Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2278

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
12-04-2019
Zaaknummer
200.226.949/01 en 200.229.297/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking. Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:1108.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.226.949/01 en 200.229.297/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 6062172 \ AO VERZ 17-65 en

6093543 \ AO VERZ 17-72 (PA)

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 juli 2018 (bij vervroeging)

inzake

STICHTING VOOR INTERCONFESSIONEEL VOORTGEZET ONDERWIJS IN OOSTELIJK WEST-FRIESLAND,

gevestigd te Grootebroek, gemeente Stede Broec,

appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. A.C.M. Ranke te Woerden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. S. Vrij te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna het Martinuscollege en [geïntimeerde] genoemd.

Het Martinuscollege heeft op 7 november 2017 een verzoekschrift ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ex artikel 186 Rv (bij het hof bekend onder zaaknummer 200.226.949/01). Het verzoek strekt er thans toe om in een voorlopig getuigenverhoor te horen [X] (verder: [X] ) en [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft daartegen op 6 april 2018 een verweerschrift ingediend, strekkende tot afwijzing van het verzoek.

Het Martinuscollege is bij beroepschrift met producties (bij het hof bekend onder zaaknummer 200.229.297/01), ontvangen ter griffie van het hof op 11 december 2017, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, (hierna: de kantonrechter) op 12 september 2017, onder bovenvermelde zaaknummers, heeft gegeven. De conclusie in het beroepschrift houdt in dat het hof de beschikking van de kantonrechter zal vernietigen en zal bepalen dat [geïntimeerde] ernstig nalatig is geweest door geen verlof te vragen en zonder verlof te vertrekken, dat het Martinuscollege [geïntimeerde] terecht op staande voet heeft

kunnen ontslaan, dat ten onrechte een billijke vergoeding en een transitievergoeding zijn toegekend, dat de toegekende en uitbetaalde billijke vergoeding en transitievergoeding met de wettelijke rente dienen te worden terugbetaald en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

[geïntimeerde] heeft in principaal appel op 6 april 2018 verzocht de beschikking te bekrachtigen voor zover daarin de verzoeken van het Martinuscollege zijn afgewezen en de verzoeken van [geïntimeerde] zijn toegewezen en heeft verzocht het Martinuscollege te veroordelen in de werkelijke proceskosten in appel ad € 15.000,- ex BTW en kantoorkosten. [geïntimeerde] heeft in incidenteel appel verzocht de redenen dat sprake is van een niet-rechtsgeldig ontslag op staande voet aan te vullen, voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] niet op 13 april 2017 maar op 10 mei 2017 op staande voet is ontslagen, het Martinuscollege te veroordelen tot betaling van (i) een billijke vergoeding van € 467.639,- bruto, (ii) het loon over de periode van 13 april 2017 tot 10 mei 2017, verhoogd met wettelijke verhoging en wettelijke rente, (iii) een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ter hoogte van € 12.056,67 met wettelijke rente en (iv) de werkelijke proceskosten in eerste aanleg ad € 10.000,- ex BTW en kantoorkosten.

Het Martinuscollege heeft verzocht de verzoeken in incidenteel appel af te wijzen en [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van dat geding.

Op 17 mei 2018 heeft [geïntimeerde] een aanvullende productie ingediend.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 25 mei 2018, alwaar namens het Martinuscollege zijn verschenen [Y] en

[Z] , bijgestaan door mr. Ranke voornoemd, die het woord heeft gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen. Voorts is verschenen [geïntimeerde] , bijgestaan door mr. Vrij voornoemd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 2.1 tot en met 2.12 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep, met uitzondering van een op 4 oktober 2016 al dan niet plaatsgevonden hebbend gesprek tussen [geïntimeerde] en [X] , en de vraag naar de kwalificatie van de op 13 april 2017 aan [geïntimeerde] geschreven brief, in essentie niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[geïntimeerde] , geboren [in] 1965, is op 21 september 1998 in dienst getreden bij het Martinuscollege. De laatste functie die [geïntimeerde] vervulde, is die van docent LB, met een salaris van € 3.058,56 bruto per maand.

2.2

[geïntimeerde] verzorgde lessen voor het vak economie en M&O aan de klassen g3a en a3a en M&O aan HAVO 5 en VWO 6.

2.3

Het vakantieverlof voor leraren in het VO is geregeld in de CAO VO 2016-2017 (hierna: de cao). In artikel 15.1 lid 1 is, voor zover relevant, het volgende bepaald:

“De werknemer die behoort tot de functiecategorie (...) leraar, geniet:

a. gedurende de schoolvakanties en vijf extra, door de werkgever in overleg met de (G)MR vastgestelde, dagen vakantieverlof met behoud van bezoldiging;

b. buiten de in lid a genoemde periodes geen vakantieverlof.”

