Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2368

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
200.214.483/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel van ECLI:NL:RBAMS:2016:8283. Veroordeling door de eerste rechter van tuiniersbedrijf tot schadevergoeding. Bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.214.483/01

zaaknummer rechtbank: C/13/521376/HA ZA 12-836

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 juli 2018

inzake

De besloten vennootschap

KWEKERIJ DE LIMIETEN B.V.,

gevestigd te Huizen,

appellante,

advocaat: mr. R. Zwiers te Almere,

tegen

1 [geïntimeerde 1]

2. [geïntimeerde 2]

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. S.L. Schram te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna De Limieten en [geïntimeerden] genoemd.

De Limieten is bij dagvaarding van 15 maart 2017 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 19 november 2014 en 21 december 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers en De Limieten als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties;

Partijen hebben de zaak ter zitting van 18 april 2018 doen bepleiten, De Limieten door mr. Zwiers, advocaat te Almere, en [geïntimeerden] door mr. Schram, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij faxbericht van 4 april 2018 heeft De Limieten nog aanvullende producties ingediend, welke tevens aan de pleitnotities zijn gehecht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De Limieten heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en de vordering van [geïntimeerden] alsnog zal afwijzen, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.

[geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring van De Limieten in het hoger beroep, althans tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met veroordeling van De Limieten in de kosten van het hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen eindvonnis van 21 december 2016 onder 2.1 t/m 2.18 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met de grieven 1 t/m 3 betoogt De Limieten dat deze vaststelling onvolledig en deels onjuist is. Het hof zal bij de vaststelling van de feiten hiermee rekening houden. Op grief 3 zal tevens separaat worden ingegaan bij het bespreken van de grieven. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2

In 2006 heeft De Limieten in opdracht van [geïntimeerden] werkzaamheden en leveringen uitgevoerd voor de aanleg van de tuin (hierna: de tuin) bij de woning van [geïntimeerden] aan [plaats] . Aan de opdracht lag een offerte ten grondslag van 29 maart 2006 voor een bedrag van € 154.780,16 inclusief BTW. De uitgevoerde werkzaamheden bestonden uit grondwerk, drainage, verhardingen en het leveren en aanplanten van beplanting. Omstreeks eind augustus 2006 zijn de werkzaamheden voltooid en is de tuin opgeleverd.

2.3

In 2007 en 2008 heeft De Limieten in opdracht van [geïntimeerden] extra beplanting geleverd, een moestuin aangelegd en prunushagen geplant op de boswal.

2.4

[geïntimeerden] hebben zich in de jaren 2006 tot en met 2009 meerdere keren tot De Limieten gewend met klachten over beplanting die niet goed was aangeslagen. De Limieten heeft verschillende keren planten vervangen. Op twee locaties heeft De Limieten voor haar rekening taxusbogen vervangen.

2.5

Op 7 oktober 2009 heeft BLGG Wageningen (hierna: BLGG) een onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit en samenstelling van de grond in de tuin. Op 26 oktober 2009 heeft BLGG een bemestingsadvies uitgebracht. De Limieten heeft vervolgens bij e-mail van 9 november 2009 aan [geïntimeerden] een voorstel gedaan voor het verrichten van werkzaamheden in de tuin, waarbij De Limieten een deel van de kosten voor haar rekening zou nemen.

2.6

In mei 2010 heeft [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) van hoveniersbedrijf [hoveniersbedrijf 2] op verzoek van [geïntimeerden] de staat van de tuin onderzocht. In zijn brief hierover van 18 mei 2010 schrijft [persoon 1] dat het overgrote deel van de beplanting problemen vertoont en dat dit wordt veroorzaakt door de gebruikte grond (verkeerde grond, vaak vervuild en dichtgereden) en doordat de drainage niet functioneert.

2.7

Op 31 augustus 2010 hebben [geïntimeerden] en De Limieten de situatie besproken en de tuin bekeken. Bij brief van 14 september 2010 heeft De Limieten aan [geïntimeerden] een opsomming van bevindingen gestuurd en een voorstel voor het uitvoeren van een aantal herstelwerkzaamheden. Op 18 oktober 2010 hebben partijen gesproken over een plan van aanpak. Daarna heeft [hoveniersbedrijf 2] op 22 november 2010 een herstelplan opgesteld en op 23 november 2010 een offerte uitgebracht voor het aanbrengen en herstellen van drainage in de tuin voor een bedrag van € 76.786,77. Bij e-mail van 13 januari 2011 hebben [geïntimeerden] laten weten dit plan te willen bespreken. Het is echter niet meer gekomen tot een overleg hierover.

