Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2337

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
200.212.129/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg van bij akte gevestigde erfdienstbaarheden.

Wetsartikelen: 5:73 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.212.129/01

zaak/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 4784408 CV EXPL 16-600

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 juli 2018

inzake

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellante sub 2],

3. [appellant sub 3],

3. [appellante sub 4],

allen wonend te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,

appellanten in principaal appel,

tevens geïntimeerden in incidenteel appel,

advocaat: mr. M.N. Mense te Haarlem,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonend te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonend te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

advocaat: mr. N. de Vos te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant sub 1] , [appellante sub 2] , [appellant sub 3] en [appellante sub 4] , en dezen gezamenlijk [appellanten] , respectievelijk [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] , en dezen gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 17 maart 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 januari 2017, onder bovenvermeld zaak/rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden. De dagvaarding bevat de grieven. Op de rol van 4 april 2017 hebben [appellanten] geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding en de aan de appeldagvaarding gehechte producties in het geding gebracht.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel;

- akte zijdens [appellanten] ;

- antwoordakte zijdens [geïntimeerden] , met een productie.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben in hoger beroep hun eis vermeerderd en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover daarbij een deel van hun vorderingen is afgewezen en de gedingkosten zijn gecompenseerd, dat vonnis voor het overige zal bekrachtigen en - uitvoerbaar bij voorraad - de afgewezen vorderingen, zoals in hoger beroep gewijzigd, alsnog zal toewijzen en [geïntimeerden] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties, inclusief de nakosten en met rente.

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen voor zover daarbij de vorderingen van [appellanten] zijn afgewezen, dat vonnis voor het overige zal vernietigen en de toegewezen vorderingen alsnog zal afwijzen en [appellanten] - uitvoerbaar bij voorraad - zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje “De feiten” de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. In hun memorie van antwoord/grieven hebben [geïntimeerden] naar voren gebracht dat al vóór de datum van het bestreden vonnis de hier aan de orde zijnde onroerende zaken (perceel [perceel 1] en perceel [perceel 2] ) door [geïntimeerden] zijn toegescheiden aan [geïntimeerde sub 2] . Het hof zal de feiten op dit punt aanpassen. Voor het overige zijn de vastgestelde feiten in hoger beroep niet in geschil en dienen zij derhalve ook het hof als uitgangspunt. Grief 1 in principaal appel, waarmee [appellanten] aanvoeren dat de rechtbank bepaalde feiten ten onrechte niet heeft vastgesteld, faalt in zoverre dat het de rechtbank vrij stond alleen die feiten vast te stellen die zij ter motivering van haar oordeel nodig had. Het hof zal echter de door [appellanten] aangevoerde feiten en omstandigheden, voor zover die vaststaan en relevant zijn, bij de beoordeling betrekken. Het hof zal de door de rechtbank vastgestelde feiten, waar nodig, aanvullen met andere feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan.

2.2.

Het gaat in dit geding om het volgende.

a. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] zijn eigenaren en bewoners van de woning aan de [adres 4] te [adres 4] (kadastraal gemeente [gemeente 3] nr. [perceel 9] ). [appellant sub 3] en [appellante sub 4] zijn eigenaren en bewoners van de woning aan de [adres 2] (kadastraal gemeente [gemeente 3] nr. [perceel 3] ).

b. Daarnaast zijn [appellanten] gezamenlijk onverdeeld eigenaar van het kadastrale perceel gemeente [gemeente 3] nr. [perceel 7] , tussen partijen bekend als “ [naam 1] ”.

c. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] waren tot 8 juli 2016 gezamenlijk eigenaar van de woning met ondergrond aan de [adres 1] (kadastraal gemeente [gemeente 3] nr. [perceel 1] ). Op 8 juli 2016 is deze onroerende zaak toegescheiden aan [geïntimeerde sub 2] . Voorts was [geïntimeerde sub 1] tot 8 juli 2016 eigenaar van een smal perceel met het nummer [perceel 2] , dat gedeeltelijk is gelegen tussen [naam 1] en perceel [perceel 1] en verderop tussen de percelen [perceel 3] en [perceel 1] doorloopt tot aan [plaats] . Vanwege de kromme vorm wordt dit perceel “ [naam perceel] ” genoemd. Per 8 juli 2016 is [geïntimeerde sub 2] eigenaar geworden van [naam perceel] .

d. In de notariële akte van 1 april 1997 waarbij [geïntimeerden] de eigendom verkregen van het perceel [perceel 1] , is verwezen naar een transportakte van 24 mei 1978, waarin ter bestendiging van de bestaande toestand is gevestigd ten behoeve van het perceel [adres 1] en ten laste van het toenmalige perceel [adres 2] “(…) de erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar het heersend erf naar en van de openbare weg via de weg, gelegen op het lijdend erf, welke erfdienstbaarheid uitgeoefend mag worden met een auto en dergelijke voertuigen”.

e. In de notariële akte van 21 juli 1998 waarbij [geïntimeerde sub 1] de eigendom verkreeg van de percelen [perceel 4] , [perceel 5] en [perceel 6] , is vermeld dat de erfdienstbaarheden die ten gunste van [adres 1] en ten laste van de verkregen percelen bestonden, door vermenging teniet waren gegaan. De percelen [perceel 4] , [perceel 5] en [perceel 6] zijn vervolgens verdeeld, waarbij onder meer de percelen [perceel 2] ( [naam perceel] ), [perceel 7] ( [naam 1] ) en [perceel 8] zijn ontstaan.

f. In de notariële akte van 10 november 2000 waarbij [appellant sub 1] en [appellante sub 2] onder meer de eigendom verkregen van [naam straat] (destijds [adres 3] , thans) [adres 4] , kadastraal genummerd (destijds [perceel 3] , thans) [perceel 9] en de onverdeelde mede-eigendom van het perceel [perceel 2] ( [naam 1] ), is verwezen naar de akte van 3 november 1998 waarbij de verkoper de eigendom had verkregen van hetgeen hij verkocht en leverde, in welke akte weer is verwezen naar een akte van 21 juli 1998, waarin is vermeld:

(…)Ten laste van het onder b. verkochte, kadastraal bekend gemeente [gemeente 3] , sectie [sectie] nummer [perceel 4] gedeeltelijk en sectie [sectie] nummer [perceel 5] gedeeltelijk, zijnde de oprit, en ten behoeve van het aangrenzende perceel, kadastraal bekend gemeente [gemeente 3] , [sectie] nummer [perceel 1] , eigendom van verkoper, alsmede ten behoeve van het bij verkoper in eigendom verblijvende aangrenzende perceel, op de tekening aangeduid met de letter C, kadastraal bekend gemeente [gemeente 3] , [sectie] nummer [perceel 5] gedeeltelijk, wordt bij deze erfdienstbaarheid gevestigd van overweg, teneinde te komen en te gaan van en naar de [naam straat] te [woonplaats 1] op de minst bezwarende wijze, alsmede om te kunnen en mogen parkeren met maximaal twee voertuigen op de daarvoor bestemde en aangegeven plaatsen, doch dit laatste uitsluitend ten behoeve van genoemd bij verkoper in eigendom verblijvende perceel, aangeduid op de tekening met de letter C(…)”.

g. Bij akte van 26 februari 2002 tussen [geïntimeerde sub 1] en een ander als verkopers enerzijds en [appellant sub 1] en [appellante sub 2] als kopers anderzijds hebben eerstgenoemden aan laatstgenoemden de eigendom overgedragen van perceel [perceel 8] , zijnde het onder f. aangeduide perceel met de letter C, ook wel “ [naam 2] ” genoemd, thans genummerd [adres 5] .

