het vakantiepark Esonstad te Anjum gekocht.

3.1.2.

In de desbetreffende koop-/aannemingsovereenkomsten is onder meer bepaald:

Verplichtingen

Artikel 16

1. De verkrijger verbindt zich ertoe alle verplichtingen in de onderhavige overeenkomst en alle verplichtingen die eruit voorvloeien, in het bijzonder het beheersreglement, alsook de afspraken die door of namens hem met de beheerder zijn overeengekomen, de statuten van de Coöperatieve vereniging Esonstad, de beheerovereenkomst en verhuurbemiddelingsovereenkomst te eerbiedigen en te doen eerbiedigen en de bedingen ervan op te leggen aan zijn opvolgers en rechtsverkrijgers ten welke titel ook, solidair en ondeelbaar verbonden. (…).

(...)

Coöperatieve vereniging Esonstad

Artikel 17

1. De verkrijger zal bij het verkrijgen van de eigendom van de grond en de woning lid worden van de coöperatieve vereniging Esonstad. De verkrijger erkent dat het lidmaatschap van de coöperatieve vereniging onlosmakelijk verbonden is met de woning op het park. (…).

3.1.3.

Bij akten van levering van 28 december 2004 heeft Eson Stad B.V. beide recreatiewoningen met genoemde opstalrechten aan [appellant] en zijn echtgenote geleverd. In deze akten is onder meer bepaald:

KWALITATIEVE VERPLICHTING

Koper komt met voornoemde coöperatie (d.i. Esonstad, toevoeging hof) overeen dat hij zijn lidmaatschap van voornoemde coöperatie niet zal opzeggen buiten het geval in artikel 8 lid 2 van de statuten van de coöperatie en zich te zullen onderwerpen aan de statuten en reglementen van de coöperatie en de rechtsgeldig vastgestelde bijdragen en contributie te voldoen.

Voormelde verplichtingen verklaren koper en de coöperatie, namens wie de comparant sub 1 als voormeld (bedoeld is Eson Stad B.V., toevoeging hof) bij deze handelt, als een kwalitatieve verplichting bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek, te vestigen. (…)”.

3.1.4.

In artikel 2 van de statuten van Esonstad is bepaald, voor zover van belang:

1. De coöperatie heeft ten doel de behartiging en het bevorderen van de stoffelijke belangen van al haar leden, dit in de ruimste zin des woords, in het bijzonder op het gebied van het beheer, het onderhoud en eventuele vernieuwingen van de gemeenschappelijke ruimten en andere voorzieningen op het recreatiepark;

2. De coöperatie tracht haar doel te bereiken door:

(…)

b. het uitoefenen of het doen uitoefenen van een bedrijf ten behoeve van de leden van de coöperatie, dan wel ten behoeve van derden:

(…)

e. het vaststellen van voorschriften en een huishoudelijk reglement en/of beheersreglement betreffende het gebruik van de historische recreatiewoningen casu quo appartementsrechten, recreatievilla’s en ligplaatsen (…) en de overige tot Esonstad behorende gronden en opstallen;

f. het treffen van een voor haar leden uniforme regeling met betrekking tot de verhuur van voornoemde recreatiewoningen en ligplaatsen;

(…)

h. het verrichten en bevorderen in de meest uitgebreide zin van al hetgeen met het vorenstaande in direct of indirect verband staat of in het belang van haar leden noodzakelijk of gewenst is;
i. in het algemeen het verrichten van alle handelingen die dienstig kunnen zijn aan de bevordering van het woongenot in en het gebruik van Esonstad.

Artikel 5 lid 7 van de statuten van Esonstad luidt:

Een lid is slechts bevoegd om de recreatiewoning casu quo recreatie-appartementsrecht, al of niet met ligplaats te verhuren uitsluitend door middel van een schriftelijke verhuurbemiddelingsovereenkomst, welke wordt gesloten door tussenkomst van de door de coöperatie aangewezen verhuurbemiddelaar of beheerondersteunende organisatie. (…)

3.1.5.

In artikel 20 van het Beheersreglement “Esonstad” is bepaald:

1. Een deel van de woningen casu quo appartementsrechten worden aan toeristen (lees:) verhuurd.

2. De eigenaren van deze woningen casu quo appartementsrechten zullen hiertoe een verhuurbemiddelingsovereenkomst sluiten met een door de Coöperatieve vereniging Esonstad aangewezen verhuurbemiddelaar. Deze overeenkomst zal door alle eigenaren worden geëerbiedigd voor de gehele duur ervan.

