Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2188

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
23-001274-15 en 23-004236-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

TBS met dwangverpleging ter zake van belaging, poging tot zware mishandeling, mishandeling en bedreiging. Deskundigen hadden daartoe niet geadviseerd, maar hof ziet geen andere optie. Vor. BP: reiskosten bijwonen zitting (proceskosten a.b.i. art. 592a Sv)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001274-15 (A) en 23-004236-17 (B)

datum uitspraak: 2 juli 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 11 maart 2015 en het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 november 2017 in de strafzaken onder de parketnummers 15-252335-14 respectievelijk 15-700020-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2016, 7 september 2016, 6 februari 2017, 20 november 2017, 16 mei 2018 en 18 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Tegen de voormelde vonnissen is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht, alsmede van hetgeen door de verdachte op de terechtzitting van 7 september 2016 naar voren is gebracht.

Voeging

Het op 11 maart 2015 onder parketnummer 15-252335-14 gewezen vonnis is bij het hof geregistreerd onder het parketnummer 23-001274-15 (hierna: zaak A) en het op 17 november 2017 onder parketnummer 15-700020-15 gewezen vonnis is bij het hof geregistreerd onder parketnummer 23-004236-17 (hierna: zaak B). Het hof heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 16 mei 2018 de voeging van de zaken A en B bevolen.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zaak A:
hij in of omstreeks de periode van 23 juli 2014 tot en met 10 november 2014 te Purmerend, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, in genoemde periode (meermalen)

- ( al dan niet dagelijks) whatsappberichten en/of instagramberichten verstuurd naar die [slachtoffer 1] (met daarin onder meer oneerbare voorstellen en/of dreigende taal en/of beledigende en/of sexueel getinte bewoordingen) en/of

- ( al dan niet dagelijks) smsberichten verstuurd naar het telefoonnummer van die [slachtoffer 1] (met daarin onder meer oneerbare voorstellen en/of dreigende taal en/of beledigende en/of sexueel getinte bewoordingen) en/of

- Facebookberichten naar de Facebookaccount van die [slachtoffer 1] verstuurd en/of

- die [slachtoffer 1] opgezocht en/of zich in de nabijheid van die [slachtoffer 1] opgehouden en/of die [slachtoffer 1] geobserveerd;

zaak B:
1:
primair:
hij op of omstreeks 11 december 2014 te Purmerend ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] een of meermalen heeft vastgepakt en/of (vervolgens) een of meer malen heeft getrokken in de richting van een (lange en/of steile) trap, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 11 december 2014 te Purmerend [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] hard in een arm en/of een pols te knijpen, althans (zeer) stevig vast te pakken en/of vast te houden;

2:
hij op of omstreeks 11 december 2014 te Purmerend [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] een of meermalen (met kracht en/of met de vuist) in het gezicht en/of elders tegen het hoofd te slaan;

3:
hij op of omstreeks 11 december 2014 te Purmerend [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik gooi je van de trap", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof begrijpt de tekst van het in zaak B onder 1 primair ten laste gelegde, mede gelet op hetgeen in die zaak onder 3 ten laste is gelegd, zo dat de verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer 2] in de richting van een lange steile trap heeft getrokken met de bedoeling om haar van de trap te gooien.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

De vonnissen waarvan beroep zullen worden vernietigd, omdat het hof na voeging van de zaken in hoger beroep komt tot één uitspraak.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd bewijsverweer

De raadsman heeft betoogd dat van een poging tot zware mishandeling, zoals tenlastegelegd in zaak B onder 1 primair, geen sprake is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte ook past in een scenario waarin de verdachte alleen wilde dreigen en zijn dreigement kracht heeft bijgezet door te doen alsof hij de aangeefster [slachtoffer 2] van de trap zou gooien. In dat licht is het niet gerechtvaardigd een meer belastend scenario aan te nemen waarin de verdachte daadwerkelijk een begin van uitvoering zou hebben gemaakt van zijn voornemen [slachtoffer 2] daadwerkelijk van de trap te gooien. Tegen een dergelijk belastend scenario pleit volgens de raadsman ook dat de verdachte met een broodmes vóór [slachtoffer 2] heeft gestaan en toen niet heeft geprobeerd haar daarmee letsel toe te brengen.

Het hof verwerpt dit verweer. Het hof stelt op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat het handelen van de verdachte moet worden beschouwd als een begin van uitvoering van zijn, ook verbaal tot uitdrukking gebrachte, voornemen om [slachtoffer 2] daadwerkelijk van de steile trap te gooien. Gelet op de uit de bewijsmiddelen sprekende vasthoudendheid van de verdachte in zijn pogingen [slachtoffer 2] richting de steile trap te bewegen en hetgeen zij heeft moeten ondernemen om zich daartegen teweer te stellen, acht het hof niet aannemelijk dat de verdachte, zoals de raadsman heeft gesuggereerd, daarmee alleen heeft willen dreigen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd met dien verstande:

zaak A:
dat hij in de periode van 23 juli 2014 tot en met 10 november 2014 te Purmerend wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, in genoemde periode (meermalen)

- WhatsAppberichten en Instagramberichten verstuurd naar die [slachtoffer 1] (met daarin onder meer oneerbare voorstellen en dreigende taal en beledigende en seksueel getinte bewoordingen) en

- sms-berichten verstuurd naar het telefoonnummer van die [slachtoffer 1] (met daarin onder meer oneerbare voorstellen en dreigende taal en beledigende en seksueel getinte bewoordingen);

zaak B, 1 primair:

dat hij op 11 december 2014 te Purmerend ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] meermalen heeft vastgepakt en vervolgens heeft getrokken in de richting van een lange en steile trap, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

zaak B, onder 2:
dat hij op 11 december 2014 te Purmerend [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] meermalen met de vuist in het gezicht te slaan;

zaak B, onder 3:
hij op 11 december 2014 te Purmerend [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik gooi je van de trap", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaken A en B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak A bewezen verklaarde levert op:

belaging.

