Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2275

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
200.219.316/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IPR. Overeenkomst tot vervaardigen van kleding in Tunesië. Anders dan de eerste rechter oordeelde, is geen keuze voor Nederlands recht gedaan. Kenmerkende prestatie te verrichten in Tunesië. Geen nauwere band met Nederland. Art. 4 leden 2 en 3 Rome I-verordening. Nadere instructie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.219.316/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/250379 / HA ZA 16-698

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 juli 2018

inzake

1 COREL AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

2. KURUM HOLDING B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

appellanten,

advocaat: mr. S. Singh te Hoofddorp,

tegen

BRAMATEX HOLDING S.A.R.L.,

gevestigd te M`Nara Bembla, Tunesië,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.W. Hilhorst te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Corel c.s. en Bramatex genoemd. Corel c.s. worden afzonderlijk respectievelijk als Corel en Kurum aangeduid.

Corel c.s. zijn bij dagvaarding van 11 juli 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 12 april 2017, gewezen tussen Bramatex als eiseres en Corel c.s. als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Corel c.s. hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog de vorderingen van Bramatex zal afwijzen, met veroordeling van Bramatex in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.

Bramatex heeft geconcludeerd dat het hof Corel c.s. in hun beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel het beroep ongegrond zal verklaren, met veroordeling van Corel c.s. in de kosten van het geding in beide instanties.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 12 april 2017 geen feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen, zodat het hof de feiten zal vaststellen. In dit geding is als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende gemotiveerd) betwist, het volgende komen vast te staan.

2.2

Bramatex voert een onderneming in Tunesië en houdt zich onder andere bezig met het vervaardigen van kleding. Corel c.s. zijn een groothandel in kleding.

2.3

In 2015 en 2016 heeft Corel verschillende orders tot het vervaardigen van kleding aan Bramatex verstrekt, waarvan de facturen op naam van Kurum moesten worden gesteld. Bramatex heeft de kleding vervaardigd en Kurum in de periode van 23 juli 2015 tot en met 22 januari 2016 facturen gestuurd voor een totaalbedrag van € 99.662,15, welke facturen Kurum onbetaald heeft gelaten.

2.4

Bij e-mail van 21 december 2015 heeft Kurum Bramatex laten weten een bedrag van € 7.500,- te hebben voldaan ter zake van openstaande nota’s. Kurum schreef voorts: “You can credit invoice no.: HO15000334 19/09/15, regarding the left over fabrics. Stefanel will not accept these fabrics because of many delayments en [sic] quality problems”. De genoemde factuur ziet op een bedrag van € 12.681,90.

2.5

Op 11 januari 2016 heeft Bramatex Kurum een creditfactuur voor € 5.000,- gestuurd met omschrijving “Claim agreed on the meeting of 11/01/16”.

3 Beoordeling

3.1

Bramatex heeft in eerste aanleg gevorderd Corel c.s. te veroordelen aan haar te voldoen een bedrag van € 96.383,77, zijnde een hoofdsom van € 99.662,15 minus een bedrag van € 5.000,- dat daarop krachtens tussen partijen gemaakte afspraken in mindering moest worden gebracht, vermeerderd met incassokosten ad € 1.721,62, een en ander te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Bramatex heeft daartoe gesteld dat Corel c.s. in gebreke zijn gebleven de facturen te voldoen. Bij rolbeslissing van 18 januari 2017 heeft de rechtbank Corel c.s. akte niet-dienen verleend ter zake van de conclusie van antwoord en is het verzoek tot pleidooi van Corel c.s. afgewezen.

3.2

Bij tussenvonnis van de rechtbank van 15 maart 2017 heeft de rechtbank zich krachtens artikel 4 lid 1 Brussel I-bis verordening bevoegd geacht van de vordering kennis te nemen, omdat Corel c.s. in Nederland zijn gevestigd. Bramatex is vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent de door haar gestelde rechtskeuze voor Nederlands recht dan wel omstandigheden waaruit volgt dat de overeenkomsten een kennelijk nauwere band hebben met Nederland en zo nodig de vorderingen toe te lichten naar Tunesisch recht.

3.3

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de onweersproken toelichting van Bramatex in de akte, inhoudende dat (eerdere) klachten door partijen naar Nederlands recht werden afgewikkeld, blijkt dat partijen een rechtskeuze voor Nederlands recht hebben gemaakt. Omdat het gevorderde de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkwam heeft de rechtbank Corel c.s. hoofdelijk veroordeeld om aan Bramatex te betalen een bedrag van € 94.662,15, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over het toegewezen bedrag, alsmede de buitengerechtelijke kosten, proceskosten en nakosten. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen Corel c.s. met hun grief op.