3.1.6.

Bij e-mail van 28 november 2014 heeft [appellant] zijn lidmaatschap van Esonstad opgezegd. [appellant] schreef onder meer:
Gezien de onrechtvaardige verdeling van de jaarlijkse huurinkomsten, de woeker provisie van 30% die Landal naar zich toetrekt, de onjuiste handelwijze van het bestuur tot het oprichten van een pitch & putt baan en een camping in de vorm een van een B.V. (…) heeft voor mij geresulteerd in een jaarlijks verlies van 10.000 euro voor beide huisjes (kosten 12.000 euro per jaar)”.

3.1.7.

Esonstad heeft op 27 april 2004 met Landal Greenparks Beheer en Projecten B.V. (hierna: Landal Greenparks) een beheersovereenkomst gesloten voor de duur van tien jaar tot en met 31 december 2015. Met ingang van 1 januari 2016 hebben Esonstad en Landal Greenparks een nieuwe beheersovereenkomst gesloten voor de periode tot en met 31 december 2030.

3.1.8.

Esonstad heeft [appellant] op 30 juni 2015 gedagvaard en, voor zover in appel van belang, gevorderd, samengevat:

( i) dat voor recht wordt verklaard dat [appellant] gehouden is om de verplichtingen voortvloeiende uit de statuten, het beheersreglement en het reglement van de ligplaats/jachthaven van Esonstad, alsmede de beheersovereenkomst met Landal Greenparks na te komen en alle daarin opgenomen bepalingen te eerbiedigen,

(ii) [appellant] te veroordelen tot betaling aan Esonstad van de (jaarlijks en per kwartaal) door haar vastgestelde contributies en bijdragen;

(iii) [appellant] te veroordelen tot betaling van € 6.932,04 ter zake de in 2015 vastgestelde contributies en bijdragen,

(iv) [appellant] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het onder (iii) vermelde bedrag;

( v) [appellant] te veroordelen tot betaling van € 721,60 aan buitengerechtelijke kosten;

(vi) dat voor recht wordt verklaard dat [appellant] de huidige door Esonstad gesloten verhuurbemiddelingsovereenkomst met Landal Greenparks dient te eerbiedigen, alsmede de in de toekomst door Esonstad te sluiten verhuurbemiddelingsovereenkomsten met derden, indien [appellant] gedurende de duur van die overeenkomst zijn woning(en) wil verhuren, dient te eerbiedigen voor de gehele duur ervan;

(vii) [appellant] te verbieden om zonder tussenkomst van een door Esonstad aan te wijzen verhuurbemiddelaar zijn woning(en) te huur aan te bieden, te verhuren of doen verhuren en [appellant] te veroordelen tot betaling van een dwangsom bij overtreding van dit verbod.

3.1.9.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de hiervoor opgesomde vorderingen van Esonstad toegewezen, met vaststelling van de dwangsom op € 500,= per overtreding en € 100,= per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 25.000,= en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Tegen deze toewijzing van vorderingen keert [appellant] zich met elf grieven.

3.2.

De eerste grief heeft betrekking op de datum waarop [appellant] de onderhavige twee recreatiewoningen heeft gekocht. De juiste data van koop zijn hiervoor onder 3.1.1 vermeld en het hof gaat van die data uit. De grief behoeft geen verdere bespreking.

3.3.

Met de grieven II en III komt [appellant] op tegen overweging 5.2 van het bestreden vonnis en de conclusie die de kantonrechter daaruit trekt ten aanzien van de toewijsbaarheid van de hierboven genoemde vorderingen van Esonstad onder (i) tot en met (iii).

3.4.

De kantonrechter heeft overwogen:

“De omstandigheid dat [appellant] zijn lidmaatschap van de Coöperatieve Vereniging Esonstad heeft opgezegd impliceert weliswaar dat daarmee de verenigingsrechtelijke rechten en plichten van [appellant] tegenover de vereniging geëindigd zijn, doch dat geldt niet zonder meer voor de verplichtingen uit hoofde van de koop- en aannemingsovereenkomst.