3 Beoordeling

3.1

Bij de inleidende dagvaarding hebben [appellanten] gevorderd (samengevat) dat voor recht wordt verklaard

- dat het [appellanten] is toegestaan [naam 1] af te sluiten voor zover dat grenst aan [naam perceel] ;

- dat het [geïntimeerden] als eigenaren van perceel [perceel 1] ( [adres 1] ) niet is toegestaan voertuigen te parkeren op [naam 1] ;

- dat het [appellanten] is toegestaan de begroeiing van [naam 1] , meer in het bijzonder de heg, tot de erfgrens met [naam perceel] en met perceel [perceel 1] te verwijderen,

alsmede dat [geïntimeerde sub 2] wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 1.942,72 aan (buitengerechtelijke) kosten, met rente.

Aan deze vorderingen hebben [appellanten] ten grondslag gelegd dat op [naam 1] geen erfdienstbaarheid van weg rust ten gunste van [naam perceel] en evenmin een erfdienstbaarheid om auto’s te parkeren ten gunste van het perceel [perceel 1] ( [adres 1] ). De kosten waarvan de vergoeding wordt gevorderd zijn door [appellanten] gemaakt om de andersluidende pretenties van [geïntimeerden] te weerspreken.

3.2

[geïntimeerden] hebben de vorderingen bestreden. Na een bezichtiging ter plaatse heeft de kantonrechter de eerstgenoemde verklaring voor recht afgewezen, evenals de gevorderde (buitengerechtelijke) kosten. De overige vorderingen zijn toegewezen en de gedingkosten zijn gecompenseerd.

3.3

De grieven in principaal en incidenteel hoger beroep leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4

[geïntimeerden] voeren vóór alles aan dat [geïntimeerde sub 1] ten onrechte in het hoger beroep is betrokken, omdat deze al vóór de datum van het bestreden vonnis geen eigenaar meer was van de in het geding zijnde percelen, hetgeen [appellanten] hadden kunnen weten als zij, zoals van hen mocht worden gevergd, daarnaar een simpel onderzoekje hadden gedaan. Dit betoog wordt verworpen. Daargelaten dat het eerder op de weg van [geïntimeerden] had gelegen om reeds in eerste aanleg, bijvoorbeeld in hun akte na plaatsopneming, te melden dat [geïntimeerde sub 1] geen eigenaar meer was, moet worden vastgesteld dat [appellanten] in eerste aanleg terecht [geïntimeerden] (dus beiden) hebben gedagvaard. Het feit dat [geïntimeerde sub 1] daarna de eigendom heeft verloren staat dan op zichzelf niet in de weg aan de toewijsbaarheid van proceskosten en buitengerechtelijke kosten, zodat [appellanten] in het hoger beroep jegens [geïntimeerde sub 1] alleen al met het oog op die nevenvorderingen ontvankelijk zijn.

3.5

Bij de beoordeling van de eerste twee vorderingen van [appellanten] draait het om een kwestie van uitleg van erfdienstbaarheden die zijn ontstaan door vestiging bij notariële akte. Geen van de partijen heeft immers een beroep gedaan op verkrijgende verjaring. Dat zo zijnde komt het bij de uitleg aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.

