Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2340

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
20-07-2018
Zaaknummer
23-004033-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inbraak, opzet- en schuldheling en diefstallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004033-17

datum uitspraak: 5 april 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 november 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-760019-17 (zaak A) en 15-049840-17 (zaak B), alsmede 15-284260-14 (TUL) tegen

[verdachte ] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

adres: [adres 1] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van het in zaak A onder 1 eerste, tweede en vijfde (heling bromfietsen) alternatief/cumulatief

De verdachte is in eerste aanleg (impliciet) vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A onder 1 als eerste (heling bromfiets met kenteken [kenteken 1] ) en tweede (heling bromfiets met kenteken [kenteken 2] ) alternatief/cumulatief ten laste is gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven (impliciete) beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijzigingen en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Zaak A

1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 04 april 2017 tot en met 13 juni 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal een of meer goederen, te weten

- kappen afkomstig van een bromfiets en/of

- een of meer helmbak(ken) en/of

- een of meer bromfietsen en/of (andere) onderdelen daarvan ((van) kenteken [kenteken 3] en/of [kenteken 4] ) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;


2.
hij op of omstreeks 09 april 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand (gelegen aan de Parklaan 6) heeft weggenomen 3, althans een of meer laptop(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.
hij op of omstreeks 23 april 2017 te Hoofddorp, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een Piaggio (kenteken [kenteken 5] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des midsrijfs heeft verschat en/of de/het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

4.
hij op of omstreeks 09 mei 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een school( [naam 1] ) heeft weggenomen 25, althans een of meer laptop(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Zaak B

1.
hij op of omstreeks 08 december 2016 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

subsidiair

hij op of omstreeks 8 december 2016 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een bromfiets heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 augustus 2016 tot en met 09 december 2016 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, één of meer goederen, te weten een bromfiets en/of het motorblok van een bromfiets en/of onderdelen van een bromfiets, heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en in zaak B onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A

1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 april 2017 tot en met 13 juni 2017 te Hoofddorp, goederen, te weten

- kappen afkomstig van een bromfiets en

- helmbakken en

- onderdelen van bromfietsen met kenteken [kenteken 3] en [kenteken 4] voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;


2.
hij op 9 april 2017 te Hoofddorp, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand, gelegen aan de Parklaan 6, heeft weggenomen 3 laptops, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;


3.
hij op 23 april 2017 te Hoofddorp, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Piaggio, kenteken [kenteken 5] , toebehorende aan [slachtoffer 3] ;


4.
hij op 9 mei 2017 te Hoofddorp, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een school ( [naam 1] ) heeft weggenomen 25 laptops, toebehorende aan [naam 1] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming.


Zaak B

1.

primair
hij op 8 december 2016 te Hoofddorp, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets, toebehorende aan [slachtoffer 7] ;


2.
hij op tijdstippen in de periode van 16 augustus 2016 tot en met 9 december 2016 te Hoofddorp, het motorblok van een bromfiets voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zakelijk weergegeven in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat. Het hof neemt daarbij de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen over van de rechtbank met enkele wijzigingen en aanvullingen.

De als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

Ten aanzien van zaak A

Feit 1, gedachtestreepje met betrekking tot ‘kappen afkomstig van een bromfiets’

1. Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2017085884-1 van 27 april 2017, inhoudende de verklaring van [getuige 1] , dossierpagina’s 569 en 571:

Hij deed aangifte en verklaarde het volgende over het incident dat plaatsvond tussen 26 april 2017 te 00:00 uur en 27 april 2017 te 00:30 uur:

“Snorscooter is bij verjaardag aan de [adres 2] , voor de deur gestolen”.

Bijlage goederen:

Kenmerken: kappen bordeauxrood.

2. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2017085884-5 van 15 juni 2017, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] , dossierpagina 591, met bijlagen:

Onderzoek aangetroffen kappen in de tuin van [verdachte ]

Op dinsdag 13 juni 2017, zijn diverse bromfietsonderdelen in beslag genomen. Deze onderdelen betroffen onder andere rode bromfiets kappen.

Ik herkende deze kappen als zijnde de kappen van de bromfiets van aangever [getuige 1] . Ik herken de kappen aan de unieke schade.

Feit 1, gedachtestreepje met betrekking tot ‘helmbakken’

3. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2017121423-4 van 14 juni 2017, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] , dossierpagina’s 507 en 508:

Op 13 juni 2017 werd verdachte [verdachte ] in de woning [adres 1] aangehouden ter zake bedrijfsinbraak en diefstal c.q. heling.

In de achtertuin hebben wij een onderzoek ingesteld naar de afkomst van de bromfietsen en de losse onderdelen die daar lagen.

Ik zag dat mijn collega [naam 2] een helmbak van een buddyseat bekeek.

Ik zag dat mijn collega [naam 2] naar mij toe kwam lopen en ik hoorde eggen dat de helmbak onderdeel was van een bromfiets voorzien van het kenteken [kenteken 6] en deze op 28 mei 2017 was gestolen uit een voortuin van liet [adres 3] .

Ik zag dat collega [naam 2] een andere helmbak pakte welke in de achtertuin lag. Kort hierop hoorde ik haar zeggen dat de helmbak onderdeel was van een bromfiets voorzien van het kenteken [kenteken 3] en op 20 mei 2017 gestolen was vanaf het [adres 4] .

Feit 1, gedachtestreepje met betrekking tot een of meer onderdelen van bromfietsen met kenteken [kenteken 3] en [kenteken 4]

4. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2017116066-2 van 10 juli 2017, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] , dossierpagina’s 42 en 43 van de aanvulling:

Op 6 juni 2017 omstreeks 14:00 uur was ik onaangekondigd langs geweest bij [verdachte ] (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte). [verdachte ] was in de achtertuin. Ik zag dat de achtertuin bezaaid lag met scooter onderdelen.

Los motorblok [nummer 1] *

Bromfiets [verdachte ] [nummer 2] *

5. Een schriftelijk bescheid, zijnde een onderzoeksrapport van het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit van 26 juni 2017, opgemaakt door [naam 16] , dossierpagina’s 44 en 45 van de aanvulling:

Hierbij de gevraagde gegevens. Voertuigen met kentekens [kenteken 3] en [kenteken 4] staan als gestolen.

VIN: [nummer 5] ([kenteken 4])

Motornummer: [nummer 1]

Merk: Piaggio

Type: Zip 41.

VIN: [nummer 3] ( [kenteken 3] )

Motornummer: [nummer 4]

Merk: Piaggio

Type: Zip sp

6. Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2017102619-1 van 20 mei 2017, inhoudende de verklaring van [getuige 2] , woonachtig aan de [adres 4] , dossierpagina 544:

Ik wil aangifte doen van diefstal van mijn bromfiets. Dit betreft een Piaggio Zip C25 wit van kleur. Het kenteken betreft: [kenteken 3] .