Uitgangspunt daarbij is dat aan Esonstad een vorderingsrecht toekomt op grond van genoemd derdenbeding. Artikel 6:253 BW stelt geen bijzondere eisen aan (de geldigheid van) een derdenbeding. Voldoende is dat de ene partij (de “stipulator” in dit geval Eson Stad B.V.) het recht ten behoeve van de derde bedingt, dat zijn wederpartij (de “promissor” in dit geval [appellant] ) zich dienovereenkomstig jegens de derde (in dit geval de Coöperatieve Vereniging Esonstad) verbindt en dat de derde het beding aanvaardt. Gelet op de bewoordingen in de akte van levering heeft de Coöperatieve Vereniging Esonstad het derdenbeding aanvaard en is daarbij partij geworden bij de koop- en aannemingsovereenkomst. Op grond daarvan is [appellant] gehouden tot nakoming van zijn verplichtingen op grond van de koop- en aannemingsovereenkomst jegens de Coöperatieve Vereniging Esonstad, zoals onder meer opgenomen in art. 16 en 17 van de koop-/ aannemingsovereenkomst(en).”

3.5.

Voor de beantwoording van de vraag of in artikel 16 lid 1 van de koop-/ aannemingsovereenkomsten een derdenbeding ten behoeve van Esonstad is overeengekomen, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij alle omstandigheden van het concrete geval van belang zijn, gewaardeerd naar wat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (het Haviltex-criterium). Naar het oordeel van het hof moest [appellant] begrijpen dat hij zich met artikel 16 lid 1 van de overeenkomst (mede) jegens Esonstad bond en dus niet slechts jegens Eson Stad B.V. (zijn contractuele wederpartij). De bepaling handelt over verplichtingen uit hoofde van de statuten van Esonstad, het beheersreglement van Esonstad en de door Esonstad met Landal Greenparks gesloten beheersovereenkomst. Het moet [appellant] duidelijk zijn geweest dat bij naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de statuten en het beheersreglement van Esonstad, Eson Stad B.V. geen zelfstandig belang heeft. Op grond van de statuten zouden aan de eigenaren van de woningen op het vakantiepark Esonstad contributies en bijdragen kunnen worden gevorderd en daarin zijn bepalingen opgenomen die de eigenaren van de woningen op het vakantiepark Esonstad verplichten de verhuur daarvan via Landal Greenparks te laten plaatsvinden (artikel 5 lid 7 van de statuten en artikel 20 lid 2 van het beheersreglement van Esonstad). De statuten, het beheersreglement alsmede de met Landal Greenparks gesloten beheersovereenkomst waren als bijlagen bij de koop-/ aannemingsovereenkomst gevoegd en [appellant] kon dus weten om welke verplichtingen het ging. Het is niet zo dat [appellant] mocht menen dat deze verplichtingen alleen op hem zouden rusten zolang hij lid zou zijn van Esonstad. Hoewel partijen het klaarblijkelijk voor ogen stond dat [appellant] gehouden was de statuten/reglementen van Esonstad na te leven omdat hij lid van Esonstad diende te worden (hetgeen in strijd is met artikel 2:60 BW en daarom dient artikel 17 van de overeenkomst in zoverre voor niet geschreven te worden gehouden), is met artikel 16 van de koop-/aannemingsovereenkomst kennelijk bedoeld [appellant] onafhankelijk van dit lidmaatschap aan die statuten, reglementen en op basis daarvan te sluiten overeenkomsten te binden voor zover aan eigenaren bepaalde verplichtingen worden opgelegd. Het hof volgt [appellant] niet waar hij stelt dat artikel 16 (lid 1) moet worden gelezen in samenhang met artikel 17 van de koop-/aannemingsovereenkomst en dat artikel 16 lid 1 daarom aldus moet worden gelezen dat de verplichtingen die worden genoemd uit zijn lidmaatschap van Esonstad voortvloeien. Deze door [appellant] gestelde samenhang volgt niet uit de tekst van de artikelen. De twee artikelen hebben elk een eigen “kopje” en zij verwijzen ook niet naar elkaar. Ook uit de strekking van het geheel van bepalingen volgt dat beoogd is een samenstel van verplichtingen in het leven te roepen voor de eigenaren van de woningen/ appartementen op het vakantiepark, zodanig dat voor gezamenlijke rekening van die eigenaren een aantal gemeenschappelijke voorzieningen tot stand konden worden gebracht en in stand zouden kunnen blijven.

3.6.