2.8

Bij brief van 3 maart 2011 heeft de raadsman van [geïntimeerden] aan De Limieten vier mogelijkheden voorgelegd die, in grote lijnen, neerkwamen op ofwel herstel van de tuin conform het herstelplan van [hoveniersbedrijf 2] met zekerheidsstelling voor de kosten daarvan door De Limieten, ofwel het benoemen van een deskundige voor het vaststellen van de oorzaak van de problemen en het opstellen van een bindend herstelplan, ofwel het voorleggen van het geschil aan hetzij de Geschillencommissie Groen te Den Haag, hetzij de civiele rechter. Bij brief van 25 maart 2011 heeft de raadsman van De Limieten deze opties afgewezen.

2.9

Op verzoek van [geïntimeerden] heeft de rechtbank bij beschikking van 18 augustus 2011 een voorlopig deskundigenonderzoek gelast en ing. P.H. Schalk (hierna: Schalk) tot deskundige benoemd. Op 22 februari 2012 heeft Schalk een rapport uitgebracht. Hij heeft daarin, kort samengevat, geconcludeerd dat de oorzaak van de slechte staat van de tuin te vinden is in een gebrekkige grondbewerking bij de aanleg ervan.

2.10

Bij brief van 5 maart 2012 heeft de raadsman van [geïntimeerden] De Limieten formeel aansprakelijk gesteld voor de schade van [geïntimeerden] als gevolg van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.

2.11

Op of omstreeks 1 maart 2012 is [hoveniersbedrijf 2] begonnen met herstelwerkzaamheden in de tuin en heeft zij afgravingen verricht.

2.12

Op 9 maart 2012 hebben medewerkers van De Limieten, vergezeld van de heer [persoon 2] , onderaannemer, en de heer ing. [persoon 3] , Senior Adviseur Bodem in dienst van Grontmij, onderzoek gedaan naar de groeiomstandigheden in de tuin.

2.13

Op 20 maart 2012 heeft [hoveniersbedrijf 2] een nieuwe offerte uitgebracht voor de uit te voeren herstelwerkzaamheden, inclusief te vervangen en nieuwe beplanting, voor een bedrag van € 312.432,67.

2.14

In een memo van 2 april 2012 heeft [persoon 3] naar aanleiding van het onder 2.12 genoemde onderzoek geconcludeerd dat – samengevat – een goede bodemstructuur in de tuin ontbreekt, wat niet optimaal is voor een snelle en goede aanleg en ontwikkeling van de planten.

3 Beoordeling

3.1

Op 9 juli 2012 hebben [geïntimeerden] De Limieten gedagvaard en veroordeling gevorderd tot betaling van het bedrag van € 312.432,67. Vervolgens heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 15 mei 2013 opnieuw Schalk tot deskundige benoemd en hem opgedragen om onder meer na te gaan welke werkzaamheden [geïntimeerden] hadden moeten doen uitvoeren om de in het deskundigenrapport van 22 februari 2012 genoemde gebreken te herstellen en welke kosten hiermee gemoeid zouden zijn geweest. Op 27 februari 2014 heeft Schalk een rapport uitgebracht. Bij tussenvonnis van 19 november 2014 heeft de rechtbank aanvullende vragen gesteld die Schalk heeft beantwoord in zijn rapport van 23 maart 2015. Bij het eindvonnis van 21 december 2016 heeft de rechtbank De Limieten veroordeeld tot vergoeding van de schade, vermeerderd met de wettelijke rente en proceskosten.

3.2

Wat de rechtbank daartoe heeft overwogen, kan als volgt worden samengevat. De rechtbank heeft het beroep op verjaring van De Limieten verworpen. De rechtbank heeft verder overwogen dat aanmaning tot herstel van het door de deskundige geconstateerde gebrek gelet op de houding van De Limieten nutteloos zou zijn geweest en dat [geïntimeerden] daarom ingevolge artikel 6:82 lid 2 BW hebben mogen volstaan met de aansprakelijkstelling van 5 maart 2012. De rechtbank heeft ten slotte de conclusies van Schalk overgenomen en tot de hare gemaakt.

3.3

Met haar grieven komt De Limieten op tegen de beslissingen van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. [geïntimeerden] hebben verweer gevoerd tegen de grieven en zich daarbij allereerst beroepen op niet-ontvankelijkheid van De Limieten in haar hoger beroep. Het hof zal dit verweer eerst bespreken.