Ik heb mijn Zip op 20 mei 2017 omstreeks 0:30 uur nog zien staan in mijn achtertuin. Toen ik om 01:30 uur naar buiten keek zag ik dat mijn Zip niet meer in mijn achtertuin stond op de plek waar ik hem had neergezet.

7. Een schriftelijk bescheid, zijnde een afschrift van aangifte, proces-verbaalnummer PL13AD-2015042392 door [getuige 3] , dossierpagina’s 46 en 47 van de aanvulling:

Pleegplaats [adres 5]

Tijdstip achtergelaten 20-02-2015 02:00

Tijdstip geconstateerd 20-02-2015 09:00

Voorval

Omschrijving voorval Ik ben vannacht thuisgekomen brommer op slot gezet en vanmorgen was die weg.

Merk: Piaggio

Kenteken/verz. plaat [kenteken 4]

Framenummer: [nummer 5]

8. Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd:

Ik koop die onderdelen, zoals aangetroffen in mijn tuin, tweedehands op Marktplaats. Het gaat dan om helmbakken, kapjes, uitlaten etcetera. Ik koop ze meestal in grote partijen van zo’n 20 á 30 onderdelen, want dan is het goedkoper. De laatste partij, waartoe ook de gestolen helmbakken en kappen behoorden, heb ik van een particulier gekocht bij mij in de regio. Ik weet niet meer waar het precies was. Ik heb ongeveer 100 a 200 euro betaald. Het bedrag weet ik niet meer exact. Ik weet ook niet meer wie die persoon was. De advertentie heb ik niet bewaard, dus ik kan het ook niet meer nagaan. Ik heb niet gevraagd hoe diegene aan al die onderdelen is gekomen.

Bewijsoverweging

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de in de tuin van de verdachte aangetroffen kappen, helmbakken en de motorblokken afkomstig zijn van gestolen bromfietsen.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte niet wist en ook niet had hoeven vermoeden dat die onderdelen van misdrijf afkomstig waren. De verdachte heeft de onderdelen voor marktconforme prijzen gekocht, waardoor hij geen onderzoeksplicht had naar de herkomst daarvan. Sleutelen aan scooters is een hobby van de verdachte en dat doet hij met een grote groep vrienden. Zij verkopen onderdelen aan elkaar. Ook maken die vrienden gebruik van de tuin en schuur van de verdachte. Hij kan daarom niet weten welke spullen van wie zijn en waar die van afkomstig zijn.

Ten aanzien van de wetenschap dan wel het vermoeden dat de kappen, de helmbakken en de motorblokken van misdrijf afkomstig waren overweegt het hof als volgt.

In de tuin van de woning van de verdachte is een hoeveelheid onderdelen aangetroffen, afkomstig van gestolen voertuigen. De meeste van deze onderdelen zijn bij de verdachte aangetroffen kort na de respectievelijke diefstallen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de kappen en helmbakken onderdeel uitmaakten van een partij brommeronderdelen die hij via Marktplaats heeft gekocht. Deze bewering heeft de verdachte echter niet onderbouwd, laat staan dat aannemelijk is geworden dat hij een marktconforme prijs heeft betaald. Met betrekking tot de motorblokken is de verdachte niet verder gekomen dan de mededeling dat hij de aan de hand van de motornummers heeft gecontroleerd dat deze niet als gestolen stonden geregistreerd. Het tegendeel blijkt echter waar. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij weet wat de gevaren zijn van het handelen in onderdelen via Marktplaats en derden in plaats van via officiële kanalen. Ondanks deze wetenschap heeft de verdachte daar kennelijk niet naar gehandeld. Uit het voorgaande volgt dan ook de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de spullen die hij onder zich had afkomstig waren van een misdrijf.

Feit 2

9. Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2017072256-1 van 10 april 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] op 10 april 2017, dossierpagina’s 276 en 277:

Ik doe aangifte van inbraak op zondag 9 april 2017 in mijn bedrijf. Het weggenomen goed is eigendom van het Samenwerkingsverband Amstelland en Meerlanden.

Ik ben werkzaam voor een stichting genaamd +Works. Dit is een stichting die jongeren tussen de 15 en 18 jaar oud begeleidt.

Ons kantoor bevind zich in een bedrijvenpand aan de [adres 6] te Hoofddorp. Contactpersoon hiervan is [naam 3] . Op maandag 10 april 2017 om 8:00 uur werd ik gebeld door [naam 3] . Hij vertelde mij dat er was ingebroken in ons kantoor. Ik ben direct naar kantoor gegaan. In het kantoor zag ik dat er overal glas lag. Het raam moet met kracht zijn ingeslagen. Ik zag dat de archiefkast open stond en ik zag dat daar geen laptops meer inlagen. Normaal liggen daar drie laptops.

Ik heb de politie uitgelegd wat voor werk de stichting deed en we kwamen al snel tot de conclusie dat de dader heeft geweten wat hij zocht. Ik heb het vermoeden dat het een van mijn cliënten is geweest. Juist ook omdat het zo gericht op onze werkplek was.

Op dit moment hebben wij 7 cliënten in behandeling namelijk:

- [verdachte ] [geboortedatum]

[…]

De drie weggenomen HP laptops hebben wij in bruikleen en zijn eigendom van [slachtoffer 5] .

10. Proces-verbaal Sporenonderzoek met nummer PL1100-2017072256-6 van 10 april 2017, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] , dossierpagina’s 299 tot en met 301:

Het onderzoek is verricht aan/in een bedrijfsterrein/pand (bedrijfspand) te [adres 7] , binnen de gemeente Haarlemmermeer.

Bij binnenkomst in het kantoor zag ik over de gehele vloer glasscherven liggen. Op de vensterbank zag ik een roodkleurige veeg zitten. Ik heb de roodkleurige veeg afgevormd als zijnde een biologisch spoor (AAJE0090NL).

Biologisch spoor

Spoornummer : PL1100-20l7072256-41664

SIN : AAJE0090NL

Spooromschrijving : Bloed

Wijze veiligstellen : Wattenstaafje

Tijdstip veiligstellen : 10 april 2017 te 12:40 uur

Plaats veiligstellen : Binnen op vensterbank bij ingeslagen raam (1ste verd.)

Bijzonderheden : Tetra positieve uitslag

11. Schriftelijk bescheid, zijnde een rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een inbraak gepleegd in Hoofddorp op 9 april 2017 van 2 mei 2017, opgemaakt door ing. [naam 4] , dossierpagina 306:

SIN en omschrijving

Celmateriaal kan afkomstig zijn van

Matchkans

AAJE0090NL#01

Bloed

[verdachte ]

Kleiner dan één op één miljard

12. Proces-verbaal verhoor met nummer PL1100-2017072256-5 van 10 april 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] , dossierpagina 280:

Deze ochtend, maandag 10 april 2017, had mijn collega van +Works om 10.00 uur een afspraak met [verdachte ] .

