Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2342

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
20-07-2018
Zaaknummer
23-004393-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wederspannigheid en bedreiging verbalisant met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004393-17

datum uitspraak: 5 april 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 30 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-187988-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 8 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, toen (een) aldaar dienstdoende politieambtena(a)r(en) (te weten: [ambtenaar 1] (hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam) en/of [ambtenaar 2] (brigadier politie Eenheid Amsterdam)) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door

- ( meermalen) zijn, verdachtes, arm(en) los te rukken uit de greep van die ambtena(a)r(en) en/of

- weg te stappen/lopen van die ambtena(a)r(en) en/of

- ( meermalen) te rukken/trekken/draaien in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte te geleiden;


2.
hij op of omstreeks 8 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [ambtenaar 1] (hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam) en/of [ambtenaar 2] (brigadier politie Eenheid Amsterdam) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [ambtenaar 1] en/of [ambtenaar 2] dreigend de woorden toe te voegen "Als je in je vrije tijd bent, maak ik je dood. Ik maak je dood kankerlijder", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de kinderrechter.

Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren

Wederspannigheid

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat de vordering aan de verdachte tot inzage van zijn identificatiebewijs (ID) niet redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitoefening van de politietaak. Deze vordering is daarmee onrechtmatig gedaan en aldus handelden de verbalisanten niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken van het plegen van verzet.

Subsidiair stelt de raadsman dat de situatie is geëscaleerd op het moment dat één van de verbalisanten de telefoon van de verdachte afpakte, wat de verdachte trachtte te verhinderen. Volgens de raadsman was de telefoon echter geen voorwerp dat op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in beslag mocht worden genomen. De verbalisanten handelden dan ook in dit opzicht niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, zodat de verdachte van het verzet daartegen moet worden vrijgesproken.

Tot slot verzoekt de raadsman meer subsidiair de verdachte vrij te spreken van dit feit omdat de door hem uitgevoerde handelingen in de context waarin deze hebben plaatsgevonden, geen geweld opleveren in de zin van artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, waaronder de bekeken camerabeelden, vast dat de verbalisanten [ambtenaar 1] (hierna: [ambtenaar 1] ) en [ambtenaar 2] (hierna: [ambtenaar 2] ) zich op 8 juli 2017 in burger gekleed in een onherkenbaar dienstvoertuig bevonden in de Nova Zemblastraat te Amsterdam. Zij zagen dat er een groepje van vier jongens uit de richting van de Houtmankade kwam gelopen. Twee van die jongens, waaronder de verdachte, stonden stil voor het dienstvoertuig en keken indringend naar binnen. De verdachte ging de confrontatie aan met de verbalisanten, al had hij toen wellicht niet door dat het verbalisanten waren. De verdachte had zijn telefoon in zijn hand en maakte kennelijk enige vorm van beeldmateriaal van het voertuig en/of de verbalisanten, dan wel deed alsof. Hij stond ongeveer twee meter van het voertuig, keek uitdrukkelijk naar de kentekenplaat en voerde handelingen aan zijn telefoon uit alsof hij kentekengegevens vastlegde in zijn telefoon. Op het moment dat de verdachte zich omdraaide hield hij zijn telefoon over zijn linkerschouder in de richting van het dienstvoertuig gericht, terwijl hij met zijn rug naar de verbalisanten stond. De handelingen van de verdachte vonden plaats in een tijdsbestek van vijf minuten en hij richtte dermate veel aandacht op het dienstvoertuig en de verbalisanten dat zij hun taak – waarover hieronder meer – niet meer naar behoren konden uitoefenen. [ambtenaar 2] is daarop uitgestapt en heeft aan de verdachte inzage gevorderd in een geldig op zijn naam gesteld ID-bewijs. Op de vraag van de verdachte wie hij was, heeft [ambtenaar 2] zich middels het van dienstwege verstrekte externe legitimatiebewijs bekend gemaakt als politiemedewerker. In elk geval vanaf dat moment wist de verdachte dat hij met de politie te maken had. [ambtenaar 2] vorderde daarop nogmaals inzage in het ID-bewijs van de verdachte. Op het moment dat de verdachte geen ID-bewijs kon overleggen, heeft [ambtenaar 2] hem verteld dat hij is aangehouden en hem bij de mouw van zijn ‘goede’ arm (de andere onderarm zat in het gips) met zachte dwang richting het dienstvoertuig bewogen. [ambtenaar 2] zag en voelde dat de verdachte zijn arm losrukte. Vervolgens pakte [ambtenaar 2] , toen de verdachte een stap bij hem vandaan deed, de capuchon van zijn vest vast. Hierop reageerde de verdachte erg onrustig en [ambtenaar 2] voelde dat hij zich uit zijn greep wilde los draaien. [ambtenaar 1] zag dat de verdachte zich los probeerde te trekken uit de greep van [ambtenaar 2] en heeft hem eveneens vastgepakt. De verdachte begon emotioneel te worden, schreeuwde hard, en probeerde zijn armen los te trekken uit de greep van de verbalisanten.

