Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2362

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
23-001776-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Profijtontneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001776-17

Datum uitspraak: 9 maart 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 mei 2016 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-700522-14 tegen de veroordeelde:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 35.199,00.

De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 mei 2016

-kort gezegd- veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal door middel van verbreking.

Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 27 mei 2016 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 35.199,38 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 maart 2018 veroordeeld ter zake van

-kort gezegd- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal door middel van verbreking.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2017 en 23 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn pleitnota het hof verzocht het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel nu, kort en zakelijk weergegeven, gelet op het una-via beginsel sprake is van een dubbele bestraffing indien de verdachte voor hetzelfde feitencomplex naast de intrekking van zijn horecavergunning ook strafrechtelijk gesanctioneerd zou worden.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel overeenkomstig en op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht is een maatregel met enkel een reparatoir karakter en beoogt geen leedtoevoeging. Reeds om die reden kan het verweer van de verdediging niet slagen nu geen sprake is van een strafrechtelijke sanctie in de zin zoals door de verdediging bedoeld en dient het verweer te worden verworpen.

De burgemeester van de gemeente Den Helder heeft op 28 maart 2014 de horecavergunning van de verdachte ingetrokken omdat hij (een van) de voorwaarden van deze vergunning had geschonden. Met de politierechter is het hof daarenboven van oordeel dat het intrekken van een horecavergunning geen punitief karakter heeft als gevolg waarvan strafrechtelijke vervolging zou zijn uitgesloten.

Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof de kennelijke verschrijving in het vonnis op pagina 2 onderaan waar staat ‘343 planten’ verbeterd zal lezen als ‘434 planten’; en

dat het hof het verweer van de raadsman aan de hand van zijn pleitnota inzake de hoeveelheid aangetroffen hennep, de soort hennep en de kweekperiode als volgt verwerpt.

Op basis van de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat vast staat dat in de woning van de veroordeelde op 21 januari 2014 een professioneel ingerichte kweekruimte is aangetroffen met daarin een hoeveelheid plantenresten, zoals wortels en toppen en dat vast staat dat het daarbij gaat om hennep zoals tenlastegelegd. Het aantreffen van genoemde resten in samenhang met de in dezelfde ruimte gevonden 434 (blijkens de foto’s in het dossier in rijen opgestelde) met steenwolsnippers gevulde en kennelijk gebruikte bloempotten, leidt het hof tot de conclusie dat aannemelijk is dat sprake is geweest van tenminste één oogst van 434 planten in de periode zoals bewezenverklaard in de strafzaak, dan wel in de periode daarvoor. De bewezenverklaarde periode en de periode waarover het wederrechtelijk voordeel is berekend hoeven immers niet samen te vallen indien aanwijzingen bestaan voor andere feiten in de zin van artikel 36e lid 2 Sr.

De omstandigheid dat een verbalisant heeft geconcludeerd dat een gedeelte van de in een droogruimte aangetroffen resten van elders is aangevoerd, doet niet af aan het voorgaande.

Voorts begrijpt het hof het verweer van de raadsman inzake de wijze van bemonstering en onderzoek aan de hennepplanten als een beroep op een vormverzuim in het kader van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Nu de raadsman niet aan de hand van de in het tweede lid van dat artikel genoemde factoren duidelijk en gemotiveerd naar voren heeft gebracht waarom bewijsuitsluiting het rechtsgevolg zou moeten zijn van de werkwijze van de opsporingsambtenaren, is het hof in beginsel niet gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. Overigens is het hof van oordeel dat geen sprake is van schending van enig recht van de verdachte, gelet op de in Opiumzaken gebruikelijke werkwijze van de politie zoals beschreven in het door het hof toegevoegde bewijsmiddel en overweegt daartoe als volgt.

De omstandigheid dat het voor het verrichten van een tegenonderzoek bestemd materiaal, in dit geval monsters dan wel de hennepkwekerij als zodanig, niet meer beschikbaar is, brengt niet mee dat de verkrijging van het bewijsmateriaal zoals vervat in het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van 19 augustus 2014 (dossierpagina 17 tot en met 20) reeds op die grond als onrechtmatig moet worden beschouwd (vgl. HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1451).

Uit beide kweekruimtes zijn monsters genomen van één van de aanwezige hennepplanten en onderzocht. Een klein gedeelte van dit monster is getest met behulp van test 8 (Duquenois reagent) van de O.D.V. narcotica-testset. Dit leverde een blauw/paarse verkleuring op van de in het testbuisje aanwezige vloeistof, een aanwijzing voor wat betreft de aanwezigheid van TetraHydroCannabinol (THC), zijnde de werkzame stof in cannabisplanten.

Het verweer wordt verworpen.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.C. Kortenhorst en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 maart 2018.

Mr. Boumans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]