Toen zij even voor 10.00 uur op kantoor kwam vertelde de beheerder, genaamd [naam 3] , dat er een jongen aan de balie was geweest die naar haar had gevraagd. [naam 3] heeft tegen hem gezegd dat zij er nog niet was en hij heeft de jongen om zijn naam gevraagd. De jongen vertelde dat hij [verdachte ] heette.

[naam 3] vertelde mij dat het hem was opgevallen dat [verdachte ] zijn hand in het verband had zitten.

13. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2017094122-5 van 16 mei 2017, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] , dossierpagina p. 201-203:

Herkenning JONGEN 2:

Ik herken jongen 2 aan zijn kleding en zijn manier van bewegen als [verdachte ] .

Zie hiervoor ook de bijgevoegde foto nr 1 van [verdachte ] .

Op foto 1 staat hij op de deurmat aan de Parklaan te Hoofddorp. Hij komt op zijn afspraak bij +Works op 10 april 2017. [verdachte ] zijn hand zat in het verband.

Bewijsoverweging

Tijdens het sporenonderzoek naar aanleiding van de inbraak bij +Works te Hoofddorp wordt een bloedveeg aangetroffen op de vensterbank. Nader onderzoek van het NFI toont aan dat het daaruit afgeleide DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Hij verklaart dat hij de verwonding aan zijn hand heeft opgelopen bij +Works op 10 april 2017, terwijl hij wachtte in het kantoor van degene met wie hij een afspraak had. Terwijl hij wachtte zou hij zich hebben verwond aan een stuk glas dat in zijn schoenzool terecht was gekomen.

Deze verklaring acht het hof niet geloofwaardig. Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3] blijkt dat de verdachte op 10 april 2017 staand op de deurmat bij +Works zijn hand in het verband had. Dit wordt ondersteund door de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] , waarin zij vertelt dat haar collega [naam 3] op 10 april 2017 heeft gezien dat de verdachte zijn hand in het verband had. Als de verklaring van verdachte juist zou zijn, zou dat betekenen dat hij die ochtend van 10 april 2017 het gebouw verder in geweest is dan de balie, dat hij is toegelaten tot de ruimte waar de inbraak heeft plaatsgevonden, voordat het sporenonderzoek heeft plaatsgevonden en ten slotte dat hij ter plekke zelf zijn hand heeft verbonden, zonder dat daarvan iemand getuige is geweest. Dit acht het hof op zichzelf reeds zeer ongeloofwaardig en vindt bovendien geen steun in de overige bewijsmiddelen. Gelet hierop is geen andere conclusie mogelijk dan dat verdachte zich heeft verwond, terwijl hij eerder die nacht de ten laste gelegde inbraak pleegde.

Feit 3

14. Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2017083544-1 van 24 april 2017, inhoudende de verklaring van [verbalisant 6] , dossierpagina’s 246 en 248:

Plaats delict : [adres 14]

Pleegdatum/tijd : tussen 23 april 2017 te 09:55 uur en zondag 23 april 2017 te 18:35 uur.

Om 09:55 uur heb ik mijn scooter geparkeerd aan de kant van bloemenzaak Leodoor bij winkelcentrum [naam 5] ( [naam 5] ). Om 18:35 uur liep ik naar buiten en trof ik mijn scooter daar niet meer aan.

Bijlage goederen:

Merk/type : Piaggio N/A

Kenteken : [kenteken 5]

Chassisnummer : [nummer 6] ”

15. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2017083544-5 van 15 mei 2017, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] van 15 mei 2017, dossierpagina 250-251:

Omstreeks 7 mei 2017 ontving ik camerabeelden van een beveiligingscamera in het winkelcentrum [naam 5] te Hoofddorp.

Nadat het bekijken van de camerabeelden heb ik het volgende bevonden:

VIDEO 1 VOORVERKENNING SNORFIETS

Betreffende video betreft de noord/oost ingang van winkelcentrum [naam 5] . De video is voorzien van een datum en tijd indicatie. Ik zag rechtsboven in het scherm 23-04-2017 17:10:55 uur, alwaar de video mee begon. De beveiligingscamera staat gericht op de ingang. Vlak voor de ingang zag ik een donker kleurige snorfiets staan. Later bleek dit de gestolen snorfiets van benadeelde (het hof begrijpt: [verbalisant 6] ) te zijn.

Omstreeks 17:11:39 uur, zag ik een jongen, donker gekleed, richting de uitgang van het winkelcentrum lopen (zie foto 1). Ik zag dat de jongen met twee (2) handen in zijn zakken liep en op het moment dat hij het winkelcentrum uit liep, pakte hij een telefoon uit zijn linkerbroekzak. Vervolgens loopt de jongen rechts naar een muurtje toe, dat zich vlak naast de ingang bevindt. Ik zag dat hij met zijn rug richting de muur stond en dat zijn gezichtsveld gericht was op de snorfiets. Ik zag dat de jongen zijn telefoon kort voor zich hield en vervolgens stopte hij deze weer terug in zijn linker zak.

Na circa een halve minuut loopt de jongen weg en loopt hij achter de snorfiets langs in de richting van de [adres 8] te Hoofddorp. Jongen loopt uit zicht van de camera.

Na circa 10 seconden komt de jongen terug en loopt vlak langs de snorfiets. Op de bewegende beelden is de zien dat de jongen bij het voorbij lopen vlug naar de snorfiets kijkt (zie foto 2).

Vervolgens zag ik dat de jongen weer terug liep richting het eerdergenoemde muurtje en ging weer met zijn rug richting de muur staan, kijkend op de snorfiets. Omstreeks 17:13:23 uur keek hij weer op zijn telefoon. Kort hierop loopt hij weer weg en loopt naar rechts toe, richting de openbare weg. Ik zag dat hij rustig naar rechts en links keek. Vervolgens pakt hij weer zijn telefoon en loopt met deze in zijn hand, richting de snorfiets. Ik zag dat de jongen voor de snorfiets ging staan, met zijn rug richting de buitenzijde van het winkelcentrum (zie foto 3).

Vervolgens loopt de jongen weer terug het winkelcentrum in met de telefoon weer in zijn linkerhand. Ik zag dat de jongen bij liet passeren van de beveiligingscamera, opvallend naar rechts bleef kijken (zie foto 4).