3.4

Corel c.s. voeren bij hun grief aan dat de rechtbank ten onrechte Nederlands recht van toepassing heeft verklaard op de tussen partijen aangegane overeenkomst. Partijen hebben geen expliciete of impliciete rechtskeuze gemaakt voor Nederlands recht. Bij gebreke van een rechtskeuze wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is. De overeenkomst wordt vermoed het nauwst verbonden te zijn met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten op het tijdstip van het sluiten van het contract haar gewone verblijfplaats heeft, zijnde Tunesië. Corel c.s. menen daarom dat het geschil op basis van het Tunesische recht dient te worden beslecht.

3.5

Het hof oordeelt als volgt. Partijen hebben geen uitdrukkelijke rechtskeuze gemaakt en een impliciete rechtskeuze op grond van de omstandigheden van het geval kan niet worden aangenomen, omdat Bramatex daartoe onvoldoende heeft gesteld. De omstandigheid dat Corel c.s. te kennen hebben gegeven de facturen niet te willen betalen vanwege klachten over de leveranties wijst niet per se op een keuze voor Nederlands recht. Bij gebreke van een rechtskeuze moet het op de overeenkomst van toepassing zijnde recht worden vastgesteld aan de hand van de conflictregel van artikel 4 Rome I Verordening. Nu de tussen partijen gesloten overeenkomst niet valt onder een van de categorieën van artikel 4 lid 1 onder a-h Rome I-Verordening, bepaalt lid 2 dat de overeenkomst in dat geval wordt beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten haar gewone verblijfplaats heeft. Omdat de betaling van een geldsom een prestatie is die de meeste overeenkomsten gemeen hebben, kan dit niet als kenmerkende prestatie worden beschouwd. De prestatie waarvoor de betaling verschuldigd is moet als kenmerkende prestatie worden beschouwd. De kenmerkende prestatie is verricht door Bramatex, die haar gewone verblijfplaats heeft in Tunesië. Op grond van artikel 4 lid 2 Rome I-Verordening is derhalve Tunesisch recht op de overeenkomst van toepassing. Terecht staat dit tussen partijen niet ter discussie. Bramatex stelt nog dat er een nauwere band met Nederland bestaat, waarmee een beroep wordt gedaan op artikel 4 lid 3 Rome I-Verordening. Artikel 4 lid 3 Rome I-Verordening bevat een algemene uitzondering op de conflictregels van artikel 4 lid 1 en 2 Rome I-Verordening. Als uit alle omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan het in lid 1 of lid 2 bedoelde land, dan is het recht van dat andere land van toepassing. Er dient evenwel een duidelijk aanknopingsoverwicht te bestaan met een ander dan het in artikel 4 lid 1 of 2 Rome I-Verordening bedoelde land en die situatie doet zich hier naar het oordeel van het hof niet voor. Dat Corel c.s. in Nederland zijn gevestigd, de facturen naar Nederland moesten worden gezonden, de leveringen plaatsvonden in Nederland, de factuurbedragen in euro’s waren gesteld en de besprekingen tussen partijen over de klachten in Nederland werden gehouden vormt niet een voldoende duidelijk aanknopingsoverwicht, nu een groot deel van die omstandigheden rechtstreeks samenhangt met de vestigingsplaats van Corel c.s. als kopende partij. Op grond van artikel 4 lid 2 Rome I-Verordening is derhalve Tunesisch recht op de overeenkomst van toepassing.

3.6

Naast hun klacht over het toepasselijke recht hebben Corel c.s. ook een uiteenzetting gegeven van feitelijke bezwaren tegen de leveringen op grond waarvan de factuurbedragen niet toewijsbaar zouden zijn. Ook al is die uiteenzetting niet voorzien van de aanduiding “grief”, toch is duidelijk dat Corel c.s. menen dat ook om die redenen het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. Voor Bramatex is dan ook voldoende duidelijk waartegen zij zich heeft te verweren.

3.7

Corel c.s. hebben in hun memorie van grieven echter onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de door haar opgeworpen bezwaren op grond van het toepasselijke Tunesische recht aan toewijzing van de vordering van Bramatex in de weg zouden staan. Het hof zal Corel c.s. in de gelegenheid stellen zich hierover bij akte uit te laten en de zaak daartoe naar de rol verwijzen. Bramatex zal in de gelegenheid worden gesteld op die akte te reageren. Het hof merkt nog op dat het partijen vrij staat eventueel om proceseconomische redenen alsnog een rechtskeuze voor Nederlands recht te maken.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 31 juli 2018 voor een akte aan de zijde van Corel c.s. met het hiervoor onder 3.7 omschreven doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, J.C.W. Rang en I.A. Haanappel-van der Burg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.