Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2264

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
200.171.086/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:886, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdere afhandeling. Vernietiging van het vonnis van de eerste rechter en toewijzing van de vordering tegen DHL c.s. tot een lager bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.171.086/01

rolnummer rechtbank Amsterdam: 2571133/CV EXPL13-13294

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 juli 2018

inzake

1 DHL PARCEL (NETHERLANDS) B.V,

gevestigd te Utrecht,

2. DHL INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Den Haag,

3. DHL AVIATON (NETHERLANDS) B.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer,

4. DHL SUPPLY CHAIN (NETHERLANDS) B.V.,

gevestigd te Utrecht,

5. EXEL GROUPS HOLDING (NEDERLAND) B.V.,

gevestigd te Veghel,

6. DHL FREIGHT (NETHERLANDS) B.V.,

gevestigd te Tiel,

7. DANZAS FASHION B.V.,

gevestigd te Venlo,

8. DHL FREIGHT SERVICES (NETHERLANDS) B.V.,

gevestigd te Zevenbergen,

9. DHL FREIGHT (NETHERLANDS) B.V. (in de hoedanigheid van

rechtsopvolger van Exel Roadfreight Services B.V.),

gevestigd te Tiel,

10. DHL SUPPLY CHAIN (NETHERLANDS) B.V. (in de hoedanigheid

van rechtsopvolger van Exel Nederland B.V.),

gevestigd te Utrecht,

appellanten in principaal beroep,

geïntimeerden in incidenteel beroep,

advocaat: mr. O.F. Blom te Amsterdam,

tegen

STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR HET BEROEPSVERVOER OVER DE WEG,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in principaal beroep,

appellante in incidenteel beroep,

advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam

Appellanten in principaal beroep, geïntimeerden in incidenteel beroep, worden hierna - in enkelvoud - wederom met DHL aangeduid. Geïntimeerde in principaal beroep, appellante in incidenteel beroep, wordt hierna wederom BPF genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft op 19 januari 2016 en op 20 juni 2017 (aan het slot van dat arrest staat ten onrechte 20 juni 2016) tussenarresten gewezen. Voor het verloop van het geding tot laatstgenoemde datum wordt naar het tussenarrest van 20 juni 2017 (hierna ook: het tweede tussenarrest) verwezen.

Bij het tweede tussenarrest werd de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van BPF, waarna DHL daarop kon reageren. Daarop heeft BPF een akte met producties genomen, waarop DHL heeft gereageerd met een antwoordakte met een productie. Ten slotte heeft BPF een akte uitlating productie genomen.

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het tweede tussenarrest heeft het hof geoordeeld (r.o. 2.16) dat de vorderingen van BPF voor zover betrekking hebbend op de jaren 2010 en nadien toewijsbaar zijn en dat het vonnis in zoverre zal worden bekrachtigd. Anders gezegd: het hof oordeelde dat de grieven van DHL voor wat betreft de vorderingen van BPF over de jaren 2006 tot en met 2009 doel treffen. In het tweede tussenarrest werd eveneens geoordeeld dat de incidentele grieven van BPF met betrekking tot de over haar vorderingen te berekenen rente en de al dan niet in rekening te brengen buitengerechtelijke kosten doel treffen: BPF kan de wettelijke handelsrente hanteren (r.o. 2.17) en buitengerechtelijke kosten in rekening brengen (r.o. 2.18). Ten slotte overwoog het hof in het tweede tussenarrest dat de grief van DHL ter zake van haar (door de rechtbank afgewezen) voorwaardelijke vordering (te weten: voor zover de vorderingen van BPF zouden worden toegewezen) ter zake van terugbetaling van pensioenpremies die over persoonlijke toeslagen zijn betaald, faalt (r.o. 2.20).

