Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2358

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
23-000416-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 2.2. lid 8 Wet dieren. Veroordeeld voor het onthouden van de nodige zorg aan een dier. Onvoldoende grond om de bijz. vw. op te leggen dat verdachte gedurende de proeftijd geen of max één dier mag houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000416-17

datum uitspraak: 10 juli 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 januari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-234504-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

26 juni 2018.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 25 juni 2016, te Alkmaar als houder van een dier, te weten een hond (van het ras Yorkshire Terriër) de nodige verzorging aan dat dier heeft onthouden, immers heeft zij, verdachte, de hond vastgebonden aan een speeltoestel (op een speelveld in de buitenlucht) en/of (vervolgens) de hond alleen achtergelaten zonder (voldoende) schoon drinkwater en/of (voldoende) voedsel.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 25 juni 2016 te Alkmaar als houder van een dier, te weten een hond (van het ras Yorkshire Terriër) de nodige verzorging aan dat dier heeft onthouden, immers heeft zij, verdachte, de hond vastgebonden aan een speeltoestel (op een speelveld in de buitenlucht) en vervolgens de hond alleen achtergelaten zonder schoon drinkwater.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot 20 uur taakstraf (subsidiair 10 dagen hechtenis), waarvan 10 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 (drie) jaren en heeft als bijzondere voorwaarde opgelegd dat de veroordeelde geen dieren zal houden voor de duur van de proeftijd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uur (subsidiair 10 dagen hechtenis), waarvan 10 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 (drie) jaar. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd de verdachte als bijzondere voorwaarde op te leggen dat zij gedurende de proeftijd maximaal één huisdier houdt.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit geen bijzondere voorwaarde op te leggen, nu de verdachte al voor het onderhavige feit een poes had, die zij nog steeds heeft. De poes is 11 jaar oud en blind. Zij wil daarvoor blijven zorgen. Daar komt bij dat de verdachte na het onderhavige feit geen nieuwe (soortgelijke) strafbare feiten heeft gepleegd en dat zij de kans wil krijgen te laten zien dat zij heeft begrepen dat je zo niet met dieren omgaat.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft haar hond opzettelijk achtergelaten op een speelveldje en het hondje de nodige verzorging onthouden door geen drinkwater bij het dier achter te laten. De verdachte heeft door het hondje de nodige zorg te onthouden de op haar, als houder van dat hondje, rustende verantwoordelijkheid voor het welzijn van haar hond miskend. Het houden van dieren is niet vrijblijvend. Wie dieren houdt, draagt daar verantwoordelijkheid voor. Mochten zich omstandigheden voordoen waardoor iemand niet meer voor een dier kan of wil zorgen, dan is er altijd de mogelijkheid om dat dier naar het asiel te brengen. Dat is wel het minste wat men van een houder van een dier mag verwachten.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 juni 2018 is zij niet eerder voor een soortgelijke delict strafrechtelijk veroordeeld. Het enkele feit dat een zus en een neef van de verdachte hebben verklaard dat zij zich eerder heeft ontdaan van dieren, is onvoldoende om op grond daarvan de bijzondere voorwaarde op te leggen dat zij gedurende de proeftijd geen of maximaal één dier mag houden.

Het hof acht, alles afwegende, een gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden en zal gelet op het voorgaande geen bijzondere voorwaarde opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.2, 8.11 en 8.12 van de Wet dieren.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 10 (tien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.C. Römer en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juli 2018.

[...]