Naar het oordeel van het hof moet het eveneens voor [appellant] duidelijk zijn geweest dat met artikel 16 lid 1 van de koop-/aannemingsovereenkomst werd beoogd een zelfstandig vorderingsrecht van Esonstad jegens [appellant] in het leven te roepen, zodat Esonstad hem op naleving van de op grond van haar statuten en het beheersreglement bestaande verplichtingen zou kunnen aanspreken. De woordkeuze van artikel 16 lid 1, te weten dat [appellant] als verkrijger de statuten, reglementen en de genoemde beheersovereenkomst met Landal Greenparks dient te “eerbiedigen”, leidt niet tot een andere conclusie. Taalkundig is er is wellicht een verschil in betekenis tussen “eerbiedigen” en “naleven” of “nakomen”, maar in de context van de onderhavige bepaling – zoals hiervoor overwogen inhoudende, dat voor gezamenlijke rekening van de eigenaren van de in het vakantiepark Esonstad gelegen woningen/appartementen een aantal gemeenschappelijke voorzieningen zouden worden getroffen - kan door [appellant] in redelijkheid niet zijn gemeend dat hij – buiten zijn lidmaatschap – geen verplichtingen jegens Esonstad zou hebben.

3.7.

Het hof is overigens van oordeel dat [appellant] zich óók op grond van het bepaalde in de leveringsakte onder het kopje “Kwalitatieve verplichtingen” (zie onder 3.1.3 hiervoor voor de tekst) heeft verplicht zich, los van zijn lidmaatschap van Esonstad, te onderwerpen aan de statuten en reglementen van Esonstad en om de rechtsgeldig door Esonstad vastgestelde bijdragen en contributie te voldoen. Naast dat hij zijn lidmaatschap van Esonstad niet zal opzeggen op andere gronden dan vermeld in artikel 8 lid 2 van de statuten van Esonstad (in hoeverre ook deze bepaling op grond van art. 2:60 BW als niet geschreven dient te worden gehouden), is hij daarin immers zulks met Esonstad overeengekomen. Esonstad is weliswaar niet als partij bij de akte van levering betrokken, maar zij is daarbij door Eson Stad B.V. vertegenwoordigd, zoals is bepaald in de aansluitende zin, dat Eson Stad B.V. “bij deze” namens Esonstad handelt. Aldus is een verplichting voor [appellant] jegens Esonstad uit overeenkomst ontstaan, die door de opzegging door [appellant] van zijn lidmaatschap van Esonstad niet is komen te vervallen.

3.8.

[appellant] heeft in de toelichting op de grieven II en III nog een aantal andere gronden aangevoerd op grond waarvan hij meent (na de opzegging van zijn lidmaatschap van Esonstad) niet (meer) gebonden te zijn aan de verplichtingen voortvloeiende uit de statuten en beheersreglementen van Esonstad en de beheersovereenkomst met Landal Greenparks niet meer behoeft te eerbiedigen. Het hof overweegt daarover het volgende.

3.8.1.

Ten eerste stelt [appellant] dat Eson Stad B.V. de eigendom van de binnen het plangebied gelegen openbare private ruimte anders dan in de akte van levering is bepaald, niet aan Esonstad heeft overgedragen. In het bijzonder zou de door Esonstad geëxploiteerde camping niet aan Esonstad maar aan Camping Esonstad B.V. in eigendom zijn overgedragen. Onduidelijk is evenwel waarom dit tot de door [appellant] bepleite conclusie zou moeten leiden (dat hij niet verplicht kan worden tot naleving van de statuten en het beheersreglement van Esonstad en tot eerbiediging van de met Landal Greenparks gesloten beheersovereenkomst). Anders dan [appellant] kennelijk meent, volgt dit niet uit het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5796.

3.8.2.

