Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2348

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
23-000369-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000369-18

datum uitspraak: 31 mei 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-200497-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 maart 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer], eenmaal of meermalen met kracht op het oog en/of in het gezicht te slaan en/of stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurd netvlies en/of zichtsverlies (aan het rechteroog) ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de kinderrechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 maart 2017 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer], met kracht op het oog te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurd netvlies aan het rechteroog ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep naar de kern genomen bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte door de aangever in een nekklem werd gehouden waardoor de verdachte niet weg kon komen en in paniek raakte. Hierdoor was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.

Het hof begrijpt dat de raadsman hiermee een verweer strekkende tot vrijspraak heeft gevoerd, verwerpt dat verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het hof overweegt dat voor een geslaagd beroep op noodweer allereerst moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een noodweersituatie: een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvan.

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep gaat het hof van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op enig moment is er in de klas een woordenwisseling ontstaan tussen de aangever en de verdachte en heeft de verdachte een pen naar de aangever gegooid, welke pen de aangever terug heeft gegooid. Daarna volgen meer scheldwoorden, waarop vrijwel meteen de verdachte is opgestaan, op de aangever is afgelopen en de tafel waaraan de aangever zat omhoog heeft gegooid, welke nabij de aangever op zijn kant terecht kwam. Hierover heeft de verdachte in hoger beroep verklaard dat hij zich voor kan stellen dat de aangever door deze actie (te weten: het op de aangever aflopen en een tafel in de lucht gooien) erg was geschrokken. Hierop is een worsteling ontstaan tussen de aangever en de verdachte, waarbij de aangever de verdachte op enig moment bij de nek vast heeft gegrepen. Hierop heeft de verdachte de aangever (ten minste eenmaal) met zijn vuist met kracht op het oog gestompt.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de gedragingen van de verdachte als aanvallend en agressief kunnen worden bestempeld en derhalve als in ieder geval een dreiging van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waartegen de aangever zich mocht verdedigen door het in een worsteling bij de nek vastpakken van de verdachte. Het feit dat de verdachte ter terechtzitting bekent dat hij kwaad naar de verdachte is toegelopen waarbij hij een tafel van de grond lichtte en hij zich kan voorstellen dat iemand daarvan zou schrikken, ondersteunt dit oordeel. Het vastpakken door de aangever van de verdachte kan aldus niet als wederrechtelijk worden beschouwd, en er is derhalve naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door de aangever of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvan, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen op de wijze waarop hij dit heeft gedaan. Derhalve is geen sprake geweest van een noodweersituatie en wordt het verweer van de raadsman verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft zich in het geval van strafoplegging ten aanzien van de hoogte van de straf gerefereerd voor het geval er een taakstraf bestaande uit een werkstraf wordt opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. Daardoor heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en voor hem een angstige situatie in het leven geroepen, temeer nu het feit plaatsvond op school, een plek waar men zich veilig dient te voelen. Tevens brengen feiten als de onderhavige gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 april 2018 is hij eerder ter zake van een geweldsmisdrijf veroordeeld, welke veroordeling inmiddels onherroepelijk geworden. Het hof zal hier in het kader van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in diens nadeel betekenis aan toekennen.

Het hof heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 18 januari 2018. De Raad adviseert om in het geval van strafoplegging aan de verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het goed met hem gaat. Hij gaat nu één dag per week naar school en loopt de overige dagen stage bij een buurthuis. Dit doet hij ter voorbereiding op het ROC, niveau 1, richting elektrotechniek. Hij gebruikt geen drank of drugs en sport veel in de vorm van kickboksen, hardlopen en voetballen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf bestaande uit een werkstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof ziet, anders dan door de advocaat-generaal gevorderd en door de kinderrechter opgelegd, geen aanleiding om een deel hiervan voorwaardelijk op te leggen en hieraan een proeftijd te verbinden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.488,00, bestaande uit € 3.250,00 immateriële schade en € 238,00 materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00 immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd tot een bedrag van € 2.500,00 immateriële schade en € 238,00 materiële schade met vergoeding van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering voor de overige immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsman van de verdachte heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren nu hij ontslag van alle rechtsvervolging (naar het hof begrijpt: vrijspraak) heeft bepleit voor het tenlastegelegde feit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om in het geval van toewijzing van de vordering een lager bedrag toe te wijzen dan de kinderrechter heeft gedaan, nu sprake is van medeschuld van het slachtoffer en de vordering ten aanzien van het materiële deel onvoldoende is onderbouwd. Ook dient hierbij rekening gehouden te worden met de geringe draagkracht van de verdachte.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof stelt dit bedrag vast op € 2.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering van de immateriële schade tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof ziet geen aanleiding om het bedrag op grond van medeschuld van de aangever of op grond van de geringe draagkracht van de verdachte te matigen.

Voor het overige deel van de immateriële schade is onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor een bedrag van € 1.250,00 zal worden afgewezen.

Voor het materiële deel van de gevorderde schade is het hof van oordeel dat behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77m, 77n en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige (de materiële schade) niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 maart 2017.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. M.J.A. Duker en mr. J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 mei 2018.

Mr. Van Heusden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]