Ontvankelijkheid

3.4

[geïntimeerden] hebben betwist dat de appeldagvaarding op 15 maart 2017 aan het kantooradres van mr. Schram is betekend. Mr. Schram is werkzaam in een kantoorpand met vijf verdiepingen waarin verscheidene kantoren zijn gevestigd. Er is een gemeenschappelijke buitendeur met één gezamenlijke brievenbus. In de hal van het pand bevinden zich postvakjes voor de verschillende kantoren. Mr. Schram was op 15 maart 2017 de hele dag op kantoor, maar heeft geen deurwaarder en geen dagvaarding gezien. Pas op 24 maart 2017 omstreeks 15:00 uur heeft mr. Schram de dagvaarding op de deurmat gevonden. [geïntimeerden] leiden daaruit af dat de dagvaarding waarschijnlijk pas op 24 maart in de brievenbus is gedaan, of op 15 maart in de brievenbus van een ander pand is gedaan en ruim een week later door de bewoner of gebruiker van dat pand alsnog op het juiste adres is bezorgd, aldus [geïntimeerden] in hun memorie van antwoord.

3.5

De Limieten heeft aangevoerd dat het exploot van de appeldagvaarding een authentieke akte vormt die dwingend bewijs oplevert, waartegen tegenbewijs mogelijk is. Verder heeft De Limieten een e-mailbericht van de deurwaarder overgelegd waarin deze verklaart dat hij het exploot op 15 maart 2017 tussen 13:15 en 14:00 uur in een gesloten envelop heeft achtergelaten aan het kantooradres van mr. Schram.

3.6

Het hof stelt vast dat [geïntimeerden] ter zitting van het hof niet langer hebben uitgesloten dat de dagvaarding wel tijdig, op 15 maart 2017, in de brievenbus van het kantooradres van mr. Schram is gedaan. Het komt voor rekening van mr. Schram, en daarmee van [geïntimeerden] , dat zijn kantoor geen afzonderlijke brievenbus heeft, en alleen beschikt over een eigen postvakje in de hal van zijn kantoorpand, dat wil zeggen achter de gezamenlijke voordeur waarin de gezamenlijke brievenbus zich bevindt. Wat [geïntimeerden] hebben aangevoerd, vormt geen aanleiding om te concluderen dat artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet correct is toegepast. Nu de deurwaarder kennelijk aan geen van de in artikel 46 lid 1 Rv bedoelde personen een afschrift van de appeldagvaarding kon laten, heeft hij een afschrift daarvan in een gesloten envelop achtergelaten in de brievenbus aan het kantooradres van mr. Schram. Het hof verwerpt dan ook het beroep op niet-ontvankelijkheid.

Grieven ten aanzien van de feiten

3.7

Grief 3 houdt in essentie in dat de rechtbank uitgebreider had moeten ingaan op het memo van ing. [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ). De rechtbank spreekt ten onrechte over ‘onderzoek’, waar [persoon 3] zelf zijn activiteiten heeft benoemd als ‘verkennende inspectie’, en de conclusies van [persoon 3] zijn genuanceerder dan uit de bestreden rechtsoverweging 2.18 van het eindvonnis van de rechtbank kan worden opgemaakt, aldus De Limieten.

3.8

Het hof verwerpt deze grief. Vast staat dat [persoon 3] enkele boringen heeft uitgevoerd zodat hij daadwerkelijk onderzoek heeft verricht. Het hof stelt verder vast dat de rechtbank haar conclusie dat De Limieten is tekortgeschoten in haar opdracht niet heeft gebaseerd op de memo van [persoon 3] . De rechtbank heeft slechts overwogen dat de memo van [persoon 3] geen aanleiding vormt om af te wijken van het rapport van de deskundige. Het hof deelt dat oordeel. [persoon 3] schrijft immers dat een goede bodemstructuur ontbreekt en het vochtgehalte aan de hoge kant is, en voorts dat de omvang/afmetingen van de grondverbeteringen ter plaatse van de haag en de bomen gering zijn met gevolgen voor vitaliteit en ontwikkeling van die haag en bomen. Een en ander ondersteunt eerder de conclusies van Schalk dan dat het afbreuk daaraan doet.