2.4

De meivakantie in het schooljaar 2016/2017 was van 24 april 2017 tot en met

5 mei 2017.

2.5

[geïntimeerde] , die progressieve oogklachten heeft, had de mogelijkheid een reis naar Zuid-Amerika te maken. Bij e-mail van 29 september 2016 schreef [geïntimeerde] aan een vriendin onder andere het volgende: “ALS ik vrij krijg, heb jij dan zin om mee te gaan? (...) Volgende week is mijn bazin weer terug, kan ik mijn overwerk-uren laten tellen en kan ik uitzoeken hoe de laatste toetsweek precies valt. (...) Hoop dat jij meegaat, als ik vrij krijg.”

2.6

Bij e-mail van 29 september 2016 heeft [geïntimeerde] zich aangemeld voor de reis. In haar e-mail aan de reisorganisatie schrijft zij onder meer het volgende: “Mits ik van mijn werkgever toestemming krijg om uren op te nemen (ik werk op een school),

ga ik graag mee op reis naar Ecuador en de Galapagos eilanden. De tweede reis is voor mij de enige mogelijkheid, aangezien die voor een klein gedeelte in een schoolvakantie valt.”

2.7

Bij e-mail van 4 oktober 2016 schrijft [geïntimeerde] aan de reisorganisatie onder meer het volgende: “Mijn baas heeft zichzelf overtroffen in snelheid en ik heb vandaag al te horen gekregen dat ik mijn te veel gewerkte dagen van dit schooljaar in april mag compenseren. Dus ik mag mee naar Ecuador en de Galapagos eilanden (...)”.

2.8

[geïntimeerde] is in de periode van 12 april 2017 tot begin mei 2017 met vakantie gegaan en heeft de hiervoor genoemde reis gemaakt.

2.9

Op 13 april 2017 heeft het Martinuscollege aan [geïntimeerde] een brief geschreven met onder andere de volgende inhoud: “U wordt op staande voet ontslagen op grond van artikel 10.a.6 lid 2 sub e (...) van de cao vo onder de ontbindende voorwaarde dat u zodra u terug bent, zich meldt bij de bestuurder (...) om tekst en uitleg te geven over uw handelwijze. (...) Indien u geen sluitende verklaring heeft, zal het ontslag op staande voet gehandhaafd blijven. Op woensdag 12 april 2017 bent u zonder enig bericht niet op uw werk verschenen. De leerlingen (...) zaten te wachten op de geplande lessen of examentraining. Als leraar van een examenklas is examentraining uw verantwoordelijkheid. Toen uw afwezigheid bij de directie bekend werd, werd verondersteld dat u ziek was. Toen donderdag 13 april 2017 nog steeds geen bericht was gekomen over de reden van uw afwezigheid, heeft de sectordirecteur naar uw huis gebeld. Uit het telefoongesprek bleek dat u zonder enig bericht, laat staan zonder om verlof te vragen, op vakantie bent vertrokken tot eind april 2017. De directie was verbijsterd over deze gang van zaken. De verbijstering was des te groter daar u al eerder, in september 2015, verlof hebt opgenomen zonder de juiste procedure te volgen. (...) U heeft voor 1 februari 2016 geen verlof aangevraagd voor een verlofperiode in april 2017 (…). Nu u geen verlof heeft aangevraagd, noch tijdig, noch later, heeft er geen afweging kunnen plaatsvinden tussen uw individuele belang en het schoolbelang. Ik maak u erop attent dat in deze zaak het schoolbelang voor zou gaan. De periode waarbinnen u zonder toestemming, zonder zelfs te berichten, verlof heeft opgenomen, april 2017, is de periode vlak voor de eindexamens en de leerlingen examentraining behoren te krijgen van hun leraar. (...)”.

2.10

Op 8 mei 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en het Martinuscollege.

2.11

Bij brief van 10 mei 2017 heeft het Martinuscollege aan [geïntimeerde] medegedeeld dat hij “op juiste gronden tot het ontslag op staande voet op grond van de geconstateerde dringende reden (…) (heeft, hof) besloten” en “(..) dat het ontslag in stand blijft.”

3 Beoordeling

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg - samengevat weergegeven en voor zover thans nog relevant – primair verzocht het Martinuscollege te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 26.252,65 bruto, een vergoeding vanwege het niet in acht nemen van de opzegtermijn van € 11.346,27 bruto, een billijke vergoeding van

€ 80.000,- bruto, subsidiair voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst niet op 13 april 2017 maar op 10 mei 2017 is geëindigd, en het Martinuscollege te veroordelen tot het betalen van loon, met wettelijke verhoging en wettelijke rente over de tussengelegen periode, alsmede van de wel gewerkte maar niet uitbetaalde NB-dagen ad € 509,76 bruto met wettelijke verhoging en wettelijke rente, primair en subsidiair tot het verstrekken van deugdelijke salarisspecificaties op straffe van verbeurte van dwangsommen van hetgeen is toegewezen, alsmede tot het betalen van de werkelijke proceskosten ad € 10.500,-.