Het in de zaak B onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van bedreiging met zware mishandeling en poging tot zware mishandeling.

Het in de zaak B onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van maatregel

De in eerste aanleg opgelegde straffen
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde in de zaak A veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren en heeft daaraan bijzondere voorwaarden verbonden, kort gezegd inhoudende dat de verdachte zich (a) meldt bij en houdt aan de aanwijzingen gegeven door Reclassering Nederland, (b) onder ambulante behandeling stelt bij centrum voor ambulante forensische zorg De Waag (hierna: De Waag) en (c) onthoudt van contact met de aangeefster in die zaak. De rechtbank heeft de verdachte in de zaak B veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij zijn samengevat als bijzondere voorwaarden gesteld dat de verdachte (i) zich houdt aan een contact- en locatieverbod ten faveure van de aangeefster in die zaak, (ii) contact onderhoudt met zijn behandelend psychiater en (iii) de hem voorgeschreven medicatie inneemt.


De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft primair gevorderd om de zaak tot een nader te bepalen datum aan te houden teneinde in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) een (aanvullend) onderzoek te laten verrichten naar de geestvermogens van de verdachte. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte een wandelende tijdbom is, op wiens toestand nog steeds onvoldoende zicht is gekregen. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als in eerste aanleg zijn opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de primaire vordering van de advocaat-generaal afgewezen dient te worden, omdat een onderzoek in het PBC geen meerwaarde zal hebben. Hij heeft erop gewezen dat het al een tijd rustig is rond de verdachte, zodat van een wandelende tijdbom niet kan worden gesproken en dat door de reclassering niet is bericht dat de dadelijk uitvoerbaar verklaarde voorwaarden niet door de verdachte worden nageleefd. Door de raadsman is voorts bepleit dat de oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, gelet op de, in verhouding tot andere zaken waarin deze maatregel wordt opgelegd, betrekkelijke ernst van de ten laste gelegde feiten en het aanzienlijke tijdverloop sinds die feiten, disproportioneel is. Dit geldt te meer nu in de tussentijd eigenlijk niets meer is gebeurd en er bij de verdachte op dit moment geen sprake is van verontrustende signalen. De raadsman heeft tenslotte benadrukt dat de gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat de toepassing van een (strafrechtelijk) dwangkader als (zeer) beperkt zinvol wordt ingeschat.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van een destijds vijftienjarig meisje door haar gedurende enkele maanden via Instagram en WhatsApp en per sms te bestoken met berichten. Dit gebeurde vrijwel dagelijks en op sommige dagen zelfs een zeer groot aantal malen (tot wel 75 berichten per dag). De berichten bevatten onder meer zeer grof, beledigend en dreigend taalgebruik, vaak ook in seksuele context. Door het slachtoffer zijn de berichten als zeer beangstigend en bedreigend ervaren, niet alleen vanwege de inhoud van de berichten, maar ook in verband met de frequentie en de vasthoudendheid waarmee de berichten werden verstuurd door een voor haar tot dan toe onbekende, volwassen man, terwijl zij zelf minderjarig was. Het slachtoffer heeft hierover aanvankelijk niets aan haar ouders durven te vertellen uit angst voor hun reactie. De verdachte heeft met zijn gedragingen de grens van het toelaatbare ver overschreden en op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Zij is ten gevolge hiervan onder meer komen te kampen met concentratieproblemen (op school), hyperventilatie en een paniekaanval en heeft zich onder begeleiding van een maatschappelijk werker moeten stellen. Feiten als het onderhavige dragen bovendien bij aan gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met zware mishandeling en een poging tot zware mishandeling van zijn toenmalige buurvrouw. Tijdens een woordenwisseling heeft hij tegen haar gezegd dat hij haar van de trap zou gooien en vervolgens op vasthoudende wijze geprobeerd dat daadwerkelijk te doen. Op enig moment is de buurvrouw te hulp geschoten door een vriendin, waarna de verdachte die vriendin driemaal met zijn vuist in het gezicht heeft geslagen. Hierop heeft de buurvrouw zich in het toilet verstopt om de politie te bellen. De verdachte heeft de deur van het toilet echter met behulp van een mes, dat hij eerst in zijn eigen woning heeft gehaald, geopend en de telefoon van zijn buurvrouw afgepakt en meegenomen. Het wekt geen verbazing dat deze gebeurtenissen een grote impact hebben gehad op de buurvrouw, hetgeen blijkt uit haar slachtofferverklaring. Zij heeft vrijwel dagelijks flashbacks van het incident en haar gevoel van veiligheid is aangetast. Zij zag zich genoodzaakt om haar werkzaamheden als re-integratiecoach neer te leggen en zich onder psychologische behandeling te stellen. Uiteindelijk is zij zelfs uit haar woonplaats verhuisd. De vriendin van de buurvrouw heeft bij het geweldsincident naar letsel opgelopen, waaronder een scheurwond bij haar wenkbrauw en een bloeduitstorting rond haar rechter oog. Naar mag worden aangenomen heeft dit incident ook op haar een grote indruk gemaakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Ook dergelijke feiten kunnen bijdragen aan gevoelens van onrust in de samenleving.

Rapporten en adviezen van de psychiater

Omtrent de persoon van de verdachte is in zaak A op 11 juni 2017 gerapporteerd door psychiater prof. [naam 1]. De verdachte heeft tot op zekere hoogte – hij gaf slechts beperkt toestemming om informatie op te vragen bij derden (zoals de GGZ) – en dus niet volledig meegewerkt aan het onderzoek. Desondanks heeft de psychiater het verantwoord geacht om tot na te melden bevindingen en conclusies te komen.