Verjaring

3.9

Met grief 4 betoogt De Limieten dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verjaringstermijn op of kort na 18 mei 2010 is aangevangen, dat de vordering van [geïntimeerden] reeds was verjaard omdat [geïntimeerden] niet binnen twee jaar na oplevering van de tuin in augustus 2006 geklaagd hebben over een gebrek in het opgeleverde werk, en dat het indienen van een verzoekschrift tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht geen stuitingshandeling is geweest als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW.

3.10

[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat zij pas op 18 mei 2010 ervan op de hoogte zijn geraakt dat de problemen met de tuin waren terug te voeren op de gebrekkige aanleg ervan, en dan met name het gebrekkige grondwerk, en dat de verjaringstermijn daarom toen is gaan lopen. De verjaring in de periode na 18 mei 2010 hebben zij gestuit bij brief van 3 maart 2011, door het indienen van een verzoekschrift tot een voorlopig deskundigenbericht op 25 mei 2011 en bij brief van 5 maart 2012.

3.11

Partijen zijn het erover eens dat [geïntimeerden] zich in de jaren 2006 tot en met 2009 herhaaldelijk tot De Limieten hebben gewend met klachten over de beplanting in de tuin. De Limieten heeft verschillende keren planten vervangen. Echter, ook de nieuwe planten sloegen niet aan. De oorzaak hiervan werd in die periode echter nog niet gezocht in een gebrekkige tuinaanleg. De Limieten zocht de oorzaak vooral in een gebrek aan onderhoud, terwijl [geïntimeerden] dachten aan een probleem in de sfeer van verzorging en bemesting, reden waarom BLGG in het najaar van 2009 is ingeschakeld om onderzoek te doen en een bemestingsadvies uit te brengen. Eerst bij brief van [hoveniersbedrijf 2] van 18 mei 2010 is gesteld dat de oorzaak van het niet tot (structurele) bloei komen van de tuin is gelegen in structurele gebreken bij de tuinaanleg, in het bijzonder onjuist uitgevoerde grondbewerking en disfunctionerende drainage. Later is dit bevestigd door Schalk. De gebreken in het grondwerk en de drainage zijn andere gebreken dan waar partijen in de jaren 2006-2009 over spraken. De verjaringstermijn van artikel 7:671 BW is dus gaan lopen op het moment dat [geïntimeerden] met het bestaan van deze gebreken bekend zijn geworden, te weten op 18 mei 2010. Het hof is voorts evenals de rechtbank van oordeel dat in ieder geval het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht van 25 mei 2011 kan worden aangemerkt als een - tijdige - stuitingshandeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW. In dat verzoek is immers expliciet vermeld dat [geïntimeerden] voornemens zijn tegen De Limieten een rechtsvordering in te stellen ter zake van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van De Limieten bij de uitvoering van de tussen partijen in 2006 gesloten overeenkomst tot aanleg van de tuin. Hieruit had De Limieten kunnen opmaken dat zij rekening moest houden met een aansprakelijkstelling en haar gegevens en bewijsmiddelen moest bewaren. Nu [geïntimeerden] op 9 juli 2012 tot dagvaarding zijn overgegaan, was dat binnen de termijn van twee jaar na de stuiting van 25 mei 2011, dus tijdig. Deze grief slaagt niet.

Verzuim

3.12

Met grief 5 betoogt De Limieten dat zij niet in verzuim is geraakt, omdat aan haar geen redelijke termijn voor nakoming is gegeven. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld, aldus De Limieten, dat [geïntimeerden] haar in de gelegenheid hebben gesteld om herstelwerkzaamheden uit te voeren, maar zij daartoe niet bereid zou zijn geweest, zodat verder aanmanen nutteloos was. [geïntimeerden] brengen daartegen in dat De Limieten wel wat planten wilde vervangen en wat kleine ingrepen in de bovenlaag van de grond wilde uitvoeren, maar dat zij niet bereid was om de structurele herstelwerkzaamheden zoals genoemd in het deskundigenbericht van 22 februari 2012 uit te voeren. [geïntimeerden] achten het oordeel van de rechtbank dan ook juist.

