Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2308

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
09-07-2018
Zaaknummer
200.228.333/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORSHE:2017:21, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. Klager verwijt de notaris - kort gezegd - dat hij feitelijke onjuistheden heeft vermeld in de akte van boedelbeschrijving.

De kamer heeft in de bestreden beslissing klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beide klachten tegen de notaris.

De driejaarstermijn was ten tijde van de indiening van de klachten verstreken. Deze vervaltermijn neemt een aanvang zodra een klager kennis draagt van het handelen of nalaten van een (kandidaat-)notaris en dus niet pas op het moment dat een klager tot de opvatting komt dat dit handelen of nalaten klachtwaardig is. Het hof gaat voorbij aan het beroep van klager op voortschrijdend inzicht en bevestigt de bestreden beslissing.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 99 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.228.333/01 NOT

nummer eerste aanleg : SHE/2017/59 en SHE/2017/67

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 3 juli 2018

inzake

[naam] ,

wonend te [plaats] ,

appellant,

tegen

[naam] ,

notaris te [plaats] ,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 28 november 2017 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort 's‑Hertogenbosch (hierna: de kamer) van 20 november 2017 (ECLI:NL:TNORSHE:2017:21). De kamer heeft in de bestreden beslissing klager niet‑ontvankelijk verklaard in zijn beide klachten tegen geïntimeerde (hierna: de notaris).

1.2.

De notaris heeft op 22 december 2017 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.

1.3.

Klager heeft op 4 april 2018 een pleitnota ingediend.

1.4.

Klager heeft op 11 april 2018 een tweetal producties ingediend.

1.5.

De notaris heeft op 18 april 2018 een pleitnota ingediend.

1.6.

Het hof heeft voorts kennis genomen van het e‑mailbericht van klager van 18 april 2018.

1.7.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 19 april 2018. Klager is, met voorafgaand bericht, niet ter terechtzitting verschenen. De notaris is verschenen en heeft het woord gevoerd aan de hand van de onder 1.5 vermelde pleitnota.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Samengevat komen de feiten - voor zover in hoger beroep van belang - neer op het volgende.

3.2.1.

Uit het huwelijk van de ouders van klager zijn acht kinderen geboren. Op [datum] 1993 is de vader van klager overleden. Nadien is tussen de kinderen onenigheid ontstaan over de omvang en de samenstelling van zijn nalatenschap.

3.2.2.

Bij beschikking van de kantonrechter te [plaats] van 22 januari 2009 is de notaris aangewezen om een boedelbeschrijving op te maken inzake de nalatenschap van vader.

3.2.3.

Op [datum] 2010 is de moeder van klager overleden. De kinderen hebben haar nalatenschap beneficiair aanvaard.

3.2.4.

Bij beschikking van de rechtbank [plaats] van 6 november 2012 is - voor zover hier van belang - geoordeeld dat de acht kinderen erfgenamen van moeder zijn en is een vereffenaar benoemd.

3.2.5.

De notaris heeft een (concept)akte van boedelbeschrijving inzake de nalatenschap van vader opgesteld en heeft alle erfgenamen uitgenodigd tot ondertekening van deze akte. Twee broers van klager zijn bij de notaris verschenen. Zij waren op 15 mei 2013 aanwezig bij het passeren van de akte van boedelbeschrijving en hebben deze ondertekend.

3.2.6.

Op 21 mei 2013 heeft klager bij de kamer een klacht tegen de notaris ingediend in verband met (onder andere) de kwaliteit van diens werkzaamheden, meer in het bijzonder ten aanzien van de inhoud van de akte van boedelbeschrijving van 15 mei 2013.

3.2.7.

Op 22 juli 2013 en 15 augustus 2013 heeft klager (wederom) klachten tegen de notaris ingediend in verband met de inhoud van de akte van boedelbeschrijving van 15 mei 2013.

4 Standpunt van klager

Klager verwijt de notaris - kort gezegd - dat hij feitelijke onjuistheden heeft vermeld in de akte van boedelbeschrijving van 15 mei 2013.

5 Standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6. Beoordeling

Ontvankelijkheid

6.1.

Ingevolge artikel 99 lid 15 (zoals dat gold ten tijde hier van belang) van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) wordt (een klager in) een klacht niet-ontvankelijk verklaard indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de (kandidaat)notaris waarop de klacht betrekking heeft. Verder bepaalt dit wetsartikel dat de beslissing tot niet‑ontvankelijkverklaring achterwege blijft indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.

6.2.

In de bestreden beslissing heeft de kamer klager niet‑ontvankelijk verklaard in zijn beide klachten, omdat deze klachten (ruimschoots) na het verstrijken van de driejaarstermijn zijn ingediend en niet is gesteld of gebleken dat de gevolgen van het door klager gestelde handelen of nalaten van de notaris redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden.

6.3.

Vaststaat dat klager op 21 mei 2013, alsmede op 22 juli 2013 en 15 augustus 2013 klachten tegen de notaris heeft ingediend, die (onder meer) betrekking hadden op de inhoud van de door de notaris opgemaakte akte van boedelbeschrijving van 15 mei 2013. Klager was derhalve vanaf het moment van indiening van zijn (eerste) klacht tegen de notaris op 21 mei 2013, althans in ieder geval vanaf het moment van indiening van zijn (nadere) klacht op 15 augustus 2013, op de hoogte van de inhoud van de akte van boedelbeschrijving van 15 mei 2013. Het hof is dan ook van oordeel dat klager in ieder geval op 15 augustus 2013 heeft kennisgenomen of redelijkerwijs heeft kunnen kennisnemen van het handelen of nalaten dat hij de notaris thans verwijt.

De vervaltermijn van drie jaren, als bedoeld in artikel 99 lid 15 Wna, neemt een aanvang zodra een klager kennis draagt van het handelen of nalaten van een (kandidaat-)notaris en dus niet pas op het moment dat een klager tot de opvatting komt dat dit handelen of nalaten klachtwaardig is (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2016:3445). Het hof gaat daarom voorbij aan het beroep van klager op voortschrijdend inzicht. Dit betekent dat de driejaarstermijn (in ieder geval) op 15 augustus 2013 is aangevangen. Ten tijde van het indienen van de onderhavige klachten op respectievelijk 3 mei 2017 (SHE/2017/59) en 21 juni 2017 (SHE/2017/67) was de termijn van drie jaren derhalve verstreken, zodat beide klachten te laat zijn ingediend. Evenals de kamer ziet het hof ook overigens geen aanleiding om de klachten van klager aan te merken als tijdig ingediend.

6.4.

Uit het voorgaande volgt dat de kamer terecht klager niet‑ontvankelijk heeft verklaard in zijn klachten. Het hof zal de beslissing van de kamer derhalve bevestigen.

6.5.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.6.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, A.R. Sturhoofd en J.W. van Zaane en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018 door de rolraadsheer.