Ik zag dat de jongen een jack droeg, donker van kleur, van het merk North Face. Ik herken dit aan de witte logo op zijn rechterborst en op zijn linkerschouderblad. Ook zag ik dat zijn jack een capuchon had. De jongen heeft een blank tot getinte huidskleur. Ik zag dat de zijkant van zijn kapsel kort was en bovenop wat langer. Ik zag dat hij een bruin tot donker kapsel had. De jongen is mogelijk tussen de 16 a 20 jaar oud en heeft een normaal postuur.

Vervolgens zag ik dat de jongen liet winkelcentrum verder in liep, uit het zicht van de camera.

VIDEO 2 DIEFSTAL SNORFIETS

Betreft dezelfde beveiligingscamera als hierboven genoemd. Op de video zag ik dat het nog steeds 23-04-2017 betrof.

Omstreeks 18:11:56 uur, zag ik de eerdergenoemde jongen langs de noord/oost ingang lopen van winkelcentrum [naam 5] . Ik herkende de jongen aan zijn kleding, postuur en manier van lopen. Ik zag dat de jongen met beide handen in zijn zakken liep, in de richting van de [adres 8] . Ik zag dat de persoon zijn capuchon over zijn hoofd had gedaan (zie foto 5).

Omstreeks 18:12:36 zag ik de verdachte (het hof begrijpt hier en verder in dit bewijsmiddel telkens: eerdergenoemde jongen) achter het muurtje vandaan komen en loopt naar de snorfiets toe. Ik zag dat hij nog steeds zijn capuchon over zijn hoofd had. Ik zag dat de verdachte direct naar de stuur/contactslot gedeelte van de snorfiets gaat en verricht daar handelingen. Vervolgens loopt de verdachte om de snorfiets heen en gaat weer rommelen aan de snorfiets (zie foto 6).

Mogelijk valt hierop iets van de snorfiets, want de verdachte gaat snel knielen en pakt iets vanaf de grond. Hierop kijkt de verdachte nog een keer om zich heen, waarop hij op de snorfiets stapt en achteruit loopt. Op het moment dat de verdachte op de snorfiets stapte, zag ik dat de koplamp van de snorfiets aan ging (zie foto 7).

Vervolgens rijdt de verdachte op de snorfiets weg in de richting van de [adres 8]

(zie foto 8).

16. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2017083544-6 van 22 mei 2017, inhoudende het relaas van [verbalisant 3] , dossierpagina 266:

Op maandag 15 mei 2017 had ik contact met collega [verbalisant 5] . Hij vertelde mij dat er goede bewakingsbeelden waren van de scooter diefstal bij het winkelcentrum [naam 5] te Hoofddorp. Deze diefstal heeft plaats gevonden op 23 april 2017 omstreeks 18:12 uur. Op de bewakingsbeelden is een jongen te zien die de scooter weg neemt. Mij werd verzocht de bewakingsbeelden te bekijken om mogelijk de identiteit van deze jongen vast te stellen.

Op maandag 15 mei 2017 heb ik de bewakingsbeelden bekeken en zag ik direct dat het mij ambtshalve bekende [verdachte ] betrof. Ik herkende hem aan de ronde vorm van zijn hoofd met zijn donkere gedekte kapsel met scheiding en aan zijn postuur en lengte. Ik herken zijn zwarte veterschoenen met een blinkend embleem op de wreef. Ik herken zijn zwarte The North Face windjack. Ik herken zijn manier van lopen. Hij loopt vaak met zijn hoofd iets richting de grond gebogen. Hij loopt vaak met zijn handen in zijn zakken.

17. Proces-verbaal van bevindingen LIV rapport met nummer PL1100-2017083544-8 van 9 juni 2017, inhoudende het relaas van [verbalisant 1] , dossierpagina 260:

Op 1 juni 2017 is de bromfiets voorzien van kenteken [kenteken 12] onderzocht door het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit. Hierna te noemen LIV.

Deze bromfiets staat op naam van [verdachte ] .

Het motorblok bleek te zijn voorzien van motorbloknummer * [nummer 7] *.

Na contact met de importeur bleek dit motorblok te horen bij het framenummer [nummer 6] . Ik heb dit framenummer nagetrokken in de politiesystemen. Hieruit bleek dat dit framenummer zou moeten toebehoren aan een bromfiets voorzien van kenteken [kenteken 7] .

Deze bromfiets is op 23 april 2017 gestolen.

18. Verklaring van de verdachte, afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van kinderstrafzaken in de rechtbank Noord-Holland op 16 juni 2017.

Dit gaat over het stelen van een Piaggio scooter in Hoofddorp op of omstreeks 23 april 2017 bij het winkelcentrum de Skaggerak in Hoofddorp. Ik ben herkend op de camerabeelden. Dat kan kloppen. Ik ben daar ook geweest.

Bewijsoverweging

Anders dan de verdediging heeft het hof geen twijfel over de herkenning van de verdachte op de camerabeelden van het winkelcentrum. Verbalisant [verbalisant 5] relateert dat hij op zowel video 1 als video 2 dezelfde jongen ziet. Vervolgens worden de camerabeelden getoond aan verbalisant [verbalisant 3] . Zij is wijkagent in de wijk waar de verdachte woont en zij kent de verdachte goed. Zij relateert uitgebreid hoe zij hem kent door onder andere het contact te beschrijven. Zij herkent hem direct en relateert gedetailleerd waaraan. De verdachte draagt mogelijk kleding die door veel andere jongeren worden gedragen, maar zowel [verbalisant 5] als [verbalisant 3] benoemen specifieke kenmerken, die tezamen genomen bijdragen aan de specifieke onderbouwing van de herkenning van verdachte. Voorts stelt het hof vast dat het motorblok van de op 23 april 2017 gestolen bromfiets op 1 juni 2017 onder de bromfiets op naam van de verdachte blijkt te zitten. De verdachte heeft hiervoor geen aannemelijke verklaring gegeven. Uit deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd leidt het hof af dat het de verdachte is geweest die de scooter van Jarmohamed heeft gestolen.

Feit 4

19. Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2017094122-1 van 12 mei 2017, inhoudende de verklaring van [getuige 6] namens het [naam 1] te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, dossierpagina’s 191 en 192:

Ik ben conciërge op de [naam 1] te Hoofddorp. Op dinsdag 9 mei 2017 werd ik telefonisch benaderd door het beveiligingsbedrijf. Zij melden bij mij dat er op de [naam 1] gelegen aan [adres 11] te Hoofddorp ingebroken is. Ik ben vervolgens naar het college gegaan.

Ik liep het klas lokaal binnen waar ik vervolgens zag dat er rechts achterin een raam verbroken was. Ik zag dat bijna alle grijs gekleurde HP laptops weggenomen waren. Ik weet bijna zeker dat er vijfentwintig laptops weggenomen zijn.