3.13

Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat [geïntimeerden] aan De Limieten in de aansprakelijkstelling d.d. 5 maart 2012 geen termijn voor nakoming hebben gesteld. Derhalve moet beoordeeld worden of uit de houding van De Limieten bleek dat aanmaning nutteloos zou zijn (artikel 6:82 lid 2 BW). Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank op dit punt. De Limieten heeft ook na het gereed komen van het rapport van Schalk op 22 februari 2012, en overigens ook na de brief van 5 maart 2012, niet aan [geïntimeerden] laten weten dat zij alsnog de herstelwerkzaamheden wilde verrichten conform het gestelde in het deskundigenrapport. De Limieten werd op dat moment al bijgestaan door haar advocaat, dus moet op de hoogte zijn geweest van de te verwachten gevolgen van deze houding. [geïntimeerden] hebben voorts onweersproken gesteld dat De Limieten bij brief van mr. Zwiers van 14 maart 2012 aansprakelijkheid van de hand heeft gewezen en heeft meegedeeld slechts binnen de grenzen van het redelijke bereid te zijn zorg te dragen voor herstelwerk. Hieruit mochten [geïntimeerden] afleiden dat De Limieten niet bereid was om tot daadwerkelijk herstel over te gaan overeenkomstig het rapport van Schalk. Dit geldt temeer nu De Limieten ook in de voorgaande periode herhaaldelijk had laten weten wel herstelwerkzaamheden te willen verrichten, maar niet de daadwerkelijke oorzaak van de problemen, met name de gebrekkige grondbewerking, te willen aanpakken. Het hof concludeert dat De Limieten wel in verzuim is geraakt. Grief 5 treft dus geen doel.

Rapportages deskundige

3.14

De grieven 6 t/m 10 richten zich tegen de waardering door de rechtbank van de rapportages van Schalk en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof stelt voorop dat op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad voor de rechter een beperkte motiveringsplicht geldt bij zijn beslissing om de bevindingen van deskundigen al dan niet te volgen (HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4476, r.o. 7.2.4). Legt een partij een rapport over van een door hemzelf geraadpleegde deskundige en staat dit rapport op gespannen voet met de opinie van de door de rechter aangewezen deskundige, dan behoeft de rechter zijn beslissing om de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige te volgen in het algemeen niet verder te motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering, zeker als deze vooral is gebaseerd op bijzondere kennis, ervaring en/of intuïtie, hem overtuigend voorkomt. De rechter zal op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (vgl. HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478 en HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3514).

3.15

Tegen deze achtergrond bezien deelt het hof het oordeel van de rechtbank dat de conclusies van Schalk kunnen worden gevolgd. De Limieten heeft zich tevergeefs beroepen op de visie van G. Homan (hierna: Homan), werkzaam als commercieel manager in dienst van Spaansen grondstoffen en Logistiek B.V. en daarnaast laborant, neergelegd in een e-mail van 22 april 2015. Het enkele feit dat Schalk het woord ‘stopzand’ gebruikt, daargelaten of dit een officieel erkende benaming is, brengt nog niet mee dat Schalk niet deskundig zou zijn en dat diens rapporten niet betrouwbaar zijn. Het oordeel van Schalk dat zand en klei in de tuin niet goed gemengd zijn, is door Homan niet bestreden. Gelet op de aan te leggen maatstaf bij de beoordeling van de opinie van een partijdeskundige en op de uitvoerige wijze waarop Schalk zijn bevindingen heeft toegelicht, ziet het hof ook overigens in de inhoud van genoemde e-mail van Homan onvoldoende aanleiding om de deugdelijkheid van de conclusies van Schalk in twijfel te trekken. Grief 6 faalt daarmee.

3.16

Grief 7 houdt, samengevat, in dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de bezwaren van De Limieten tegen de wijze waarop Schalk zijn taak heeft uitgevoerd zoals genoemd in de eerste drie volzinnen van rechtsoverweging 4.7 van het eindvonnis van de rechtbank. Het hof is van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat Schalk in strijd heeft gehandeld met eisen van een behoorlijke procesgang, buiten zijn opdracht heeft gehandeld en blijk heeft gegeven van partijdigheid. Voor zover De Limieten bepaalde stukken niet tijdig aan Schalk heeft doen toekomen, komt dit voor rekening van De Limieten zelf. Schalk heeft uit het aan hem ter beschikking gestelde materiaal conclusies getrokken en verwerkt in zijn rapporten. De Limieten heeft gesteld dat Schalk zich daarbij ten onrechte heeft uitgelaten over de vraag of bepaalde leveringen zand/grond wel of niet door De Limieten zijn gedaan. Naar het oordeel van het hof behoorde het echter tot de taak van Schalk om na te gaan waar de opdracht van [geïntimeerden] precies uit bestond en in welke mate en op welke wijze De Limieten daaraan heeft voldaan. De Limieten heeft overigens niet inzichtelijk gemaakt wat de conclusies van Schalk zouden moeten zijn als zou worden uitgegaan van de hoeveelheden zand, grond en dergelijke die volgens haar zijn aangeleverd. Dit had wel van haar verwacht mogen worden, met name in het licht van de conclusie van Schalk op pagina 8 van zijn rapport van 23 maart 2015 dat - samengevat -, ook als inderdaad de hoeveelheden zand, grond en dergelijke geleverd zijn die volgens De Limieten geleverd zijn, zijn oordeel over de tuinaanleg niet anders zou zijn geweest. In dit licht bezien kan ook de in dit hoger beroep overgelegde factuur van [hoveniersbedrijf 1] niet tot een ander oordeel leiden. Ook grief 7 wordt dus verworpen.

