Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2293

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
23-001905-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt het vonnis van beroep, behalve ten aanzien van de strafoplegging en met dien verstande dat het hof een aanvullende bewijsmotivering opneemt. Het hof verwerpt het verweer en acht opzet op wederrechtelijke toe-eigening bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001905-17

datum uitspraak: 3 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-706247-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof een aanvullende bewijsmotivering opneemt.

Aanvullende bewijsmotivering

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het procesdossier onvoldoende bewijs bevat om opzet op de wederrechtelijke toe-eigening bewezen te kunnen verklaren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij de jas aangereikt kreeg door de medeverdachte en dat de verdachte niet wist dat de jas niet van de medeverdachte was en uit het café was weggenomen.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

In het proces-verbaal van bevindingen van 18 maart 2017, op ambtsbelofte en ambtseed opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], relateren zij over het handelen van de verdachte en de medeverdachte alvorens deze het café binnentreden. De verbalisanten nemen waar dat de verdachte noch de medeverdachte iets in hun handen droegen voordat zij het café in gingen. Het hof acht het volstrekt onaannemelijk dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij de jas van de medeverdachte aangeboden kreeg, nu de medeverdachte bij aankomst bij het café geen jas bij zich droeg. Op basis van de bewijsmiddelen in het proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg en het voorgaande verwerpt het hof het verweer en acht het opzet op de wederrechtelijke toe-eigening van de jas bewezen.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,-, te vervangen door 20 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een jas uit een café. Diefstal is een vervelend feit dat behalve materiële schade ook overlast en hinder veroorzaakt. Blijkens zijn handelen heeft de verdachte geen respect voor het eigendomsrecht van een ander. Het hof rekent de verdachte dit aan. Door aldus te handelen heeft de verdachte gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt en in het bijzonder bijgedragen aan de grote maatschappelijke overlast die met name de vermogenscriminaliteit zoals zakkenrollerij, tassen- en jassendiefstal in de Amsterdamse binnenstad met zich brengt.

Naar het oordeel van het hof doet zowel de in eerste aanleg opgelegde straf als de ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal gevorderde straf geen recht aan de ernst van het feit. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. R.D. van Heffen en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 juli 2018.

[...]