● Geconcludeerd wordt dat de verdachte, die in 2004 voor het eerst psychotisch is geworden, is behept met een schizofreniespectrumstoornis en een obsessieve compulsieve stoornis. Dit was ook het geval ten tijde van de ten laste gelegde stalking. Hij heeft een overwaardig denkbeeld, inhoudende dat hij slechts bekoorlijk is voor jonge meisjes, gegeven zijn gebrek aan levenservaring en zijn jonge voorkomen, en dat hij zich dus ook aangetrokken voelt tot jongere meisjes. De verdachte vindt ook dat hij recht heeft op een vrouw van zijn eigen mentale leeftijd, door hem geschat op ongeveer 13 jaar. Dit denkbeeld komt voort uit zijn seksuele frustratie en niet direct vanuit de schizofreniespectrumstoornis. Wel heeft die stoornis sinds 2004 in sterke mate indirect bijgedragen aan het ontstaan van deze seksuele frustratie, want die ziekte maakt hem minder sociaal vaardig in het sociale en amoureuze verkeer. Zijn obsessieve vasthoudendheid, waarvan hij veel lijdensdruk ervaart, heeft ertoe bijgedragen dat hij halsstarrig aan dat denkbeeld vasthoudt. Er is geen reden om van pedofilie te spreken, omdat het zich aangetrokken voelen tot jonge meisjes secundair is aan het overwaardige denkbeeld. De stalking van de aangeefster in zaak A is ook een symptoom van zijn dwangmatigheid en obsessionaliteit. Verder vecht hij tegen justitie, de rechtspraak, de politie en de rapporteurs. Deze strijd heeft een duidelijke functie; zodra hij niets meer heeft om tegen te vechten, zal hij bij gebrek aan een levensdoel depressief worden en ligt suïcide op de loer. De verdachte, die tot aan zijn 23e een veelbelovend universitair student was, kan thans samenvattend worden getypeerd als een eenzame, seksueel gefrustreerde, in zichzelf absorberende, sociaal onvaardige en geïsoleerde persoon.

● De schizofreniespectrumstoornis heeft tenminste zeer sterk (en mogelijk overheersend) doorgewerkt in het ten laste gelegde feit, de obsessieve stoornis heeft dat in matige mate gedaan. Het is, vanwege het gebrek aan informatie, thans niet meer vast te stellen in welke exacte mate de gedragskeuzevrijheid van de verdachte ten tijde van de stalking beperkt was, hoewel de psychiater de klinische indruk heeft dat de doorwerking niet overheersend en onontkoombaar, maar wel degelijk zeer relevant en sturend is geweest.

● De centrale stoornis, schizofrenie, is thans nog in volle omvang bij de verdachte aanwezig met positieve en negatieve symptomen; hetzelfde geldt voor de seksuele frustratie van de verdachte. Hij heeft geen ziektebesef. Hij blijft geobsedeerd door de aangeefster in deze zaak, met wie hij nog altijd weer in contact wil komen. Het risico op terugval in stalking wordt als hoog ingeschat, zowel op kortere als langere termijn, ook omdat de verdachte externe monitoring, bijvoorbeeld door de reclassering, vermijdt. Het risico op geweld wordt als matig ingeschat vanwege de risicovolle psychotische symptomen van de verdachte, zoals paranoïdie, en omdat hij meent dat hij recht heeft op een jonge vrouw. Het risico op volharding is hoog gegeven zijn voortdurende psychose, zijn sociale isolement, zijn seksuele frustratie en zorgmijding. De onderliggende depressie houdt de dynamiek tegen justitie en politie in stand.

● Het is van belang dat de verdachte weer in intensieve zorg komt, want de behandeling lijkt thans op een ‘laag pitje’ te staan. Dit zou bij voorkeur geen klinische behandeling moeten zijn, omdat opnames de afgelopen jaren weinig tot niets hebben opgeleverd. De verdachte moet op korte termijn behandeld worden bij een forensische polikliniek met expertise in stalking. Medicamenteus valt daarbij te denken aan het toevoegen van een anti-obsessief medicament aan zijn antipsychotica. Hiernaast is woonbegeleiding aangewezen. Op lange termijn zou toegewerkt kunnen worden naar een RIBW-plaatsing. Op klinische gronden wordt geadviseerd die ambulante behandeling in een vrijwillig kader te laten plaatsvinden. Drang of dwang werkt averechts en dit geldt te meer voor gedwongen opnames. Daarom wordt de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis gecontra-indiceerd geacht. Indien de verdachte zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging, wordt dus geadviseerd de verdachte ‘vrijwillig in de zorg te laten geraken’ bij De Waag. Daarbij heeft de psychiater zich de vraag gesteld of de verdachte zich dat zal laten aanleunen. Desondanks heeft hij de indruk dat de verdachte, mits kundig en geduldig begeleid, op vrijwillige basis dergelijke hulp zou kunnen willen aanvaarden. Ook is de vraag opgeworpen in hoeverre een voorwaardelijk BOPZ-kader een alternatief biedt voor een strafrechtelijke afdoening, omdat de verdachte minder aversie zal hebben tegen civielrechtelijke dan tegen strafrechtelijke dwang/drang en de verdachte voor alles een ernstig zieke psychiatrisch patiënt is, hetgeen een BOPZ-kader mogelijk passend maakt. Een strafrechtelijk drangkader zou kunnen worden gevormd door een (deels) voorwaardelijke straf, waarbij bijzondere voorwaarden kunnen worden gesteld en worden bepaald dat hij zich onder toezicht van de reclassering moet stellen. Twijfelachtig blijft in hoeverre de verdachte zich door de reclassering zal laten begeleiden. Alles afwegend geeft de psychiater de voorkeur aan een ontslag van alle rechtsvervolging (zelfs nu niet totaal hard gemaakt kan worden dat de feiten de verdachte totaal niet toe te rekenen zijn) en is hij op klinische gronden van mening dat een afdoening buiten het strafrecht om – een voorwaardelijke BOPZ-maatregel – de meeste vruchten kan afwerpen.

In zaak B heeft de psychiater, na kennisname van de stukken in die zaak, op 1 mei 2016 een rapport omtrent de verdachte uitgebracht. De psychiater heeft toen niet tot bevindingen en conclusies kunnen komen, aangezien de verdachte zijn medewerking aan het onderzoek heeft onthouden.