[appellant] stelt voorts dat de camping en de eveneens door Esonstad geëxploiteerde golfbaan (pitch en putt baan) “buiten het plangebied” liggen en dat de exploitatie daarom buiten de (statutaire) doelstelling van Esonstad valt. Kennelijk is [appellant] van mening dat uit de woorden “op het recreatiepark ” in artikel 2 lid 1 van de statuten van Esonstad volgt dat de voorzieningen die Esonstad tot stand heeft gebracht en exploiteert zich op dat terrein moeten bevinden. Hierin kan [appellant] echter niet worden gevolgd. De statutaire doelstelling in artikel 2 lid 1 van de statuten van Esonstad is ruimer geformuleerd. Esonstad heeft op grond daarvan ten doel de behartiging van en het bevorderen van de stoffelijke belangen van al haar leden, dit in de ruimste zin van het woord. Blijkens het tweede lid van artikel 2 van haar statuten is Esonstad tevens bevoegd een bedrijf ten behoeve van haar leden dan wel derden uit te oefenen. Esonstad heeft voldoende onderbouwd waarom zij heeft besloten de exploitatie van de camping ter hand te nemen. [appellant] heeft overigens geen vernietiging van dit besluit gevorderd, zodat ook reeds daarom van de geldigheid van dit besluit dient te worden uitgegaan. Zoals Esonstad ter zitting in hoger beroep heeft uiteengezet, dragen gasten van de camping onder andere bij in de kosten van de overige voorzieningen van Esonstad, waarvan ook de eigenaren van de woningen op Esonstad profiteren, en zal voorts ook een eventuele winst van de camping ten goede komen aan Esonstad en dus indirect aan die eigenaren. Daaraan doet niet af dat de camping thans verliesgevend is. Het onderhouden van de pitch en putt baan valt eveneens binnen de statutaire doelstelling van Esonstad. Esonstad is van mening dat deze voorziening bijdraagt aan de aantrekkelijkheid van Esonstad voor potentiële huurders, hetgeen uiteindelijk ook de eigenaren, voor zover zij hun woning wensen te verhuren, ten goede komt. Ook hier geldt overigens dat de algemene ledenvergadering van Esonstad hiertoe rechtsgeldig heeft besloten (op een moment dat [appellant] nog lid was). [appellant] heeft onvoldoende aangevoerd om te kunnen zeggen dat sprake is van een besluit waartoe Esonstad in redelijkheid niet heeft kunnen komen.

3.8.3.

[appellant] heeft voorts aangevoerd dat Esonstad het voornemen heeft een overdekte speelhal te openen, waarvoor zij exorbitante investeringen zal gaan doen, terwijl die investeringen ten tijde van het sluiten van de koop-/aannemingsovereenkomst niet zijn gemeld, niet zijn voorzien in de stukken en dat daartoe ook geen mogelijkheid is gegeven. Volgens hem mag dan ook niet worden verwacht dat hij aan de financiering van die investeringen mede zal bijdragen. Ook dit betoog wordt verworpen. [appellant] heeft zich contractueel verbonden de statuten en beheersreglementen van Esonstad na te leven, hetgeen meebrengt dat hij in beginsel ook gebonden is bij te dragen aan investeringen waartoe Esonstad in de toekomst zou kunnen besluiten. Daarmee is geen sprake van een te “onbepaalde” verplichting, zoals hij heeft aangevoerd. Dat Esonstad zich bij de beslissingen tot oprichting en exploitatie van de camping, de pitch en putt baan en de speelhal financieel onverantwoord heeft gedragen en hij daarom in redelijkheid niet met de consequenties daarvan mag worden belast, heeft [appellant] niet aangetoond. Zo zal de speelhal, zo heeft Esonstad uiteengezet, grotendeels door Landal Greenparks worden gefinancierd en zal deze haar kosten alleen bij een verhoging van de huuromzet mogen doorberekenen door middel van een kleine verhoging van de provisie voor verhuurbemiddeling. Een en ander heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd weersproken.

3.9.

Het hof concludeert dat de grieven II en III tevergeefs zijn voorgesteld. De kantonrechter heeft de vorderingen vermeld onder 3.1.8 onder (i) tot en met (iii) terecht toegewezen.

3.10.

Grief IV heeft betrekking op de vordering onder (iv) en (v) tot betaling van wettelijke rente over het onder (iii) toegewezen bedrag en op de buitengerechtelijke incassokosten. De vordering tot betaling van wettelijke rente heeft [appellant] slechts onder verwijzing naar de eerdere grieven tegengesproken en daarom faalt de grief in zoverre. Met betrekking tot de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten heeft [appellant] onweersproken aangevoerd dat Esonstad niet bij een zogenaamde 14-dagen brief, als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW, de hoogte van die kosten (conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten) heeft aangezegd. Die vordering moet daarom alsnog worden afgewezen. Grief IV slaagt in zoverre.

3.11.

Grief V keert zich tegen rechtsoverweging 5.3 van het vonnis van de kantonrechter. Deze overweging draagt echter het oordeel van de kantonrechter niet en behoeft daarom geen verdere bespreking.

3.12.