3.6

De erfdienstbaarheid van weg ten laste van [naam 1] waarop [geïntimeerden] zich ter afwering van de eerste vordering van [appellanten] beroepen, zou moeten zijn gevestigd bij de onder 2.2 sub f. genoemde akte van 21 juli 1998. De erfdienstbaarheden die tot 21 juli 1998 ten laste van [naam 1] bestonden, zijn immers op 21 juli 1998 door vermenging teniet gegaan. In het hierboven weergegeven citaat uit de akte van 21 juli 1998, waarin [naam 1] is aangeduid als “de oprit” (sectie [sectie] nummer [perceel 4] gedeeltelijk en sectie [sectie] nummer [perceel 5] gedeeltelijk), is ten laste van [naam 1] echter uitsluitend een erfdienstbaarheid van overweg gevestigd ten behoeve van perceel [perceel 1] , dat is [adres 1] , en het met C aangeduide pakhuis op (thans) [adres 5] , thans perceel [perceel 8] . [geïntimeerden] wensen [naam 1] echter te bereiken vanaf [naam perceel] , perceel [perceel 2] . Dat perceel maakte in 1998, anders dan de kantonrechter kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen, geen deel uit van een van de twee in de akte van 21 juli 1998 genoemde heersende erven, zoals blijkt uit de ontstaansgeschiedenis die is weergegeven onder 2.2 sub e. Ten gunste van [naam perceel] bestaat dan ook geen erfdienstbaarheid van weg ten laste van [naam 1] . Het hof verwerpt de stelling van [geïntimeerden] dat perceel [perceel 4] , waaruit [naam perceel] is ontstaan, wel degelijk heersend is geweest ten opzichte van [perceel 7] , [naam 1] , aangezien die stelling niet is gemotiveerd, hetgeen in het licht van de vaststaande feiten wel had mogen worden verwacht.

3.7

Hoewel [geïntimeerden] stellen dat de tekst van de akte waarin de erfdienstbaarheid is gevestigd duidelijk is en niet voor meerderlei uitleg vatbaar, beroepen zij zich, subsidiair, op de wijze waarop de erfdienstbaarheid volgens hen geruime tijd zonder tegenspraak is uitgeoefend. Dit verweer faalt echter, omdat de tekst van de akte volkomen duidelijk maakt dat [naam perceel] geen heersend erf is, zodat er geen noodzaak of ruimte is om de wijze waarop de erfdienstbaarheid na de vestiging is uitgeoefend, in de beoordeling te betrekken. Wellicht is dat per abuis zo geregeld en hadden de partijen, onder wie [geïntimeerde sub 1] zelf, bij de akte iets anders voor ogen, maar dat is in het kader van de hier toepasselijke uitlegmaatstaf niet relevant.

3.8

[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat zij reeds vanaf het ontstaan van [naam perceel] daaroverheen gaan als zij zich vanaf de openbare weg via [naam 1] naar de bij [adres 1] behorende garage begeven, en omgekeerd, en dat het hun niet duidelijk is waarom [appellanten] dit na jaren onmogelijk willen maken door de grens af te sluiten. Ook hebben zij erop gewezen dat slechts een stuk van ongeveer 50 cm van [naam 1] hoeft te worden overgestoken om vanaf [naam perceel] de ingang van de garage te bereiken. Afsluiting van de grens tussen [naam 1] en [naam perceel] zal ertoe leiden dat [geïntimeerde sub 2] niet meer via [naam 1] gebruik kan maken van de garage, waardoor zij in de gevestigde erfdienstbaarheid wordt belemmerd. In de tuin van [geïntimeerde sub 2] staan drie oude knotwilgen, een heg en een gemetselde plantenbak die belemmeren dat de garage wordt bereikt over het eigen terrein. Een redelijke belangenafweging brengt mee dat de belangen van [geïntimeerde sub 2] als eigenaar van [adres 1] moeten prevaleren, aldus [geïntimeerden] Het hof begrijpt dat zij zich met dit betoog uitsluitend beroepen op misbruik van bevoegdheid. Een uitleg naar redelijkheid van de gevestigde erfdienstbaarheid is, zoals gezegd, immers niet aan de orde. Voor misbruik van bevoegdheid hebben [geïntimeerden] echter te weinig gesteld. De omstandigheid dat enige herinrichting van het eigen terrein nodig zou zijn om de garage te kunnen blijven bereiken is, als dat al juist is, hetgeen is betwist, onvoldoende zwaarwegend om te kunnen spreken van een onevenredigheid als bedoeld in artikel 3:13 BW. Als eigenaren van [naam 1] én bewoners van de omliggende erven hebben [appellanten] een reëel belang bij regulering van de wijze waarop derden van hun eigendom gebruik maken.