Op de terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2018 is de psychiater als deskundige gehoord. Aldaar heeft hij verklaard dat de casus van de verdachte – een fors gestoorde man – een ingewikkelde is.

Verder heeft hij toegelicht dat het gevecht van de verdachte met zijn buurvrouw in zaak B als een uiting van zijn strijd tegen de buitenwereld kan worden gezien en mogelijk een middel is om in die strijd olie op het vuur te gooien; hij kan op die manier bewerkstelligen dat zijn strijd weer jaren kan voortduren. De psychiater heeft er voor wat betreft het risico op geweldsuitingen aandacht voor gevraagd dat de verdachte (inmiddels) lichamelijk zwak geworden is. De kans op een succesvolle behandeling bij een drangkader wordt door de psychiater als beperkt ingeschat, vanwege de behoefte van de verdachte om constant het gevecht aan te gaan. Het in zaak A gegeven interventieadvies van de psychiater wordt niet anders als daarbij de informatie uit zaak B wordt betrokken. Niet uitgesloten kan worden dat een TBS-kader vruchten kan afwerpen. De inschatting van de psychiater is dat de verdachte snel kan opknappen als hij in behandeling komt en de psychoses kunnen worden gedempt en zijn fysieke gesteldheid verbetert. Hij heeft er wel voor gewaarschuwd dat het TBS-kader de strijdlust van de verdachte kan voeden, doordat de voortduring van die maatregel elke twee jaar wordt beoordeeld.

Rapporten en adviezen van de psycholoog

Omtrent de persoon van de verdachte is in zaak A op 29 mei 2017 gerapporteerd door psycholoog mr.drs. [naam 2]. De verdachte heeft ook hier tot op zekere hoogte – hij gaf geen toestemming om informatie op te vragen bij derden (zoals zijn behandelaren in de GGZ), wenste niet op alle vragen antwoord te geven en gaf weinig van zijn binnenwereld prijs – en dus niet volledig meegewerkt aan het onderzoek. Desondanks heeft de psycholoog het verantwoord geacht om tot na te melden bevindingen en conclusies te komen.

● De verdachte, die samenvattend wordt getypeerd als een ernstig zieke, emotioneel weinig draagkrachtige en verhoogd krenkbare man, lijdt aan een stoornis in het schizofrene spectrum. De levensloop van de verdachte heeft een voor schizofrenie kenmerkende ‘knik’ en hij kampt met een gebrekkige realiteitstoetsing, verhoogde achterdocht, angstgevoelens en verwardheid; hij disfunctioneert op veel levensgebieden. Mogelijk is er ook sprake van persoonlijkheidsproblematiek, maar dit kon niet worden vastgesteld, omdat de symptomen van de schizofrenie het zicht op de eventuele aanwezigheid van die problematiek ontneemt. De verdachte worstelt met zijn seksualiteit en het gebrek daaraan. Hoe dit zich verhoudt tot de geconstateerde stoornis is de psycholoog niet duidelijk geworden. De verdachte lijdt in brede zin onder zijn psychische problematiek en is in maatschappelijke zin gemarginaliseerd.

● Het is waarschijnlijk dat de stoornis in het schizofrene spectrum, waaraan de verdachte ook leed ten tijde van de ten laste gelegde stalkingshandelingen, in zekere mate heeft doorgewerkt in het gedrag van de verdachte, maar de mate waarin en de wijze waarop kan niet bepaald worden. De manier waarop de verdachte over dat feit spreekt, wijst er niet op dat er indertijd een floride psychotisch toestandsbeeld bestond, maar het tegendeel kan evenmin worden uitgesloten.

● Vanuit psychopathologisch perspectief wordt de kans op herhaling van stalkingsgedrag als verhoogd ingeschat, mede omdat de verdachte niet goed in staat kan worden geacht zelfstandig een verbetering tot stand te brengen; zijn ziekte-inzicht lijkt beperkt.

● Om het recidiverisico dat is verbonden aan de geconstateerde stoornis te verminderen lijkt behandeling geïndiceerd, echter niet binnen een justitieel kader, omdat hij voor een aldus ingekaderde behandeling niet intrinsiek gemotiveerd is. Een TBS-maatregel wordt door de psycholoog als disproportioneel ingeschat (het hof begrijpt dat de psycholoog verwacht dat de rechter die maatregel niet in verhouding vindt staan tot de ernst van de tenlastegelegde stalking) en een op de voet van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gestoelde plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis kan vanuit gedragskundig oogpunt onvoldoende onderbouwd worden, omdat de mate van vermindering van de toerekeningsvatbaarheid niet bepaald kan worden. De psycholoog is dan ook niet in staat een goed interventieadvies te geven. Mogelijk zal de verdachte medewerking verlenen aan een ambulante behandeling bij een polikliniek als De Waag, omdat hij ergens wel beseft dat hij behandeling nodig heeft. De kans op een succesvol verloop van zo’n behandeling dient echter niet te rooskleurig te worden ingeschat. De verdachte heeft in reactie op het rapport van de psycholoog laten weten ‘niet aan een behandeling bij De Waag mee te willen doen’.

Door de psycholoog is in zaak B op 20 juni 2016 over de verdachte gerapporteerd. De verdachte heeft in beide gevallen tot op zekere hoogte – hij gaf geen toestemming om informatie op te vragen bij derden (zoals behandelinstellingen) en weigerde deelname aan een testpsychologisch onderzoek – en dus niet volledig meegewerkt aan de onderzoeken. Desondanks heeft de psycholoog het verantwoord geacht om tot na te melden bevindingen en conclusies te komen.