Met de grieven VI en VII keert [appellant] zich tegen het oordeel van de kantonrechter in de overwegingen 5.4 en 5.5 van het bestreden vonnis. Op alle onderdelen van overweging 5.4 is hiervoor bij de bespreking van de grieven II en III reeds ingegaan. Het bezwaar van [appellant] dat Esonstad zich buiten haar statutaire doelstelling begeeft, is, zoals hiervoor besproken, ongegrond. De stelling van [appellant] dat Esonstad de eigendom moet hebben verkregen van de grond waarop de camping is gelegen, kan, zoals al overwogen, niet tot het door hem gewenste resultaat (afwijzing van de vorderingen van Esonstad) leiden. De stelling dat Esonstad exorbitant hoge investeringen doet, heeft [appellant] niet weten aan te tonen. Slechts afzonderlijke bespreking behoeft nog de stelling van [appellant] dat hem bij de koop van de twee recreatiewoningen een positief rendement is voorgespiegeld hetwelk hij bij lange na niet heeft weten te behalen, integendeel op zijn investering in de twee woningen heeft [appellant] al jaren een fors negatief rendement gerealiseerd. De kantonrechter heeft deze stelling van [appellant] in overweging 5.5 als onvoldoende onderbouwd verworpen, nu [appellant] niet heeft gesteld dat hij meer zou moeten betalen dan op grond van de aangeboden voorzieningen zou mogen worden verwacht, hij niet nader heeft onderbouwd dat de exploitatiekosten te hoog zijn in verhouding tot de aangeboden voorzieningen en het rendement van [appellant] mede afhankelijk is van persoonlijke omstandigheden, zoals de door hem aangegane hypothecaire verplichting. Het hof acht de eerste twee gronden die de kantonrechter vermeldt voor de verwerping van de stelling van [appellant] juist. Met betrekking tot de geldlening die [appellant] kennelijk is aangegaan om de twee recreatiewoningen te kopen, geldt voorts dat hij niet met stukken heeft gestaafd welke renteverplichtingen hij is aangegaan, zodat zijn stelling dat hij een negatief rendement haalt, niet is te toetsen. Overigens is het hof van oordeel dat als [appellant] van mening is dat hij met de aankoop van de recreatiewoningen een onvoordelige transactie heeft gesloten, hij daar de conclusie aan kan verbinden dat hij die investering ongedaan moet maken. Geenszins kan die enkele omstandigheid er echter toe leiden dat Esonstad geen aanspraak meer kan maken op de naleving van door hem aangegane verplichtingen. Dit geldt ook voor de stelling van [appellant] dat hij bij het aangaan van de koop-/aannemingsovereenkomst is misleid. De koop-/ aannemingsovereenkomsten heeft [appellant] gesloten met Eson Stad B.V. Als [appellant] meent dat deze overeenkomsten op grond van wilsgebrek dienen te worden vernietigd, moet hij zijn contractuele wederpartij, Eson Stad B.V., daarop aanspreken. Jegens Esonstad kan hij daaraan geen verweer ontlenen.

3.13.

Aldus falen ook de grieven VI en VII.

3.14.

Grief VIII ziet op het oordeel van de kantonrechter (onder 5.6 van het bestreden vonnis) dat van misleiding van [appellant] geen sprake is, omdat, zoals is gebleken, voor hem geen (het hof leest:) verhuurverplichting geldt. Volgens [appellant] is van misleiding echter wel sprake omdat het hem niet bekend was dat hij, ook indien hij geen lid van Esonstad meer zou zijn, de verhuur van de recreatiewoningen via Landal Greenparks zou moeten blijven doen en hij de ongelimiteerde contributies en bijdragen van Esonstad zou moeten blijven voldoen. Dit betoog faalt echter. Voor zover het door [appellant] gestelde hem niet bekend was, moet dat voor zijn rekening en risico blijven.

3.15.

Grieven IX en X hebben naast de andere grieven geen zelfstandige betekenis, zodat zij ook geen afzonderlijke bespreking behoeven. Voor zover [appellant] zich er nog op heeft beroepen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij de door Esonstad bepaalde contributies en bijdragen dient te voldoen en de met Landal Greenparks gesloten beheersovereenkomsten dient te eerbiedigen is, faalt dat beroep, gelet op het voorgaande.

3.16.

Met grief XI keert zich tegen de proceskostenveroordeling in het bestreden vonnis. Deze grief faalt, omdat de kantonrechter [appellant] terecht als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij heeft beschouwd.

3.17.

De slotsom is dat alleen grief IV deels doel treft, waar het de veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke kosten betreft. Het hof zal het bestreden vonnis alleen op dit punt vernietigen en voor het overige bekrachtigen.

3.18.

[appellant] dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de proceskosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten alsnog af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Esonstad begroot op € 1.957,= aan verschotten en € 2.682,= voor salaris, en op € 131,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.C. Toorman en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.