Ik ben vervolgens naar de conciërgeruimte toegelopen en besloot de camerabeelden te bekijken. Ik zag beweging op de camerabeelden en volgens de camerabeelden zou dit op dinsdag 9 mei 2017, omstreeks 02:18 uur, geweest zijn. Ik zag dat er drie jongens geheel in het zwart gekleed voor het raam stonden. Ik zag dat er twee jongens met een hamer een ruit insloegen. Ik zag dat de jongens het lokaal in liepen via het verbroken raam. Ik zag dat ze alle drie grote tassen bij zich hadden. Ik zag dat ze snel alle laptops uit de laders trokken en in de tassen plaatsten. Ik zag dat de jongens vervolgens met de drie tassen het lokaal wederom via het raam verlieten. Ik zag dat de jongens volgens de camerabeelden omstreeks 02:20 uur verlieten.

20. Proces-verbaal van-bevindingen met nummer PL1100-2107094122-4 van 16 mei 2017, inhoudende het relaas van [verbalisant 3] , dossierpagina 201 tot 203:

Ik ben wijkagent van de wijk Bornholm te Hoofddorp. Ik heb de bewakingsbeelden van de diefstal op het [naam 1] bekeken. Ik zie op beeld het volgende:

(12) CAM 1-12 Begane gr 9-5-2017 02-19-12

Jongen 2 (De jongen die als laatste in het beeld loopt met twee tassen in zijn handen)

Herkenning JONGEN 2:

Ik herkende jongen 2 aan zijn kleding en zijn manier van bewegen als [verdachte ] . [verdachte ] heeft een zwarte The North Face windjack en draagt vaak een zwart mutsje. Ook heeft hij zwarte veterschoenen met ter hoogte van de overgang van de tenen naar de wreef iets glimmends zitten, mogelijk een embleempje. Deze schoenen draagt [verdachte ] vaak en zijn meerdere malen door mij gezien.

21. Proces-verbaal van-bevindingen met nummer PL1100-2107094122-4 van 12 mei 2017, inhoudende het relaas van [naam 6] , dossierpagina 216:

Nadat ik alle beelden (het hof begrijpt: van de inbraak in het [naam 1] ) van de derde persoon had gezien kreeg ik zeer sterk de indruk dat ik wist wie de derde persoon betrof bij de inbraak. Ik sloeg aan op de kledingcombinatie van de zwarte North Face jas, de grijze joggingbroek en het donkere petje. Tevens herkende ik het loopje van deze persoon. De persoon die direct in mijn gedachten schoot bij het zien van de derde persoon betrof de mij ambtshalve bekende [verdachte ] .

Bewijsoverweging

Evenals bij het voorgaande feit heeft het hof geen twijfel met betrekking tot herkenning van de verdachte. Zoals al eerder overwogen is verbalisant [verbalisant 3] wijkagent in de wijk waar de verdachte woont en kent zij hem goed. Op grond daarvan herkent zij hem op de beelden en benoemt daarbij specifieke kenmerken. Dat de verdachte kleding draagt die ook veel andere jongeren dragen doet daar niet aan af. Al die specifieke kenmerken bij elkaar, maakt dat [verbalisant 3] de verdachte heeft kunnen herkennen. Bovendien wordt de herkenning van [verbalisant 3] versterkt door de herkenning van de verdachte door verbalisant Gischler met betrekking tot een aantal overeenkomende specifieke details.

Ten aanzien van zaak B

Feit 1

22. Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2016270744-1 van 8 december 2016, gedaan op 8 december 2016 te 21:32 uur, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 6] , dossierpagina 88:

Ik doe aangifte van diefstal van mijn bromfiets. Op 8 december 2016, omstreeks 20.45 uur had ik mijn bromfiets geplaatst in de voortuin, [adres 9] .

Toen ik op 8 december 2016, omstreeks 21.00 uur mijn bromfiets wilde gebruiken zag ik dat deze was weggenomen.

Bijlage goederen:

Merk/type : Piaggio C25

Kleur : Zwart

Kenteken : [kenteken 8]

23. Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2016270744-7 van 9 december 2016, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 6] , dossierpagina’s 91 tot en met 93:

Ik ben vervolgens met wat vrienden in de wijk gaan zoeken. Ik heb ook andere vrienden gebeld en geappt om te vragen of zij uit konden kijken naar mijn scooter. Ik werd op dat moment gebeld door [getuige 4] . Zij vertelde mij dat ze net mijn scooter had gezien met twee jongens erop. Zij was nu achter mijn scooter aan aan het rijden. Ik hoorde haar zeggen dat [getuige] de bestuurder herkende als [verdachte ] .

Ik had nog contact met [getuige 4] en ik hoorde dat zij zei dat ze voor een woning aan de [adres 10] in Hoofddorp stonden. [naam 9] en ik zijn naar die woning gereden. Ik hoorde van [getuige] dat het de woning van [naam 10] was. De woning van [naam 10] was helemaal donker toen ik aan kwam. Ik hoorde [getuige] zeggen dat hij zeker wist dat er mensen in de woning waren en dat mijn scooter in die achtertuin moest staan, omdat hij had gezien dat mijn scooter daar naar binnen werd gereden.

Vervolgens zag ik dat [verdachte ] uit de tuin van [naam 10] komen. Ik vond het raar dat [verdachte ] uit de tuin kwam, want de woning en de schuur waren donker en wij stonden al een tijdje bij de woning te wachten. Ik had dus het idee dat zij zich hadden verstopt in de woning.

Ik zag vervolgens dat de agenten in de schuur mijn scooter aangetroffen hadden. De agenten vroegen of ik ook de schuur in wilde komen om mijn scooter te herkennen.

Toen ik in de schuur was zag ik dat alle kappen eraf waren, mijn buddy eruit was, mijn accu eruit was. Eigenlijk stond alleen mijn frame en mijn motorblok nog. Ik zag dat de kappen van mijn scooter naast het frame stonden. Ik zag dat de schroeven al allemaal netjes in zakjes waren gedaan. Ik zag dat ze gewoon al volop bezig zijn geweest om mijn scooter te strippen.

24. Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2016270830-16 van 9 december 2016, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 5] , dossierpagina 275:

Ik werd rond 21.00-21.15 uur gebeld door [slachtoffer 4] (het hof begrijpt: [slachtoffer 6] ) dat zijn scooter was gestolen. Ik ben op mijn eigen scooter gestapt en rondjes gaan rijden door Hoofddorp. Ik hoorde ineens het geluid van een scooter. Toen ik in de richting keek van waar het geluid vandaan kwam, zag ik een scooter van hetzelfde merk en type als die van [slachtoffer 4] . Toen ik goed keek zag ik dat de scooter aan de voorzijde voorzien was van zogenaamde ‘ledjes’ en de rode stickers. Met al die dingen bij elkaar bleek het de scooter van [slachtoffer 4] te zijn.

25. Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2016270830-17 van 9 december 2016, inhoudende de verklaring van getuige [naam 11] , dossierpagina’s 277 en 278:

De scooter van [slachtoffer 6] is gisteravond gestolen. We zijn gaan zoeken. Wij zijn uiteindelijk richting het winkelcentrum Het Paradijs gereden in Overbos. Ik hoorde ineens het geluid van de scooter van [slachtoffer 4] . Ik keek die kant op en zag de led-verlichting op de scooter. Door de led-verlichting herkende ik de scooter als zijnde die van [slachtoffer 4] . Ik zag op de scooter twee jongens zitten.

V: Waar stond jij te wachten op de politie?

A: Bij het huis van [naam 10] ’ moeder.

V: Heb je de scooter die kant op zien rijden?

A: Ja, ze gingen die kant op.

V: Toen jij de scooter zag met de twee personen. Wist jij toen gelijk wie dat waren?

A: De voorste wist ik wel gelijk. Dat was [verdachte ] . Ik zag het aan zijn houding. Dat herken je gewoon.

V. Op het moment dat jij stond te wachten op de politie gebeurde er toen nog iets?

A. We hoorden een scooter starten vanuit de achtertuin van [naam 10] en [naam 12] . Toen kwam [verdachte ] de tuin uitrijden op een andere scooter.

26. Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2016270830-18 van 9 december 2016, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 4] , dossierpagina’s 281 en 282:

Wij hoorden een scooter aankomen. Ik keek om en zag dat [verdachte ] op deze scooter zat en hem bestuurde. Ik zag meteen dat het de scooter van [slachtoffer 4] was.
Ik zag dat de scooter op Mastbos door reed en ik zag dat hij richting Albergerbos ging. Wij zijn direct op onze scooters gestapt en zijn dezelfde kant op gereden. [getuige] wist waar [naam 10] woonde en wij wisten dat [verdachte ] en [naam 10] vrienden zijn. [naam 10] woont op de [adres 10] . [naam 10] woont op een hoekwoning en vanaf de weg kan je de schuur van de woning zien. De schuur is wel omheind met een schutting. Wij zagen dat het licht in de schuur aan was, maar het licht in de woning was uit. Wij zijn richting de schuur gelopen van de woning en wij hoorde gerommel in de tuin. Wij zagen vervolgens dat er twee hoofdjes over de schutting kwamen vanuit de tuin van [naam 10] . Ik weet niet van wie deze twee gezichten waren, want het was al donker buiten en kon het niet goed zien. Wij zijn vervolgens weggereden om Daan en [naam 11] te halen. We hadden ze binnen een paar minuten gevonden en zijn direct terug gegaan naar het huis van [naam 10] . Wij zagen dat de schuur opeens donker was en de woning ook. We zagen na een tijdje dat [verdachte ] uit de tuin van [naam 10] kwam.

Ik herkende [verdachte ] toen hij uit de tuin van [naam 10] kwam. Ik zei toen tegen [getuige] dat hij de jongen was die op de scooter van [slachtoffer 4] reed. Ik hoorde [getuige] vervolgens zeggen dat hij [verdachte ] heet.

27. Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2016270830-19 van 9 december 2016, inhoudende de verklaring van getuige [getuige] , dossierpagina 285:

Toen ik keek in de richting waar [getuige 4] naartoe wees, zag ik een scooter rijden. Ik herkende deze als die van [slachtoffer 4] . Ik herkende hem omdat de scooter een harder geluid maakt dan een normale brommer en hij heeft zogenaamde ‘ledjes’. Ook herkende ik de scooter aan de grote rode stickers aan de zijkant.

Ik reed de parkeerplaats naast het huis van [naam 10] op en toen ik naar de schutting keek zag ik net twee koppies over de schutting kijken. Ik hoorde het geluid van een opengaande deur en een scooter die naar binnen werd gereden. Tijdens het wachten op de politie hoorde ik ineens een scooter starten. Toen ik keek zag ik [verdachte ] vanuit de achtertuin komen rijden op zijn scooter.

Bewijsoverweging

De scooter van [slachtoffer 6] is op 8 december 2016 weggenomen uit de voortuin van [adres 9] . De scooter is weggenomen tussen 20.45 uur en 21.00 uur. Om 21.00 uur werd de diefstal opgemerkt en meteen heeft [getuige 4] zijn vrienden gemobiliseerd voor een zoektocht in de buurt. Om 21.32 uur is diens aangifte opgenomen. Direct daarna werd hij gebeld door getuige [getuige 4] dat zijn scooter werd gezien. De bestuurder is herkend als [verdachte ] door zowel [getuige 4] als [naam 11] . Dat [getuige 4] aanvankelijk niet de naam van de verdachte kende doet aan haar herkenning van de bestuurder niet af. Naast de herkenning als bestuurder hebben zowel aangever [getuige 4] , [getuige] , [getuige 4] als [naam 11] verklaard dat ze de verdachte uit de tuin van medeverdachte [naam 10] hebben zien komen. In de schuur van [naam 10] wordt vervolgens de vrijwel geheel gestripte scooter van [getuige 4] aangetroffen.

De verdachte heeft verklaard dat hij niet uit de tuin van [naam 10] kwam, maar toevallig langs reed op het moment dat de getuigen voor de woning van [naam 10] stonden te wachten. Het hof acht die verklaring niet geloofwaardig in het licht van de verschillende getuigen die hebben verklaard dat ze de verdachte uit die tuin hebben zien komen. De korte tijd tussen het constateren van de verdwijning van de scooter, de herkenning door de getuigen van de verdachte terwijl hij rijdt op de zojuist gestolen scooter, gecombineerd met zijn aanwezigheid in de tuin van [naam 10] kort voor het aantreffen van de (inmiddels gestripte) scooter van [slachtoffer 6] , leiden in onderling verband en samenhang gezien tot het oordeel dat de verdachte de scooter van [getuige 4] heeft gestolen.

Feit 2

28. Een schriftelijk bescheid, zijnde een kennisgeving inbeslagneming met nummer PL1100-201670830-34, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 7] , dossierpagina 32:

Plaats : Hoofddorp […]
Datum en tijd : 10 december 2017 […]
Beslagene : [verdachte ]
Voertuig : Bromfiets
Merk/type : Piaggio C25
Kenteken : [kenteken 9]
Chassisnummer : [nummer 8]

29. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016270830-46 van 29 december 2016 inhoudende het relaas van verbalisant van [verbalisant 7] , dossierpagina 131:
Op donderdag 15 december 2016 onderzocht, op verzoek van de politie, het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (LIV) de inbeslaggenomen bromfiets van het merk Piaggio, type ZIP SP in de kleur zwart voorzien van kenteken [kenteken 9] .
Dit onderzoek werd uitgevoerd om de identiteit van het voornoemde voertuig vast te stellen en te controleren of de bromfiets was opgebouwd uit gestolen onderdelen.