Op de camerabeelden is waar te nemen dat op het moment dat [ambtenaar 2] de verdachte bij zijn capuchon beet heeft, de verdachte zijn mobiele telefoon richt op [ambtenaar 1] . [ambtenaar 2] wil dan de telefoon van de verdachte afnemen, hetgeen de verdachte tracht te voorkomen.

De verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie erkend dat hij zich op 8 juli 2017 niet kon legitimeren omdat hij zijn ID-bewijs niet bij zich had. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij zich heeft verzet omdat hij zijn telefoon niet wilde afgeven en niet in een greep gehouden wilde worden. Hij raakte daardoor gefrustreerd, werd boos en heeft zich één á twee keer getracht los te rukken en te trekken.

Het hof overweegt op grond van het voorgaande dat de verbalisanten door de handelingen van de verdachte werden gehinderd bij het uitvoeren van de aan hen opgedragen politietaak, te weten de observatie van een in de buurt gelegen woning. Het is dan ook zeer goed voorstelbaar dat zij uiteindelijk wilden weten wie hen hinderde en zin zoverre was de vordering aan verdachte tot inzage in diens legitimatiebewijs redelijkerwijs noodzakelijk voor de uitoefening van de politietaak. Deze vordering was dus niet onrechtmatig en de verbalisanten handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. De verdachte mocht zich daartegen niet verzetten, maar hij heeft dat wel gedaan. Dat verzet niet was toegestaan geldt ook in het geval geoordeeld zou moeten worden dat de verbalisanten de telefoon van de verdachte niet van hem mochten afnemen. Een oordeel op dat punt kan daarom in het midden blijven.

De hierboven omschreven gedragingen van de verdachte in combinatie met de heftigheid daarvan, zoals door het hof is waargenomen op de ter terechtzitting in hoger beroep bekeken camerabeelden, leveren geweld op in de zin van artikel 180 Sr. Het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde feit kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen. De verweren worden verworpen.

Bedreiging

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat de aan de verdachte ten laste gelegde woorden niet zijn te horen op de beschikbare camerabeelden, terwijl ze volgens het proces-verbaal van bevindingen geuit zouden zijn vóórdat de verdachte door de verbalisanten naar de grond wordt gebracht, en juist dit fragment duidelijk is te zien en te horen op de camerabeelden. Het voornoemde proces-verbaal is volgens de raadsman daarom geen reële weergave van hetgeen er is voorgevallen. De verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Volgens het proces-verbaal van bevindingen hoorden de verbalisanten de verdachte, op het moment dat [ambtenaar 1] geweld tegen de verdachte gebruikte om zijn verzet te breken, zeggen: “Als je in je vrije tijd bent, maak ik je dood. Ik maak je dood kankerlijder”. Op de ter terechtzitting in hoger beroep bekeken camerabeelden is bij aanvang van het in tijdslijn tweede filmfragment, te horen dat [ambtenaar 1] , die de verdachte op dat moment tegen de grond houdt, tegen de verdachte zegt: “Dit is een bedreiging weet je dat”, of woorden van gelijke strekking. Deze uitlating van [ambtenaar 1] strookt met hetgeen door de verbalisanten is opgenomen in het proces-verbaal.