● De verdachte is in 2004 sterk ontregeld geraakt en is naar aanleiding daarvan – gedwongen – opgenomen in verband met een psychose. Hij was toen 23 jaar oud en een dergelijke terugval in functioneren, een ‘knik’ in de levensloop, is kenmerkend voor de ziekte schizofrenie. De symptomen die zijn geconstateerd in het onderzoek wijzen ook in de richting van een schizofreen beeld. Er is sprake van een gebrekkige realiteitstoetsing een verhoogde achterdocht en angstgevoelens, verwardheid en disfunctioneren op veel leefgebieden. Bij toenemende verantwoordelijkheden en externe druk kan hij emotioneel ontregeld raken en worden overspoeld door zijn gevoelens. Hij kan dan erg gekrenkt reageren, zich verliezen in boosheid en de afstemming op anderen uit het oog verliezen. De diagnose ‘schizofrenie’ kon ten tijde van deze rapportage niet met zekerheid worden gesteld, omdat daarvoor te weinig informatie beschikbaar was; de psycholoog sloot de aanwezigheid van persoonlijkheidsproblematiek toen niet uit.

● Ten tijde van het geweld en de bedreiging als ten laste gelegd, lijkt de verdachte emotioneel instabiel te zijn geweest, maar niet duidelijk psychotisch. Hij lijkt bewust afwegingen te hebben gemaakt, waarin verhoogde angst en/of krenkbaarheid een rol hebben gespeeld. De geconstateerde psychische problematiek lijkt dus te hebben doorgewerkt op het gewelddadige gedrag van de verdachte, maar hij lijkt ook nog enige sturing aan zijn gedrag te hebben kunnen geven. Van een zekere vermindering van de toerekeningsvatbaarheid – waarvan de mate niet goed kon worden bepaald – was ten tijde van de ten laste gelegde feiten derhalve sprake, maar niet van volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

● De psycholoog heeft in zijn rapport dat hij ten behoeve van zaak B uitbracht, geconcludeerd dat de kans op herhaling van agressieve delicten vanuit psychopathologisch perspectief als verhoogd moet worden ingeschat, indien de verdachte niet voor die problematiek wordt behandeld.

● Het was de psycholoog in 2016 niet mogelijk te bepalen welke behandeling daartoe geïndiceerd was, maar voorstelbaar was wel dat de verdachte zou kunnen profiteren van anti psychotische medicatie en een behandeling gericht op het hanteren van frustratie en conflicten. Nader diagnostisch onderzoek werd geïndiceerd geacht, maar werd binnen een ambulant kader niet zinvol geacht, omdat geen goede werkrelatie kon worden opgebouwd.

Op de terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2018 is de psycholoog als deskundige gehoord. Aldaar heeft hij toegelicht dat de geweldpleging tegen de buurvrouw in zaak B in zijn optiek verband houdt met de krenkingsgevoeligheid van de verdachte. De verdachte voelde zich door haar tekort gedaan en meende dat hij haar over zich heen liet walsen als hij daartegen niets zou doen. De agressie kan worden gezien als het omhoog houden van het gevoel van eigenwaarde. De psycholoog heeft verder toegelicht dat de verdachte ergens wel beseft dat hij een forse psychiatrische problematiek heeft, maar dat hij gaat vechten op het moment dat hem een drangkader wordt opgelegd. De maatregel van TBS met voorwaarden wordt door hem niet haalbaar geacht, omdat de verdachte zich dan zal moeten houden aan voorwaarden. Een behandeling in TBS-kader lijkt de psycholoog moeizaam, omdat ook daarin tot overeenstemming over de behandeling moet worden gekomen en die maatregel op veel boosheid zal stuiten. Slechts op lange termijn zal in die setting iets kunnen worden bereikt. Anderzijds geldt ook dat de verdachte zonder een dwingend kader niet te bereiken is, aldus de psycholoog.

Overwegingen en gevolgtrekkingen van het hof

Nu de conclusies van de gedragsdeskundigen omtrent de psychische en persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte en de mate waarin die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de in de zaken A en B ten laste gelegde feiten worden gedragen door hun bevindingen, maakt het hof die tot de zijne. Dit brengt mee dat het hof vaststelt dat (a) de verdachte ten tijde van elk van die feiten leed aan een ziekelijke stoornis én een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en (b) de ziekelijke stoornis en/of die gebrekkige ontwikkeling telkens in een belangrijke mate heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de gewraakte handelwijzen. Het hof ziet in de rapportages en adviezen onvoldoende basis voor het oordeel dat het ten laste gelegde de verdachte in beide zaken in het geheel niet kan worden toegerekend. Het hof rekent de feiten de verdachte in beide zaken daarom in verminderde mate toe.

Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat de kans op herhaling van stalkingsgedrag als groot moet worden ingeschat. Illustratief in dit verband is het feit dat de psycholoog een ‘overvloedige stroom van e-mail- en sms-berichten’ van de verdachte heeft mogen ontvangen en dat de verdachte het hof gedurende de gehele procedure in hoger beroep een ontstellend aantal brieven en e-mails heeft gestuurd. In zijn correspondentie gericht aan het hof – ook in de meest recente – geeft hij er blijk van ervan overtuigd te zijn dat de aangeefster in zaak A nog altijd behoefte heeft aan contact met hem en maakt hij duidelijk haar nog altijd te willen ontmoeten. Herhaaldelijk beklaagt hij zich erover dat hij lange tijd geen seksuele omgang met een (minderjarig) meisje heeft gehad, terwijl hij daartoe grote behoefte voelt en dat zelfs goed voor hem is. In de meest recente correspondentie maakt hij er melding van dat hij nog altijd ‘gek is op 15-jarige meisjes’, dat hij seksuele interesse heeft voor de minderjarige dochter van een ex-vriendin van hem, welke dochter hij een ‘ongelofelijk lekker ding’ vindt.