Conclusie LIV.

Het aangetroffen motornummer is geen verandering in aangebracht en werd oorspronkelijk geplaatst in een andere bromfiets van het merk Piaggio, type ZIP voorzien van het voertuigidentificatienummer [nummer 9] .

Uit onderzoek in het politiesysteem BVI-IB bleek dat een bromfiets van het merk Piaggio, type ZIP, in de kleur zwart en voorzien van het voertuigidentificatienummer [nummer 9] op 15 augustus 2016 is gestolen. Kenteken van deze gestolen bromfiets was [kenteken 10] . De aangever van deze diefstal was [slachtoffer 6] .

30. Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2016182350-1, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 7] op 15 augustus 2016, dossierpagina 98 en 100:

Feit: Diefstal bromfiets/snorfiets
Plaats delict: [adres 12]
Pleegdatum/tijd: Op maandag 15 augustus 2016 te 10:08 uur

Ik ben eigenaar van genoemde bromfiets. Ik doe aangifte van diefstal van mijn bromfiets. Op eerst genoemde dag, datum en tijdstip stond mijn bromfiets in de houten schuur, [adres 13] aan de voorzijde. Mijn bromfiets was terdege afgesloten door middel van een kettingslot. Toen mijn buurvrouw op laatst genoemde dag, datum en tijdstip naar onze woning liep zag zij dat de schuurdeur was geforceerd en dat mijn bromfiets was weggenomen.

Bijlage goederen;
Voertuig : Bromfiets
Merk/type : Piaggio C25
Motornummer : [nummer 9]
Kenteken : [kenteken 11]

Bewijsoverweging

Uit de bewijsmiddelen is af te leiden dat in de op 10 december 2016 onder de verdachte in beslaggenomen scooter met kenteken [kenteken 9] een motorblok was gemonteerd dat oorspronkelijk was geplaatst in de scooter met kenteken [kenteken 11] van [slachtoffer 6] , welke scooter op 15 augustus 2016 is gestolen. Onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen ten aanzien van het bewijs met betrekking tot de opzetheling van de kappen, helmbakken en motorblokken acht het hof bewezen dat de verdachte minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een van diefstal afkomstig motorblok betrof.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en in zaak B onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzetheling, meermalen gepleegd

Het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming

Het in zaak A onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal

Het in zaak A onder 4 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming

Het in zaak B onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal

Het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en in zaak B onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en in zaak B onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 86 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – een contactverbod met de medeverdachten, behandeling bij de Waag en het hebben van een dagbesteding, met meldplicht en toezicht en begeleiding door Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA). Daarnaast heeft de rechtbank een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie opgelegd, en de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 7 januari 2016 door de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland opgelegde voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor dezelfde feiten als door de rechtbank bewezen verklaard zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr waarvan 47 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden behandeling bij de Waag, schoolgang volgens het lesrooster en een contactverbod met de medeverdachten met meldplicht en toezicht en begeleiding door JBRA. Daarnaast heeft de advocaat-generaal een taakstraf bestaande uit een werkstraf gevorderd voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie, en toewijzing van de voornoemde vordering tot tenuitvoerlegging.

De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van de strafmaat bepleit dat in geval van bewezenverklaring van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten hij, in tegenstelling tot de advocaat-generaal, geen aanknopingspunten ziet om een hogere straf op te leggen dan de rechtbank heeft opgelegd, temeer nu de Raad en JBRA ook best positief zijn over de verdachte. Voorts heeft de raadsman verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte reeds in een andere strafzaak een taakstraf opgelegd heeft gekregen die hij nog moet uitvoeren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft met betrekking tot de op te leggen jeugddetentie in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich zowel in de hoedanigheid als heler als in de hoedanigheid van steler schuldig gemaakt aan een aantal vermogensdelicten. Hij heeft ingebroken bij +Works, een bedrijf dat zich erop richt om jongeren waaronder de verdachte te helpen een startkwalificatie te krijgen, en heeft daar drie laptops weggenomen. Daarnaast heeft hij samen met anderen ingebroken bij het [naam 1] en daarbij 25 laptops weggenomen. Dit zijn niet alleen een hinderlijk feiten vanwege de materiele schade en overlast die hij en zijn mededaders hebben veroorzaakt, ook heeft hij op deze manier andere cliënten van +Works en leerlingen van het [naam 1] benadeeld, doordat zij nu niet van die laptops gebruik kunnen maken. De verdachte heeft kennelijk gehandeld met slechts zijn eigen financieel gewin op het oog en heeft hierbij geen rekening gehouden met het nadeel dat zijn handelen tot gevolg zou hebben voor anderen. Daarbij aarzelt hij zelfs niet om te stelen van een instelling die zich inzet om hem een kans in de maatschappij te geven.

Voorts heeft hij twee scooters gestolen. Ook dit is een hinderlijk feit, met name voor de benadeelden.

Daarnaast heeft hij onderdelen van diverse scooters, te weten kappen, helmbakken en motorblokken geheeld. Door aldus te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen. Ook ten aanzien van dit feit heeft de verdachte kennelijk uit winstbejag gehandeld en de gestolen goederen voorhanden gehad om op een snelle manier geld te maken.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte betekenis toegekend aan de inhoud van het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële Documentatie van 27 februari 2018. Uit dat uittreksel blijkt dat de verdachte eerder door de strafrechter is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten.

Het hof heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte acht geslagen op de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 16 oktober 2017 en 15 maart 2018 en op het Pro Justitia rapport, psychologisch onderzoek, van 28 juli 2017. Tevens heeft het hof acht geslagen op hetgeen door [naam 13] namens de Raad en [naam 14] namens de JBRA ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht.

Uit het meest recente rapport van de Raad volgt dat de Raad vindt dat de eerdergenoemde zorgen omtrent de verdachte terecht zijn. Hij heeft geen dagbesteding, toont weinig inzet voor de behandeling, blowt en lijkt verder af te glijden. De Raad adviseert in geval van strafoplegging aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie met de bijzondere voorwaarden zoals zijn opgelegd door de rechtbank op te leggen met daarnaast een taakstraf bestaande uit een werkstraf.