Het feit dat de tenlastegelegde woorden niet op de camerabeelden zijn te horen wil niet zeggen dat deze niet zijn geuit. Er zijn veel geluiden te horen op de camerabeelden en niet alles is (even goed) verstaanbaar. Bovendien is kennelijk niet elk moment van het incident vastgelegd, nu de camerabeelden bestaan uit twee, in tijdslijn niet exact op elkaar aansluitende filmfragmenten. Blijkbaar is de opname tussentijds onderbroken geweest, onduidelijk is hoe lang. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte richting [ambtenaar 1] de bedreigende woorden zoals tenlastegelegd heeft geuit. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 8 juli 2017 te Amsterdam toen aldaar dienstdoende politieambtenaren, te weten: [ambtenaar 1] , hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam, en [ambtenaar 2] , brigadier politie Eenheid Amsterdam, verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door

- meermalen zijn, verdachtes, armen los te rukken uit de greep van die ambtenaren en

- te rukken, trekken en draaien in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden;

2.
hij op 8 juli 2017 te Amsterdam, [ambtenaar 1] , hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [ambtenaar 1] dreigend de woorden toe te voegen "Als je in je vrije tijd bent, maak ik je dood. Ik maak je dood kankerlijder".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie, waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde onderwijs volgen volgens het lesrooster met toezicht en begeleiding door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSS).

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Tevens heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffende adviesrapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 28 november 2017. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich met geweld verzet tegen een tweetal verbalisanten Hierdoor heeft hij het gezag van de betreffende ambtenaren aangetast en hen belemmerd in de uitoefening van een hun toekomende bevoegdheid. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van een van de verbalisanten. Door zijn handelen heeft de verdachte op agressieve wijze, schreeuwend, een voor de betreffende politieman, die enkel zijn werk deed, intimiderende situatie geschapen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel van de Justitiële Documentatie van 31 januari 2018 heeft de verdachte geen relevante documentatie, zodat het hof hem als een zogeheten first offender beschouwt.

Namens de Raad is door [naam] ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat er hulpverlening in het gezin van de verdachte is gekomen. Indaad is net gestart. Hierdoor is een beslissing in de lopende procedure inzake de uithuisplaatsing van de verdachte aangehouden; hij krijgt nog een kans. Voorts volgt de verdachte nu het leerwerkproject Learn2Work en is hij sinds deze week gestart op een nieuwe school. De verdachte heeft nog steeds hulpverlening nodig, ook ter voorkoming van recidive.

Het advies zoals gegeven in het rapport van 28 november 2018 is nog steeds passend, te weten, met enige aanpassing aan de nieuwe situatie: een deels voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf met als bijzondere voorwaarden schoolgang volgens het rooster en meewerken aan de ingezette hulpverlening van Indaad met daarbij toezicht en begeleiding door de WSS.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het de laatste tijd goed met hem gaat. Na onderhavige incidenten hebben zich geen nieuwe incidenten voorgedaan; hij heeft hiervan geleerd en kijkt er nu anders tegenaan. Hij heeft een nieuwe school en dat gaat goed. Ook thuis en buiten op straat gaat het sinds een half jaar veel beter. Hij heeft geen problemen meer in de buurt. Hij wil wel meewerken aan de hulpverlening. Hij houdt niet van praten met hulpverleners, maar hij begrijpt dat als hij niet meewerkt in het geval bijzondere voorwaarden daartoe verplichten, daar consequenties aan verbonden zijn.

Dat het met de verdachte beter gaat thuis en buiten op straat is ter terechtzitting in hoger beroep onderschreven door zijn vader.

Gezien de aard en de ernst van de feiten acht het hof in beginsel een hogere straf dan opgelegd door de rechtbank en gevorderd door de advocaat-generaal passend. Op grond van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, te weten dat de verdachte sinds een half jaar een positieve weg is ingeslagen nu hij meewerkt met de hulpverlening, gestart is op een nieuwe school en het ook thuis en op straat beter gaat, bestaat volgens het hof echter aanleiding om nu niet zwaarder te straffen dan de rechtbank heeft gedaan. De op te leggen straf zal deels voorwaardelijk zijn met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 180 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd verplicht is zich periodiek te melden bij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, zo vaak en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijdonderwijs volgens zijn lesrooster zal volgen.

Geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J. Piena, mr. P.F.E. Geerlings en mr. A.M. Kengen in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 april 2018.

[...]