Het recidiverisico op agressieve delicten wordt door de psychiater als matig ingeschat. De psycholoog heeft beschreven dat de verdachte tot zijn agressie richting zijn buurvrouw is gekomen, omdat hij zich door haar gekrenkt voelde, terwijl uit de rapporten van de psycholoog naar voren komt dat de verdachte behept is met een – in de stoornis van zijn geestvermogens gewortelde – verhoogde krenkbaarheid en door gevoelens van boosheid overspoeld kan raken. Uit één en ander leidt het hof af dat de kans op herhaling van agressieve uitingen richting anderen aanzienlijk is. De psychiater heeft er terecht aandacht voor gevraagd dat de lichamelijke gesteldheid van de verdachte achteruit is gegaan sinds 23 juni 2016, toen hij uit het raam is gesprongen, waarbij hij beide enkels heeft gebroken. De operatie aan de rechterenkel die daarop volgde is niet geslaagd. Daarom heeft de verdachte nu een mobiliteitsbeperking en maakt hij buitenshuis gebruik van een rolstoel. Toch vormt dat voor het hof geen toereikende geruststelling dat deze beperking ook op de (middel)lange termijn het gevaar op agressieve delicten afdoende indamt. Uit de stukken kan worden opgemaakt dat een tweede operatie aan de rechterenkel geïndiceerd en ook door de verdachte gewenst is, maar dat hij zich niet bij machte voelt die te ondergaan, zolang hij – in zijn woorden – de ‘strafzaken aan zijn hoofd heeft’. Het hof acht het dan ook bepaald niet uitgesloten dat er in de mobiliteit van de verdachte op enige termijn verbetering komt, met name zodra het arrest in de onderhavige zaak onherroepelijk wordt. De stelling van de raadsman dat er na de bewezen feiten ‘eigenlijk niets is gebeurd’ behoeft in die zin nuancering dat de verdachte op 6 en 7 september 2016 toch weer brieven en een mini-disc heeft laten bezorgen bij de aangeefster in zaak A, waaruit zijn obsessie voor haar sprak, en hij de aangeefster in zaak B op 27 november 2016 een brief heeft gestuurd waarin hij haar onder meer de schuld geeft van zijn beenletsel. Tegen die achtergrond vormt de omstandigheid dat de verdachte sinds het bewezenverklaarde geen strafbare feiten heeft begaan die tot strafrechtelijke vervolging hebben geleid voor het hof onvoldoende grond om te kunnen veronderstellen dat het recidivegevaar dat de verdachte in zich bergt tot maatschappelijk aanvaardbare proporties is gereduceerd, te meer omdat, voor zover bekend, hij na november 2016 voor zijn problematiek geen behandeling heeft ondergaan die tot enig relevant resultaat heeft geleid en de psychiater heeft geconcludeerd dat het risico op stalking ook op de lange termijn als ‘hoog’ ingeschat moet worden als de verdachte niet wordt behandeld.

Het hof is verder van oordeel dat de verdachte onbehandeld een té groot gevaar vormt voor de Nederlandse samenleving en voor de aangeefster in zaak A, met wie hij nog altijd gepreoccupeerd is, in het bijzonder. De moeilijke vraag in deze zaak is in welk kader de noodzakelijke behandeling dient plaats te vinden. Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof vanzelfsprekend terdege oog voor de belangen van de verdachte, maar voorop staat het belang van een zo effectief mogelijke beveiliging van maatschappij tegen het recidivegevaar dat de verdachte in zich bergt, ook op (middel)lange termijn.

Over de behandelgeschiedenis van de verdachte is het volgende bekend:

 De verdachte heeft sinds 2004-2005 diverse psychiatrische behandelingen ondergaan, op ambulante basis, maar ook vier tot vijf maal op klinische basis (in Purmerend en Castricum). Verschillende (en mogelijk alle) opnames vonden plaats naar aanleiding van een daartoe strekkende machtiging op grond van de Wet BOPZ. Zo is hij in november 2014 gedwongen opgenomen in een psychiatrische instelling. Daaruit is hij toen zonder toestemming vertrokken. Op 23 juni 2016 heeft hij zich opnieuw aan een gedwongen opname onttrokken door uit het raam te springen, waaraan hij eerdergenoemd letsel heeft overgehouden. Hij kijkt zeer negatief terug op zijn eerdere klinische opname(s).

 Sinds 2006 staat de verdachte onder begeleiding van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige (SPV) van het F-ACT team van Dijk en Duin te Purmerend; in 2017 verliep dat in elk geval zeer moeizaam en was bekend dat hij zich tegen begeleiding verzette en dat ook de SPV van mening was dat de casus van verdachte een moeilijke was.

 In de periode vanaf het voorjaar van 2014 tot aan november van dat jaar heeft de verdachte zich aan alle zorg onttrokken met rancune tegen de psychiatrie.

 De verdachte heeft in het verleden vele antipsychotica gebruikt. Bekend is dat hij in 2017 nog (slechts) soms Zyprexa gebruikte. Het hof merkt daarbij op dat uit het rapport van de psychiater uit 2017 en diens mededelingen op de terechtzitting in hoger beroep naar voren komt dat een goede medicatie van (grote) invloed kan zijn op het verloop van en behandeling, en dat ook de psycholoog (in 2016) inschatte dat de verdachte zou kunnen profiteren van antipsychotische medicatie;

 Hoewel de verdachte in 2013 werd aangemeld voor het verblijf in een RIBW, stond hij daarin te ambivalent om er metterdaad voor in aanmerking te kunnen komen.

Het hof heeft met de op de terechtzitting van 16 mei 2018 genomen beslissingen getracht op de hoogte te komen van de meest actuele informatie over de gesteldheid van de verdachte, het verloop van de begeleiding door het F-ACT team en de (verdere) behandeling van de verdachte. Echter, de verdachte (i) heeft geen medewerking verleend aan de totstandkoming van het op 11 juni 2018 door Reclassering Nederland uitgebrachte rapport, (ii) heeft de leden van het F-ACT team verboden om inlichtingen over hem te verschaffen en (iii) is niet verschenen op de terechtzitting van 18 juni 2018 om een toelichting op een en ander te kunnen geven. Daarom kan het hof niet anders dan terugvallen op de informatie die eerder over hem bekend is geworden, alsmede de indruk die het hof op de terechtzitting van 7 september 2016 – toen de verdachte wel is verschenen – van hem heeft gekregen en uit de inhoud van de correspondentie die de verdachte aan het hof heeft doen toekomen. Uit in het bijzonder dat laatste rijst niet het beeld op dat de situatie van verdachte is gestabiliseerd of dat behandeling en begeleiding, voor zover geaccepteerd, het gewenste effect sorteert.