Het psychologisch rapport houdt onder meer het volgende in:

“De verdachte heeft te maken met een norm overschrijdende gedragsstoornis. Vanuit deze stoornis is hij geneigd weinig rekening te houden met anderen, overschrijdt hij grenzen van anderen en heeft hij moeite met mentaliseren. Er kan gesproken worden van een gebrekkige gewetensontwikkeling bij de verdachte, hij wordt in zijn gedrag niet belemmerd door gevoelens van angst, spanning, spijt, schuld, schaamte en empathie. Voorstelbaar is dat dit heeft doorgewerkt op de gedachten en het gedrag van de verdachte rond het plegen van de ten laste gelegde feiten, indien schuldig. Geadviseerd wordt deze hem, indien schuldig, verminderd toe te rekenen.

Om de kans op recidive te verkleinen, wordt het inzetten van een intensieve behandeling, zowel individueel als op systeem niveau, nodig geacht. Daar de verdachte en ouders weinig probleembesef lijken te hebben en daarmee behandeling niet echt nodig lijken te vinden, verdient het aanbeveling de behandeling in te zetten in het kader van een reclasseringsmaatregel, met een achterliggend voorwaardelijk strafdeel.”

Namens JBRA is door [naam 14] verklaard dat zij nog steeds contact met de verdachte heeft maar dat hij het meeste contact heeft met de Waag. Hij komt wel zijn afspraken na, maar gaat in gesprekken moeilijk de diepte in, zeker wat betreft de aan hem tenlastegelegde feiten. Dat maakt de gesprekken wel lastiger. De verdachte wil graag alles zelf regelen, ook zijn dagbesteding. Toch is het noodzakelijk dat JBRA en bij voorkeur ook iemand van de Waag bij intakegesprekken op scholen aanwezig zijn. De verdachte heeft inmiddels meerdere intakegesprekken gehad en is de dag voor de hofzitting aangenomen bij ROC TOP. Hij is wel gemotiveerd, dus hopelijk gaat het slagen.

JBRA acht het wel van groot belang dat de verdachte zijn behandeling bij de Waag afrondt. Hij wil niet meer naar de Waag, maar hij is nog niet gestopt; de gesprekken lopen nog. Zijn beide ouders zullen ook met hem aan de slag moeten.

Namens de Raad is door [naam 13] naar voren gebracht dat de Raad nog steeds zorgen heeft met betrekking tot de verdachte. Er is bij hem wel degelijk sprake van norm overschrijdend gedrag. Zonder behandeling zal hij niet tot gedragsverandering komen omdat hij niet intrinsiek gemotiveerd is. Hij zal moeten nadenken over de consequenties van zijn handelen. De Raad handhaaft het eerder gegeven advies, maar adviseert nu in plaats van het vinden van een passende dagbesteding, schoolgang volgens het lesrooster als bijzondere voorwaarde op te nemen, omdat de verdachte binnenkort naar school gaat.

Door de moeder van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep onderschreven dat het nu niet goed gaat met haar zoon, maar dat zij wel de verwachting heeft dat het beter zal gaan, nu hij is ingeschreven op een school. Hij is erg gemotiveerd. Voorts heeft zij naar voren gebracht dat zowel haar zoon als het gezin nog in behandeling zijn bij de Waag.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij nu gedetineerd zit voor verdenking van een inbraak. Hij moest een dagbesteding regelen, maar dat is nog niet geregeld. Over twee weken is de inschrijving op school rond en dan kan hij daar naartoe met elektronisch toezicht. Zijn behandelaar bij de Waag vertelde hem dat het goed ging met zijn behandeling, maar op het moment dat hij in hoger beroep ging, was hij niet meer verplicht daaraan mee te werken. De verdachte heeft nu nog weinig reclasseringscontact. De afgelopen tijd heeft hij niet veel gedaan. Hij was wel bezig om een school te zoeken. Dat is gelukt. Ook heeft hij getracht een baan te vinden. Dat is niet gelukt, want hij vond niets leuk.

Het hof ziet, gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, aanknopingspunten om een jeugddetentie van langere duur op te leggen dan door de rechtbank is opgelegd. Het hof gaat daartoe uiteindelijk niet over, omdat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en waarschijnlijk meer gebaat is bij een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Dit zullen de bijzondere voorwaarden zijn zoals ter terechtzitting geadviseerd door de Raad. Om uitdrukking te geven aan de ernst van de feiten zal het hof wel een hogere taakstraf, bestaande uit een werkstraf, opleggen dan de rechtbank gedaan heeft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.015,37. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 550,28. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van de benadeelde partij verklaard dat de vordering uit twee delen bestaat, te weten het eerste deel uit de materiële schade die is ontstaan naar aanleiding van de diefstal van de scooter op 15 augustus 2016 en dat gaat dan om de aanschaf van die scooter, de sloten en de helm voor een totaalbedrag van € 1.432,55. Hiervan is een bedrag van € 1.122,85 reeds vergoed door de verzekering. Voor het overige persisteert de benadeelde partij in haar vordering. Voorts zijn naar aanleiding van die diefstal een beveiligingscamera en een harde schijf aangeschaft voor een bedrag van € 155,39. Echter handhaaft de benadeelde partij dat bedrag niet, nu zij begrijpt dat het geen rechtstreekse schade betreft zoals bedoeld in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het tweede deel van de vordering bestaat uit de materiële schade die is geleden naar aanleiding van de scooterdiefstal op 8 december 2016 en bestaat uit de reparatiekosten van die scooter en de aanschaf van de sloten voor een totaalbedrag van € 550,28. De benadeelde partij persisteert eveneens in dit deel van de vordering.

De advocaat-generaal heeft toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij tot € 849,98 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, vergoeding van de wettelijke rente en hoofdelijke toewijzing.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, nu hij vrijspraak heeft bepleit voor het in zaak B onder 1 primair tenlastegelegde.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B 1 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot € 550,28, bestaande uit de reparatiekosten en de sloten van het tweede deel van de vordering. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering hoofdelijk tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voor het overige, het eerste deel van de vordering, is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden, nu enkel de heling van het motorblok uit de scooter van die diefstal bewezen is verklaard. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 310, 311, 416 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Haarlem van 7 januari 2016 opgelegde voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 uur subsidiair 10 dagen jeugddetentie. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het in zaak A onder 1 als eerste en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en in zaak B onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en in zaak B onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 10 (tien) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 4 (vier) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam, zo frequent en zo lang als deze instelling dat noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich onder behandeling zal stellen bij de Waag.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal hebben met [naam 15] , [naam 12] [naam 10] en [naam 10] ;

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd onderwijs volgens zijn lesrooster zal volgen.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 7] ter zake van het in zaak B onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 550,28 (vijfhonderdvijftig euro en achtentwintig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de veroordeelde in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 7] , ter zake van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 550,28 (vijfhonderdvijftig euro en achtentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen jeugddetentie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de veroordeelde of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 8 december 2016.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Haarlem van 7 januari 2016, parketnummer 15-284260-14, te weten van:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. A.M. Kengen en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 april 2018.

[...]