Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2290

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
23-003226-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belediging burgemeester. Beroep op vrijheid van meningsuiting. Het gevoerde verweer treft naar het oordeel van het hof geen doel nu de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM in dit geval wordt begrensd door art. 266 jo. 267 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003226-17

datum uitspraak: 3 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 september 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 13-674263-16 en 13-223957-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 3 september 2016 te Uithoorn, althans in Nederland, opzettelijk een persoon en/of een ambtenaar gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van haar bediening en/of het openbaar gezag of een openbaar lichaam genaamd [slachtoffer], (en/of) (de) burgemeester van de gemeente Uithoorn, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd bestaande die belediging uit het één of meerdere ma(a)l(en) toevoegen van de woorden "Je bent natuurlijk hier wel aanwezig omdat je publiciteitsgeil bent en een misbaksel, een dief en een malafide onbetrouwbare griet die te laf is om een gesprek aan te gaan", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2:
hij op of omstreeks 6 september 2016 te Uithoorn, althans in Nederland, opzettelijk een persoon en/of een ambtenaar gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van haar bediening en/of het openbaar gezag of een openbaar lichaam genaamd [slachtoffer], (en/of) (de) burgemeester van de gemeente Uithoorn, (opzettelijk) in het openbaar middels geschrift heeft beledigd, door middels het internet op de site Facebook, die toegankelijk was voor anderen, te schrijven "Heb haar wel gezegd wanneer ze nu eens stop met de malafide, tiranniserende belangen verstrekkende, corrupte dievenbende zoals ik zie hoe ze leiding geef" en/of "Ik loop voor jou en de rest van die knoeiers niet weg dus we gaan beginnen OK" althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert.

Nadere bewijsmotivering

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de uitlatingen van de verdachte jegens de aangeefster beschermd worden door de vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De vrijheid van meningsuiting wordt onder meer beschermd door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Uit het tweede lid van dit artikel blijkt dat deze vrijheid onderworpen kan worden aan beperkingen die bij wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn, onder anderen in het belang van de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.

Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet een dergelijke beperking beantwoorden aan een dringende maatschappelijke behoefte. In een goed functionerende democratische samenleving is het van essentieel belang dat burgers hun mening kunnen uiten en aan maatschappelijke discussies kunnen deelnemen. Een beperking op de vrijheid van meningsuiting is, waar het gaat om uitlatingen die een bijdrage leveren aan de maatschappelijke discussie, niet snel gerechtvaardigd, ook niet als het gaat om uitlatingen die kwetsen, shockeren of verontrusten. Het beperken van de vrijheid van meningsuiting is zonder verdragsschending slechts mogelijk indien, bij een weging van belangen, het maatschappelijk belang bij een vrij en open debat niet langer de doorslag kan geven.

Gelet op de context waarin de tenlastegelegde bewoordingen door de verdachte zijn geuit en de inhoud van die bewoordingen is het hof van oordeel dat niet valt in te zien hoe de uitingen van de verdachte moeten worden beschouwd als een bijdrage aan het maatschappelijke debat. De uitlatingen waren gericht op de persoon van de aangeefster en waren een hinderlijke inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Dat zij als burgemeester een publieke functie heeft en zich ook als zodanig in het openbaar manifesteert maakt dat niet anders. De verdachte heeft met zijn onnodig grievende uitlatingen de grens van het toelaatbare overschreden.

De uitlatingen zoals gedaan door de verdachte hebben een beledigend karakter en de aangeefster heeft de uitlatingen ook als zodanig ervaren. De artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht hebben als doel het beschermen van de goede naam en de rechten van personen zoals de aangeefster. Bij weging van de belangen geeft het maatschappelijk belang bij een vrij en open debat in het onderhavige geval niet langer de doorslag. In hetgeen de verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting in hoger beroep hebben aangevoerd, ziet het hof geen aanknopingspunten om daarover anders te oordelen. Het gevoerde verweer treft naar het oordeel van het hof dus geen doel nu de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in dit geval wordt begrensd door de artikel 266 juncto 267 van het Wetboek van Strafrecht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 3 september 2016 te Uithoorn opzettelijk een ambtenaar gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van haar bediening, genaamd [slachtoffer], burgemeester van de gemeente Uithoorn, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd, bestaande die belediging uit het toevoegen van de woorden "Je bent een misbaksel, een dief en een malafide onbetrouwbare griet die te laf is om een gesprek aan te gaan".

2:
hij op 6 september 2016 te Uithoorn opzettelijk een ambtenaar gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van haar bediening, genaamd [slachtoffer], burgemeester van de gemeente Uithoorn, opzettelijk in het openbaar middels geschrift heeft beledigd, door op de site Facebook, die toegankelijk was voor anderen, te schrijven "Heb haar wel gezegd wanneer ze nu eens stop met de malafide, tiranniserende belangen verstrekkende, corrupte dievenbende zoals ik zie hoe ze leiding geef" en "Ik loop voor jou en de rest van die knoeiers niet weg dus we gaan beginnen OK".

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,-.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van de burgemeester van Uithoorn. Een dergelijke belediging heeft tot gevolg dat de betreffende ambtenaar in haar gezag wordt aangetast. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte gesteld niet over de middelen te beschikken een geldboete te betalen. Naar het oordeel van het hof is echter niet voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte niet in staat is een geldboete zoals het hof die passend acht, te betalen.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete ter hoogte van € 500,00 passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 57, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 december 2015 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis met algemene en bijzondere voorwaarden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. In hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, ziet het hof geen reden de vordering af te wijzen, slechts gedeeltelijk toe te wijzen of de proeftijd te verlengen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 december 2015, parketnummer 13-223957-15, te weten van:

taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. M.J.A. Duker en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 juli 2018.

[...]