3.17

Grief 8 houdt in dat de rechtbank ten onrechte de klacht van De Limieten, dat zij de in het aanvullend deskundigenbericht van 23 maart 2015 genoemde bijlagen niet heeft ontvangen, heeft gepasseerd. De rechtbank heeft in dit opzicht opgemerkt dat De Limieten hierdoor niet is geschaad, nu het door haarzelf verstrekte bijlagen betreft waarvan de inhoud haar bekend is. Het hof verenigt zich met dit oordeel. De stelling van De Limieten, dat zij niet kan controleren op welke stukken de deskundige zijn oordeel heeft gebaseerd, acht het hof niet juist. De Limieten kan dat immers nagaan aan de hand van het rapport van de deskundige. [geïntimeerden] hebben bovendien onweersproken gesteld dat zij de bijlagen evenmin hebben ontvangen zodat van een ongelijke procespositie geen sprake is. Grief 8 wordt eveneens verworpen.

3.18

Grieven 9 en 10, die slechts algemene grieven (zogenoemde veeggrieven) betreffen, behoeven geen afzonderlijke bespreking.

Omvang schade

3.19

Met grief 11 betoogt De Limieten dat, als zij herstelkosten moet betalen, moet worden uitgegaan van de kosten van herstel in eigen beheer omdat zij niet behoorlijk in de gelegenheid is gesteld om herstelwerkzaamheden uit te voeren.

3.20

Zoals het hof hiervoor in rechtsoverweging 3.12 en 3.13 heeft overwogen, hoefde De Limieten niet meer door [geïntimeerden] in de gelegenheid te worden gesteld om de herstelwerkzaamheden alsnog in eigen beheer uit te voeren en is zij in verzuim geraakt. Dat brengt mee dat zij gehouden is om de schade, die [geïntimeerden] dientengevolge hebben geleden, op basis van marktconforme bedragen te vergoeden. Grief 11 faalt.

3.21

Grief 12 richt zich tegen de vaststelling van de rechtbank dat, nu de herstelwerkzaamheden in 2012 zijn uitgevoerd, het BTW-tarief van 2012 van toepassing is. De Limieten acht dit niet juist omdat volgens de eigen stellingen van [geïntimeerden] in 2015 nog een deel van de werkzaamheden gedaan moest worden en toen een BTW-tarief van 6% gold. Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat het merendeel van de werkzaamheden in 2012 is uitgevoerd en een deel thans nog uitgevoerd moet worden. Op dat deel zal het hoge BTW-tarief van toepassing zijn omdat de tijdelijke verlaging van het BTW-tarief voor werkzaamheden zoals hier aan de orde geduurd heeft tot 1 juli 2015. Hierop stuit grief 12 af.

3.22

Grief 13, die betrekking heeft op de proceskosten van de eerste aanleg, kan niet slagen, nu het hof het vonnis van de rechtbank zal bekrachtigen.

3.23

Grief 14 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft geen afzonderlijke bespreking.

3.24

Voor bewijslevering zoals aangeboden door De Limieten ziet het hof geen reden, met name niet omdat, voor zover het bewijsaanbod ziet op de leveringen van zand, grond en dergelijke door De Limieten, het hof heeft vastgesteld, in navolging van Schalk, dat ook als deze leveringen zijn uitgevoerd zoals gesteld door De Limieten, dit niet tot een andere conclusie van de deskundige geleid zou hebben. Het bewijsaanbod is voor het overige onvoldoende specifiek.

Slotoverweging

3.25

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. De Limieten zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt De Limieten in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 1.628,- aan verschotten en € 9.483,- voor salaris;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, F.J. Verbeek en M.S.A. Vegter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.