Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2355

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
23-002923-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Taxivervoer Uber. Ubertaxi hoeft taxameter niet te gebruiken. Ontslag van rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002923-16

datum uitspraak: 10 juli 2018

TEGENSPRAAK (na heropening onderzoek verdachte niet verschenen)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2016 in de strafzaak onder parketnummer 96-052748-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

26 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 8 juni 2014 te Amsterdam, als bestuurder van een auto, voorzien van het kenteken [kenteken], taxivervoer heeft verricht, zonder de in die auto aanwezige taxameter te gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de economische politierechter.

Feiten

De verdachte verrichtte met zijn taxi zowel regulier taxivervoer, als vervoer met tussenkomst van Uber. Bij de laatste vorm van vervoer wordt voorafgaand aan de rit via de Uber-app tussen klant en chauffeur afgesproken welke rit zal worden verricht en tegen welke prijs. De verdachte is van mening dat hij in dat geval de taxameter niet hoeft te gebruiken. Bij de ten laste gelegde rit waren de afspraken tussen de klant en hem via Uber tot stand gekomen en heeft hij de taxameter niet gebruikt.

Procedure in hoger beroep

Bij tussenarrest van 4 april 2017 heeft het hof het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde onderzoek te doen naar het vervolgingsbeleid met betrekking tot taxichauffeurs die rijden voor Uber, alsmede naar eventuele (beleids-)afspraken met de Uberorganisatie.

Dit heeft geleid tot een brief van 23 januari 2018 van [naam], seniorinspecteur PV bij de Inspectie Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daarin wordt, zakelijk samengevat, het volgende vermeld:

De inspectie kent geen apart vervolgingsbeleid met betrekking tot taxichauffeurs die voor Uber rijden.

Er zijn door de inspectie geen afspraken met de Uberorganisatie gemaakt over het vervolgingsbeleid met betrekking tot chauffeurs die voor Uber rijden.

Een taxichauffeur die via Uber een taxirit verricht die via een app tot stand is gekomen en die een eenheidsprijs oplevert, heeft voor dergelijk vervoer geen taxameter nodig en hoeft, indien aanwezig, deze ook niet te gebruiken, gelet op de redactie van de artt. 2aa RMT en 78 lid 6 Bp2000.

Relevante regelgeving

Artikel 78 Besluit Personenvervoer 2000 (BPV2000) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. De vervoerder die taxivervoer verricht draagt er zorg voor dat in een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, een taxameter aanwezig is die zichtbaar voor de reiziger de vervoerprijs overeenkomstig de kenbaar gemaakte tarieven aangeeft.

(…)

3. Behoudens in geval schriftelijk in een overeenkomst tarieven zijn vastgelegd voor gedurende een bepaalde periode meermalen te verrichten taxivervoer, wordt taxivervoer slechts verricht indien de in de auto aanwezige taxameter wordt gebruikt.

(…)

6. Het eerste lid is niet van toepassing indien de auto uitsluitend wordt gebruikt voor taxivervoer dat wordt verricht ter uitvoering van een schriftelijke overeenkomst waarbij gedurende in een bij die overeenkomst vastgestelde periode meermalen taxivervoer wordt verricht tegen een in die overeenkomst vastgelegd tarief en in door Onze Minister te bepalen gevallen waarbij de auto uitsluitend wordt gebruikt voor vervoer tegen eenheidsprijzen.

De in dit artikel genoemde verplichting om de aanwezige taxameter te gebruiken is een voorschrift dat is gegeven krachtens artikel 79, eerste lid onder c, van de Wet Personenvervoer 2000 (WPV2000).

De in artikel 78 lid 6 BPV200 opgenomen vrijstelling is per 1 januari 2016 verruimd door een wijziging van de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer, door het opnemen in die regeling van een nieuw artikel 2aa:

1. De in artikel 78, zesde lid, van het Besluit personenvervoer 2000 bedoelde nader te bepalen gevallen betreffende het niet van toepassing zijn van de eis betreffende de zichtbare aanwezigheid van een taxameter zijn de gevallen waarin het voertuig aantoonbaar uitsluitend wordt gebruikt voor taxivervoer tegen een voorafgaand aan de taxirit op kenbare en transparante wijze met de consument overeengekomen vast tarief per rit als bedoeld in artikel 1, derde lid.

