Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2317

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
23-003550-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging vonnis; mishandeling stiefkinderen; taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003550-17

datum uitspraak: 6 juli 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-048124-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

18 april 2018 en 22 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 maart 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn stiefzoon, [slachtoffer 1], en/of zijn stiefdochter [slachtoffer 2], heeft mishandeld door

- die [slachtoffer 1] meermalen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, in elk geval het lichaam te slaan, en/of

- die [slachtoffer 2] eenmaal in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, in elk geval het lichaam te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 maart 2017 te Amsterdam zijn stiefzoon [slachtoffer 1] en zijn stiefdochter [slachtoffer 2] heeft mishandeld door [slachtoffer 1] meermalen tegen het gezicht te slaan en [slachtoffer 2] eenmaal tegen het gezicht te slaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen kinderen die hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin.

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, onder oplegging van bijzondere voorwaarden, en een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest naar de maatstaf van twee uren per dag.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn beide stiefkinderen. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide kinderen en hebben zij pijn ondervonden. Dit is gebeurd in de gezamenlijke woning, de plek waar met name ook kinderen zich bij uitstek veilig moeten kunnen voelen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 juni 2018 van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk voor agressiedelicten is veroordeeld. In beginsel is er met het vorenstaande alle aanleiding om over te gaan tot oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, maar het hof ziet in deze zaak goede redenen om hier vanaf te zien.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en de inhoud van het dossier is gebleken dat het voorval binnen het gezin is besproken en uitgepraat en dat een dergelijk incident zich sindsdien niet meer heeft voorgedaan. De verdachte woont weer een gedeelte van de tijd, na enige tijd ergens anders te hebben verbleven, met de stiefkinderen onder een dak, samen met hun moeder. De verdachte lijkt een positieve draai aan zijn leven te hebben gegeven en is gemotiveerd voor hulpverlening. Nu de verdachte in staat is werkzaamheden te verrichten, maar hiertoe nog niet in de gelegenheid was gesteld door het ontbreken van diploma’s, ziet het hof meerwaarde in het opleggen van een taakstraf, opdat hij enige ervaring op het gebied van werk kan opdoen. Voorts zal het hof om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen en als stok achter de deur dan wel steun in de rug een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, eenzelfde straf als opgelegd door de politierechter van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat:

- de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of

- de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

- de verdachte geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen,

- dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging van bovenstaande gevangenisstraf kan worden gelast als de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren de bijzondere voorwaarden niet naleeft:

1. Verdachte moet zich blijven melden bij het Leger des Heils Amsterdam, [adres 2] op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht. Gedurende de proeftijd moet de verdachte zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft.

2. Verdachte moet zijn medewerking verlenen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een agressietraining en een arbeidsvaardighedentraining, aangeboden door het Leger des Heils, of soortgelijke instelling waarbij verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan verdachte zullen worden gegeven.

3. Verdachte moet meewerken aan een plaatsing binnen een passende begeleide woonvorm of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

4. Verdachte moet meewerken aan verdiepingsdiagnostiek door GGZ NHN en de begeleiding vanuit Humanitas, of een soortgelijke instelling waarbij verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze interventie door of namens voornoemde instelling aan hem zullen worden gegeven.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. J.L. Bruinsma en mr. A. van Verseveld, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

6 juli 2018.

[…]