Bij die stand van zaken is het hof, anders dan de gedragsdeskundigen, van oordeel dat de geïndiceerde behandeling van de verdachte in een strafrechtelijk kader dient plaats te vinden. Jarenlang is getracht om de behandeling op civielrechtelijke voet en – kennelijk – ook op min of meer vrijwillige basis van de grond te krijgen en te continueren. Herhaaldelijk heeft de verdachte zich aan de behandeling onttrokken of zich anderszins tegen begeleiding en behandeling verzet. Aan dat gegeven doet niet af dat die afwijzende houding mogelijk is ingegeven door zijn geestesziekte. Het hof heeft er, met andere woorden, te weinig fiducie in dat een hernieuwde poging om de behandeling op grond van een (voorwaardelijke) machtiging in het kader van de Wet BOPZ of in een vrijwillig kader op te starten, dit maal wel (blijvend) tot het noodzakelijke resultaat kan leiden, temeer omdat de verdachte – in de woorden van de psycholoog – zonder dwingend kader niet te bereiken is. De indruk van de psychiater dat de verdachte, mits kundig en geduldig begeleid, op vrijwillige basis de geëigende hulp zou kunnen willen aanvaarden biedt, gelet op de voorgeschiedenis, naar het oordeel van het hof onvoldoende garanties. Dat de verdachte niet intrinsiek gemotiveerd is een behandeling in een strafrechtelijk kader te ondergaan acht het hof niet doorslaggevend, omdat het belang van de beveiliging van de samenleving in deze zaak leidend wordt geacht. Gelet op de behandelgeschiedenis is het hof voorts van oordeel dat de behandeling die de verdachte moet ondergaan in eerste instantie een klinische moet zijn. De in 2016 door de psycholoog gemaakte opmerking dat een ambulante behandeling weinig zinvol moet worden geacht, omdat daarbij geen goede werkrelatie kan worden opgebouwd, sluit daarop aan.

Anders dan de rechtbank, de raadsman en (bij wijze van subsidiair standpunt) de advocaat-generaal is het hof daarnaast van oordeel dat het geen begaanbaar pad is de verdachte te verplichten tot het ondergaan van (klinische) behandeling middels het stellen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke gevangenisstraf. Immers,

- de verdachte heeft een afkeer van de psychiatrie;

- de verdachte heeft de psycholoog in 2017 laten weten niet mee te willen meewerken aan een behandeling bij een instelling als De Waag;

- de verdachte heeft in oktober 2017 laten weten op geen enkele wijze bemoeienis te wensen van de reclassering en heeft recentelijk geweigerd om zijn medewerking te verlenen aan reclasseringsrapportage, zulks terwijl de reclassering op de naleving van de bijzondere voorwaarden zal moeten toezien;

- de gedagsdeskundigen hebben grote twijfels geuit bij de vraag of de verdachte bereid en in staat is zich aan voorwaarden te houden en de psychiater heeft toegelicht dat de kans op een succesvolle behandeling bij een drangkader als beperkt moet worden ingeschat, vanwege de behoefte van de verdachte om constant het gevecht aan te gaan.

Wanneer de verdachte, zoals moet worden verwacht, zich niet aan te stellen voorwaarden zal houden, zal de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer gelegd kunnen worden, maar blijft de verdachte verstoken van de noodzakelijke behandeling.

Het hof kan en zal de maatregel van plaatsing in en psychiatrische ziekenhuis voor de duur van een jaar op de voet van artikel 37 Sr niet opleggen, reeds omdat het hof niet kan vaststellen dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten in het geheel niet kunnen worden toegerekend.

Het voorgaande betekent dat teneinde de benodigde (klinische) behandeling op strafrechtelijke voet te kunnen inkaderen als ultimum remedium de maatregel van de terbeschikkingstelling resteert. Het hof zal deze maatregel dan ook opleggen. De TBS-maatregel kan naar het oordeel van het hof niet onder het stellen van voorwaarden worden opgelegd, omdat het, zoals al is overwogen, zeer onwaarschijnlijk is dat de verdachte bereid en in staat zal zijn zich aan die voorwaarden, waaronder (langdurige) klinische behandeling, te houden. Dat oordeel wordt onderstreept door de inschatting van de psycholoog dat die voorwaardelijke variant niet haalbaar is. Het hof zal dan ook het bevel geven dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

Anders dan de raadsman is het hof in het licht van hetgeen hiervoor over de aard en de ernst van de bewezen delicten is overwogen, van oordeel dat de oplegging van deze maatregel, afgezet tegen die delicten, niet disproportioneel is. Daarbij komt dat de problematiek van de verdachte (zeer) complex is en het hierboven omschreven recidivegevaar onaanvaardbaar groot.

Het hof heeft zich er rekenschap van gegeven dat de behandeling in het TBS-kader een langdurige kan worden en mogelijk (zeer) moeizaam zal verlopen, omdat die maatregel op veel boosheid bij de verdachte kan stuiten en het TBS-kader de strijdlust van de verdachte kan voeden, doordat de voortduring van die maatregel elke twee jaar moet worden beoordeeld. Daar staat echter tegenover dat (i) volgens de psychiater niet uitgesloten kan worden dat een TBS-kader vruchten kan afwerpen, omdat de verdachte naar diens inschatting snel kan opknappen als hij (eindelijk weer) in behandeling komt, de psychoses kunnen worden gedempt en zijn fysieke gesteldheid verbetert, (ii) de psycholoog te kennen heeft gegeven dat er op lange termijn in die setting verbetering kan worden bereikt en (iii) de in de voorbije jaren toegepaste behandelkaders er in elk geval niet toe hebben geleid dat het recidiverisico dat de verdachte in zich bergt op korte én lange(re) termijn tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau is teruggebracht.