3.9

Hetgeen hiervoor werd overwogen leidt tot de slotsom dat de verklaring voor recht dat [appellanten] gerechtigd zijn de grens tussen [naam 1] en [naam perceel] af te sluiten, toewijsbaar is. Het bestreden vonnis kan in zoverre niet in stand blijven. Het hof zal de door [appellanten] ook in hoger beroep herhaalde fouten in de benaming van de percelen (gemeente [gemeente 4] in plaats van gemeente [gemeente 3] ) corrigeren.

3.10

Ook de erfdienstbaarheid waarop [geïntimeerden] zich beroepen ter bestrijding van de tweede vordering van [appellanten] - de verklaring voor recht dat [geïntimeerden] als eigenaren van [adres 1] niet gerechtigd zijn te parkeren op [naam 1] - zou moeten zijn gevestigd bij de onder 2.2 sub f genoemde akte van 21 juli 1998. In die akte is echter het recht om twee voertuigen op [naam 1] te parkeren uitdrukkelijk beperkt tot het perceel met de letter C, [naam 2] waarvan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] thans eigenaar zijn. Dat recht is, anders dan het gelijktijdig gevestigde en hiervoor besproken recht van weg, dus niet gevestigd ten behoeve van het perceel [adres 1] . Waarom [geïntimeerden] , of alleen [geïntimeerde sub 1] (dat is niet geheel duidelijk uit de toelichting op de eerste incidentele grief), het gelijkluidende oordeel van de kantonrechter onbegrijpelijk acht/achten, is het hof niet duidelijk geworden. Het oordeel is juist en de desbetreffende verklaring voor recht is terecht uitgesproken, met dien verstande dat die in hoger beroep alsnog zal worden beperkt tot [geïntimeerde sub 2] als (enig) eigenaar van [adres 1] .

3.11

De derde vordering van [appellanten] is eveneens door de kantonrechter toegewezen en betreft de wens van [appellanten] de begroeiing van [naam 1] , meer in het bijzonder de heg tot de erfgrens met [naam perceel] en met perceel [perceel 1] , te verwijderen. Het recht daartoe komt [appellanten] als eigenaren van [naam 1] in beginsel onmiskenbaar toe. [geïntimeerden] hebben echter aangevoerd dat zij de begroeiing ter plaatse altijd goed hebben bijgehouden door die twee keer per jaar te snoeien en daarnaast op verzoek van [appellanten] bij te snoeien. Verwijdering van de struiken levert geen reëel voordeel op omdat er nu zelfs al voldoende ruimte is om met een vrachtauto met aanhanger over [naam 1] te rijden, schendt het aangezicht van [naam 1] en is alleen bedoeld om [geïntimeerden] dwars te zitten, aldus [geïntimeerden] Het hof vat dit betoog op als een beroep op misbruik van bevoegdheid. Dit beroep moet worden verworpen, aangezien [geïntimeerden] met betrekking tot het belang van [geïntimeerde sub 2] bij de instandhouding van de begroeiing niet meer heeft gesteld dan dat verwijdering afbreuk doet aan het aangezicht van [naam 1] . Voor zover het aangezicht van het aan [appellanten] toebehorende Laantje al als een belang van [geïntimeerde sub 2] kan worden aangemerkt, is het in ieder geval geen voldoende zwaarwegend belang om [appellanten] te beperken in hun rechten als eigenaars. Dat [appellanten] geen ander doel hebben dan [geïntimeerden] of [geïntimeerde sub 2] te schaden is het hof niet gebleken. Ook deze verklaring voor recht is dus terecht door de kantonrechter uitgesproken.