2.2

De hiervoor aangeduide - uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven - oordelen van het hof houden bindende eindbeslissingen in. Het gestelde in haar antwoordakte onder 2.4 tot en met 2.9 ziet het hof als een verzoek van DHL terug te komen op de bindende eindbeslissing gelegen in het oordeel dat BPF de handelrente in rekening kan brengen. Het hof wijst dat verzoek af, nu het in hetgeen DHL daartoe heeft aangevoerd geen aanleiding ziet te oordelen dat haar eerdere oordeel berust op een onjuiste juridische en/of onjuiste feitelijke grondslag. Ten overvloede merkt het hof in dit verband nog op dat uit de Wet verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds 2000 blijkt dat sprake kan zijn van reglementaire renten en/of reglementaire boeten en voorts dat De Nederlandse Bank toezicht houdt op de inhoud van de bewuste reglementen.

2.3

Voor wat betreft de buitengerechtelijke kosten heeft DHL er in haar antwoordakte op gewezen dat BPF niet de reglementaire 15% (van het verschuldigde bedrag) aan buitengerechtelijke kosten in rekening heeft gebracht, maar gebruik heeft gemaakt van een staffel die uitkomt op minder dan die 15%. Het hof leest in hetgeen DHL overigens ter zake heeft aangevoerd geen (nadere) klacht tegen hantering van de bewuste staffel. En voor zover dat al bedoeld zou zijn: hetgeen het hof in rechtsoverweging 2.18 van het tussenarrest overwoog brengt met zich dat BPF die staffel kan hanteren. Grond voor een terugkomen op die (als gezegd: bindende eind)beslissing ziet het hof ook hier niet.

2.4

Aan de orde is dan wat BPF van DHL te vorderen heeft over de jaren 2010 en 2011 (haar vordering betreft niet ook de jaren nadien). Het hof stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat die vordering, met inachtneming van handelsrente en bedoelde staffel, een bedrag betreft van € 1.849.347,76.

2.5

Tussen partijen staat voorts vast dat DHL ter voldoening van het beroepen vonnis op 22 mei 2015 in totaal (over de jaren 2006 tot en met 2011) een bedrag van € 4.562.393,54 heeft voldaan. In het petitum van de memorie van grieven heeft DHL onder meer gevorderd dat BPF zal worden veroordeeld tot terugbetaling aan de DHL-vennootschappen van al hetgeen aan BPF is voldaan ter uitvoering van het vonnis van de rechtbank, met wettelijke rente. In dat petitum ligt het mindere besloten, te weten een vordering tot terugbetaling van hetgeen volgens het uit te spreken arrest onverschuldigd aan BPF is voldaan. Dat betreft dan dus het meerdere boven € 1.849.347,76 (afgezien van hetgeen hieronder sub 2.7 zal worden overwogen). Als gezegd: DHL vorderde het terug te betalen bedrag met wettelijke rente. Dat is ook de juiste rente (en niet de in de antwoordakte van DHL verdedigde handelsrente), waar het hier een vordering uit onverschuldigde betaling betreft.

2.6

Voor de duidelijkheid: BPF maakt nog aanspraak op betaling over de jaren na 2011. Daar heeft deze procedure echter, als gezegd, geen betrekking op.

2.7

De uitkomst van deze procedure geeft het hof aanleiding de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in principaal beroep, tussen partijen te compenseren zoals hierna nader aan te duiden. Dat betekent dus dat de reeds door DHL betaalde proceskosten van de eerste instantie (ad € 4.588,82) eveneens als onverschuldigd betaald hebben te gelden. DHL zal, als de daarin in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel beroep.

2.8

Een en ander leidt tot het volgende dictum.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt DHL tot betaling aan BPF van een bedrag van € 1.849.347,76 met betrekking tot pensioenpremies over de jaren 2010 en 2011;

veroordeelt BPF tot terugbetaling aan DHL van het meerdere (dan voornoemd) door DHL (over de jaren 2006 tot en met 2011) aan BPF betaalde uit hoofde van het vonnis waarvan beroep, zulks met wettelijke rente vanaf de dag van betaling, zijnde 22 mei 2015;

compenseert de proceskosten van de eerste instantie en het hoger beroep aldus dat ieder van partijen de eigen kosten daarvan draagt;

veroordeelt DH in de kosten van het incidenteel beroep, aan de zijde van BPF begroot op € 1.611,- aan salaris;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Goslings, W.H.F.M. Cortenraad en D. Kingma en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.