3.2

De kantonrechter heeft, voor zover thans nog relevant, voor recht verklaard dat het Martinuscollege niet rechtsgeldig en zonder dringende reden heeft opgezegd, en heeft het Martinuscollege veroordeeld aan [geïntimeerde] te betalen een billijke vergoeding van € 80.000,-, een transitievergoeding van € 26.252,65 bruto, een vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging van € 11.010,82 bruto, het verstrekken van de hierbij behorende deugdelijke salarisspecificaties, alsmede een bedrag van € 1.539,- aan forfaitaire proceskosten.

3.3

Het Martinuscollege keert zich tegen deze beslissing waar de kantonrechter oordeelt dat [geïntimeerde] geen dringende reden heeft veroorzaakt, en waar aan [geïntimeerde] een billijke vergoeding en een transitievergoeding zijn toegekend.

3.4

In incidenteel appel keert [geïntimeerde] zich tegen de overweging van de kantonrechter, dat het ontslag op staande voet is gegeven op 13 april 2017. [geïntimeerde] betoogt dat het ontslag op staande voet pas op 10 mei 2017 is verleend. Ook verzoekt zij in appel een billijke vergoeding van € 467.639,-, waarmee zij zich keert tegen de hoogte van de door de kantonrechter toegekende billijke vergoeding. Voor de hoogte van het thans verzochte bedrag baseert [geïntimeerde] zich op haar te verwachten inkomstenderving tot haar pensioengerechtigde leeftijd. Het Martinuscollege verzoekt het incidenteel appel op beide punten af te wijzen.

3.5

Het hof oordeelt als volgt. Een belangrijk punt waarover partijen verdeeld zijn, is de vraag of [geïntimeerde] ’s toenmalig leidinggevende [X] aan [geïntimeerde] op

4 oktober 2016 impliciet of expliciet toestemming heeft gegeven om gedurende de periode van 13 april 2017 tot aan het begin van de mei-vakantie (beginnend op 24 april 2017) op vakantie te gaan, dan wel haar nadien op of omstreeks 11 april 2017 de indruk heeft gegeven dat haar afwezigheid gedurende de periode 13 april 2017 tot aan het begin van die mei-vakantie vanwege vakantie niet ernstig zou worden opgenomen.

3.6

[geïntimeerde] voert aan die toestemming op 4 oktober 2016, althans genoemde indruk omstreeks 11 april 2017, te hebben ontvangen, en dus vanaf 13 april niet ongeoorloofd afwezig te zijn geweest. Het Martinuscollege betwist dat die toestemming is gegeven en stelt dat wel sprake was van ongeoorloofde afwezigheid. [X] heeft een schriftelijke verklaring ondertekend, waarin staat vermeld dat er geen één op één overleg tussen haar en [geïntimeerde] is geweest waarin is vastgesteld dat er verlof in april 2017 mocht worden opgenomen en er ook geen lijst met [geïntimeerde] is doorgenomen op grond waarvan enig recht tot verlof is vastgesteld. [geïntimeerde] heeft onder andere ter zitting in hoger beroep verklaard van [X] op 4 oktober 2016 die toestemming wel te hebben gekregen, als ook dat zij uit het gedrag van [X] omstreeks 11 april 2017 heeft afgeleid dat die zich niet verzette tegen genoemde vakantie.

3.7

Het Martinuscollege heeft in het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor verzocht [X] en [geïntimeerde] als getuigen te horen. Ook het hof acht de verklaringen van [X] en [geïntimeerde] van belang voor de beoordeling van deze zaak. Het hof zal het Martinuscollege tot het bewijs van zijn stelling toelaten, dat [geïntimeerde] aan [X] geen toestemming heeft gevraagd, en dat [X] aan [geïntimeerde] ook geen toestemming heeft gegeven, om van 13 april 2017 tot aan het begin van de mei-vakantie 2017 wegens vakantie afwezig te mogen zijn.

3.8

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

laat het Martinuscollege toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit de stelling volgt zoals hierboven beschreven onder 3.7;

beveelt dat het getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. G.C. Boot, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op maandag 27 augustus 2018 om 10.00 uur;

bepaalt dat de advocaat van het Martinuscollege dient na te (laten) gaan of partijen, hun advocaten en de door haar voor te brengen getuigen op de hierboven bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat deze – zo dat niet het geval mocht zijn – uiterlijk op 17 juli 2018 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de periode van 15 augustus 2018 tot 31 oktober 2018 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, F.J. Verbeek en A. van Zanten-Baris en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.