3.12

Als nevenvordering hebben [appellanten] aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten die zij hebben gemaakt om buiten rechte hun juridische positie duidelijk te maken. Zij vorderden in eerste aanleg in dit verband een bedrag van € 1.942,72 aan (buitengerechtelijke) kosten. Blijkens de onder nummer E22 overgelegde facturen heeft dat bedrag betrekking op een factuur ten bedrage van € 290,40 van notaris Erkamp en facturen ten bedrage van € 970,69 en € 681,63 van de advocaat van [appellanten] Hoewel ook een factuur van € 495,= van het kadaster is overgelegd, is het bedrag daarvan kennelijk, al dan niet per abuis, niet in het gevorderde bedrag opgenomen. In hoger beroep hebben [appellanten] deze vordering verhoogd met een bedrag van € 434,25, dat betrekking heeft op een factuur van kandidaat-notaris Jongkind. [geïntimeerden] hebben de gevorderde kosten bestreden met het betoog dat de kadastrale meting onnodig was omdat [geïntimeerden] de kadastrale grenzen nooit ter discussie hebben gesteld. Wat daarvan ook zij, dit verweer is niet ter zake omdat de kadastrale kosten niet zijn opgenomen in het bedrag van € 1.942,72. Voorts hebben [geïntimeerden] betoogd dat de kosten hun niet in rekening kunnen worden gebracht omdat [appellanten] de erfdienstbaarheden moeten respecteren. Dit argument gaat niet op omdat [appellanten] , naar hierboven bleek, het gelijk aan hun zijde hebben. Het hof verwerpt ook het verweer dat de kosten onvoldoende zijn gespecificeerd, nu de overgelegde facturen daartoe voldoende zijn. Gezien de opstelling van [geïntimeerden] is het redelijk dat er kosten zijn gemaakt. De advocaatkosten zal het hof, overeenkomstig het rapport BGK Integraal, matigen tot € 925,=. In zoverre is de vordering toewijsbaar, ook jegens [geïntimeerde sub 1] , met rente zoals gevorderd.

3.13

[geïntimeerden] hebben geen feiten gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen dan hiervoor gegeven leiden, zodat hun bewijsaanbod als niet ter zake dienend wordt gepasseerd.

3.14

Als de in eerste aanleg en in principaal en incidenteel appel in het ongelijk gestelde partij dienen [geïntimeerden] de kosten van het geding in eerste aanleg en principaal en incidenteel appel te dragen, met de nakosten zoals gevorderd.

3.15

De principale grieven slagen en de incidentele grieven falen. Het bestreden vonnis zal ten dele worden vernietigd en de door de kantonrechter afgewezen vorderingen zullen alsnog worden toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover daarbij de vorderingen van [appellanten] zijn toegewezen, met dien verstande dat de verklaring voor recht met betrekking tot het parkeren slechts betrekking heeft op [geïntimeerde sub 2] als eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente 3] , sectie [sectie] nummer [perceel 1] ;

vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarbij de vorderingen van [appellanten] zijn afgewezen en de gedingkosten zijn gecompenseerd;

in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart voor recht dat het [appellanten] is toegestaan het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente 3] , sectie [sectie] , nummer [perceel 7] , voor zover grenzend aan het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente 3] , sectie [sectie] , nummer [perceel 2] , af te sluiten;

veroordeelt [geïntimeerde sub 2] tot betaling aan [appellanten] van een bedrag van € 1.215,40, te vermeerderen met de rente daarover vanaf 22 januari 2016 tot de voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot betaling aan [appellanten] van € 434,25, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 maart 2017 tot de voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de kosten van het geding in eerste aanleg en principaal en incidenteel appel, in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] begroot op € 320,34 aan verschotten en € 375,= voor salaris en in principaal en incidenteel appel tot op heden aan de zijde van [appellanten] begroot op € 407,79 aan verschotten en € 1.611,= voor salaris en € 157,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het over en weer meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, J.C.W. Rang en C.C. Meijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.