In artikel 1, derde lid van de regeling is voor de vervoerder de mogelijkheid geopend om taxivervoer aan te bieden tegen een vast tarief, mits dit vooraf met de consument is overeengekomen.

Het ten laste gelegde feit heeft plaatsgevonden vóór het inwerkingtreden van artikel 2aa van de Regeling. Nu dit artikel een voor de verdachte gunstiger bepaling inhoudt, brengt artikel 1 lid 2 Wetboek van Strafrecht mee dat het dient te worden toegepast.

Omtrent de strekking van artikel 2aa van de Regeling zijn twee brieven van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van belang.

Bij brief van 5 mei 2015 heeft de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer geschreven dat wordt voorgesteld de uitzondering van artikel 78 lid 6 BPV200 “te verbreden naar alle (onderstreping hof) gevallen waarin voorafgaand aan de taxirit een vaste prijsafspraak wordt gemaakt, bij voorbeeld door gebruikmaking van ‘apps’” (TK 31 521, nr. 88).

Op 16 juni 2016 schreef de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer: “De taxameter berekent gedurende de rit wat de eindprijs wordt. Daarnaast bestaat altijd de mogelijkheid om vooraf een prijs af te spreken: de taxameter hoeft dan niet te worden gebruikt (…). Dit is toegestaan als chauffeur en consument dit van tevoren overeenkomen, zoals vaak het geval bij (digitaal) bestelde ritten. Met deze twee mogelijkheden wordt voor de consument zowel bescherming als vrijheid geboden.” (31 521, nr. 100).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op 8 juni 2014 te Amsterdam, als bestuurder van een auto, voorzien van het kenteken [kenteken], taxivervoer heeft verricht zonder de in die auto aanwezige taxameter te gebruiken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De hierboven weergegeven toepasselijke regelgeving brengt als hoofdregel mee dat taxivervoer alleen mag worden verricht indien de in de taxi aanwezige taxameter wordt gebruikt. Hiervan is uitgezonderd het vervoer dat wordt verricht met een voertuig dat uitsluitend wordt gebruikt voor taxivervoer tegen, kort gezegd, vast tarief.

Dit zou betekenen dat de vervoerder die Ubervervoer verricht de taxameter niet hoeft te gebruiken als met het voertuig uitsluitend Ubervervoer en/of ander taxivervoer tegen vast tarief wordt verricht. Een vervoerder die met zijn voertuig buiten het Ubervervoer ook ‘gewone’ taxiritten verricht, zoals de verdachte, zou dan bij het Ubervervoer wél de taxameter moeten gebruiken. Met zijn voertuig wordt immers niet uitsluitend vervoer tegen vast tarief verricht. Dit is een ongerijmdheid in de regelgeving. Niet valt immers in te zien welk redelijk doel in zo’n geval met het gebruik van de taxameter wordt gediend en bovendien is het verschil in behandeling tussen het Ubervervoer met het ene en het andere taxivoertuig niet te rechtvaardigen. Uit de hierboven geciteerde brieven van de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer volgt ook niet dat dit de bedoeling van de regering is geweest.

Redelijke wetsuitleg brengt dan ook mee dat een taxichauffeur die Ubervervoer verricht, waarbij de ritprijs van tevoren is overeengekomen, niet verplicht is de taxameter te gebruiken, ongeacht of het voertuig uitsluitend voor vervoer tegen vast tarief, of ook voor ‘gewone’ taxiritten wordt gebruikt. Deze uitkomst stemt bovendien overeen met hetgeen de seniorinspecteur PV [naam] uit de redactie van de artikelen 2aa RMT en 78 lid 6 Bp2000 afleidt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bewezenverklaarde niet is te kwalificeren als een strafbaar feit. De verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.C. Römer en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juli 2018.

[...]