Het hof realiseert zich dat deze beslissing voor de verdachte, die thans niet is gedetineerd, een buitengewoon ingrijpende is. Het hof wijst de verdachte er echter op dat deze maatregel er ook toe kan leiden dat er een einde komt aan de ronduit schrijnende en uitzichtloze situatie waarin hij zich al jarenlang bevindt en die er hem kennelijk zelfs toe heeft gebracht om in één van zijn meest recente brieven aan het hof melding te maken van een doodswens.

Het hof stelt resumerend vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, Sr is voldaan, immers:

- bij de verdachte was ten tijde van het begaan van de bewezen feiten immers sprake van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens,

- de door de verdachte begane feiten betreffen (onder meer) een misdrijf dat is omschreven in artikel 285b Sr, een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld, te weten een (poging tot) zware mishandeling, en een misdrijf dat is omschreven in artikel 285, eerste lid, Sr en

- de algemene veiligheid van personen vereist de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte en het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

De maatregel zal onder meer worden opgelegd wegens (een poging tot) zware mishandeling, een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.

Het hof heeft zich nog de vraag gesteld of het de verdachte bij dit arrest (bijvoorbeeld door toepassing van artikel 38v Sr) verboden moet worden contact met de aangeefsters in de zaken A en B te hebben of op te nemen. Het hof kiest daar niet voor, omdat het ervan uit gaat dat de directeur van de kliniek waar de verdachte zal worden behandeld de nodige maatregelen ter bescherming van de aangeefsters zal nemen, zodra daartoe aanleiding bestaat.

Het hof is van oordeel dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van dit arrest dient aan te vangen en verzoekt het openbaar ministerie met klem om zich daarvoor in te spannen.

Vordering tot aanhouding van de zaken

Het hof ziet geen aanleiding voor toewijzing van de (primaire) vordering van de advocaat-generaal om de behandeling van de zaken aan te houden, teneinde de verdachte te laten observeren in het Pieter Baan Centrum (PBC), zodat die vordering wordt afgewezen. Net als de raadsman ziet het hof voor zo’n observatie geen noodzaak, omdat het hof zich reeds thans voldoende voorgelicht acht. Daarbij komt dat zowel de psychiater als de psycholoog ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat niet te verwachten valt dat een onderzoek in het PBC veel nieuwe informatie zal opleveren.

Gevangenneming

Het hof komt tot een bewezenverklaring van het in zaak A en in zaak B onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde; ten aanzien van die feiten bestaan dus ernstige bezwaren jegens de verdachte. Het gaat daarbij om feiten waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel om feiten als genoemd in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, Sv. Verder wordt onverwijlde vrijheidsbeneming gevorderd door een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid. Immers, gezien hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het recidivegevaar dat de verdachte in zich bergt, moet er naar het oordeel van het hof ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waardoor de gezondheid en veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht. Om deze gronden zal het hof ambtshalve de gevangenneming van de verdachte bevelen.

De benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in zaak A in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 940,46 (het hof begrijpt: € 940,48), bestaande uit € 340,48 aan materiële schade (reiskosten in verband met een afspraak bij Slachtofferhulp Nederland, reiskosten in verband met het bijwonen van de terechtzitting op 22 januari 2015 en verlies van arbeidsvermogen van haar moeder) en € 600,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 532,48 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2014 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 516,80.

Van de zijde van de verdachte is het ontstaan van de opgevoerde schade, het causale verband met de schadeveroorzakende gebeurtenis – de belaging – en de omvang van de schade niet weersproken.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak A bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade met een omvang van € 16,80 heeft geleden, gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij, die zijdens de verdachte niet zijn betwist (in het bijzonder ook niet voor wat betreft de causaliteit of de hoogte van de materiële schade). Dit deel van de vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed.

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak A bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van de benadeelde partij die niet zijn weersproken. De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast (HR 17 november 2000, NJ 2001/215). Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 600,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de jonge leeftijd van de benadeelde partij, de ingrijpende aard van de haar toegezonden berichten, de gevolgen voor de benadeelde partij (onder meer bestaande uit concentratieproblemen (op school), hyperventilatie en een paniekaanval) en de omstandigheid dat zij zich onder begeleiding van maatschappelijk werk heeft moeten stellen, alsook op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Met betrekking tot de gevorderde kosten in verband met het verlies van het arbeidsvermogen van de moeder van de benadeelde overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende is gebleken dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het handelen van de verdachte. In zoverre kan de benadeelde partij daarom niet in de vordering worden ontvangen.

Omtrent de gevorderde reiskosten voor het bijwonen van de terechtzitting op 22 januari 2015 overweegt het hof dat dergelijke kosten in de onderhavige procedure niet als schadepost kunnen worden toegewezen, maar kunnen worden geschaard onder de proceskosten als bedoeld in artikel 592a Sv (vgl. HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:905). Het hof verstaat daarom dat de benadeelde partij die reiskosten als proceskosten heeft willen opvoeren. Er is hier desondanks geen aanleiding om die reiskosten als proceskosten voor vergoeding in aanmerking te brengen, omdat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2015 niet is gebleken dat de benadeelde daarbij aanwezig is geweest.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 56, 57, 63, 285, 285b, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt de vonnissen waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 23-001274-15 en het in de zaak met parketnummer 23-004236-17 onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 23-001274-15 en het in de zaak met parketnummer 23-004236-17 onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 23-001274-15 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 616,80 (zeshonderdzestien euro en tachtig cent) bestaande uit € 16,80 (zestien euro en tachtig cent) aan materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 23-001274-15 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 616,80 (zeshonderdzestien euro en tachtig cent) bestaande uit € 16,80 (zestien euro en tachtig cent) aan materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 november 2014.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. N.A. Schimmel en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2018.

[....]

[....]

[....]