Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2091

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2018
Datum publicatie
27-06-2018
Zaaknummer
23-002223-17
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:830, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag. Verwerping beroep op noodweerexces. Gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. Toewijzing shockschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0539
JERF 2018/263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002223-17

datum uitspraak: 26 juni 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-650420-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

adres: [adres],

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 mei en 12 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:

op of omstreeks 4 juli 2016 te Amsterdam R.R.[benadeelde 2] opzettelijk (en met voorbedachten rade) van het leven heeft beroofd, door meermalen, in elk geval eenmaal met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in de borstkas en/of in de hals, in elk geval in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] te steken.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Partiële vrijspraak

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat van kalm beraad en rustig overleg aan de zijde van de verdachte geen sprake is geweest, zodat hij daarvan, en daarmee van de impliciet primair ten laste gelegde moord, zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

op 4 juli 2016 te Amsterdam R.R.[benadeelde 2] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen met een mes in de borstkas en in de hals van die [slachtoffer] te steken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich ten aanzien van het ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van noodweerexces. De verdachte heeft gehandeld in een noodweersituatie, maar is daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gegaan dan geboden is.1

De raadsman heeft zijn standpunt als volgt onderbouwd.

Het handelen van de verdachte is een reactie geweest op het handelen van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]). Er was eerder, op 1 of 2 juli 2016, een incident geweest tussen de verdachte en [slachtoffer]. De verdachte had toen een afspraak met zijn ex-vriendin [getuige 1] (hierna [getuige 1]). Zij zou geld en een sleutel aan de verdachte teruggeven. Alsdan zou de verdachte al door [slachtoffer] in een soort wurggreep of nekklem genomen zijn. De verdachte was na dit voorval in een soort shock en ook doodsbang voor [slachtoffer]. Sinds die dag van de wurging had de verdachte een mes bij zich.

Op 4 juli 2016 had de verdachte afgesproken met [getuige 1] om naar de echokliniek te gaan om te onderzoeken of [getuige 1] zwanger was van hem. De verdachte was boos en gefrustreerd na het bezoek aan de echokliniek omdat hij – naar eigen zeggen – geen uitsluitsel had gekregen van [getuige 1] over de vraag of zij in verwachting van hem was. Bovendien was hij daar voor de tweede keer – onverwachts – geconfronteerd met [slachtoffer], de nieuwe relatie van [getuige 1].

De verdachte voelde zich vernederd. Hij wilde duidelijkheid van [getuige 1]. Dat was de reden waarom hij achter [slachtoffer] en [getuige 1] aanliep op straat. De verdachte was boos en hij was aan het schelden, maar hij bleef op afstand. Hij raakte niemand aan. Hij had geen enkel voorwerp in zijn hand. Het was [slachtoffer] die zich op enig moment omdraaide en zei: “nu is het genoeg”. Het was ook [slachtoffer] die naar de verdachte toe liep en hem aanviel en de verdachte in een soort nekklem of wurggreep vastpakte.2 Getuige [getuige 2] bevestigt deze gang van zaken. Zij beschrijft als enige objectieve getuige alles wat er gebeurd is vanaf de echokliniek. Hetgeen [getuige 2] heeft gezien en beschreven is meer dan de overige getuigen hebben gezien. [getuige 2] heeft tegenover de rechter-commissaris onder meer verklaard: “ik zag dat het slachtoffer de dader aanviel. Ik bedoel dat hij uitviel naar de dader. Ik zag dat het slachtoffer de dader had vastgepakt. Hij had zijn linkerarm om het hoofd van de dader geslagen. In het begin hield de dader wel afstand tot het slachtoffer. Hij liep wel achter ze aan. Ik had het idee dat de dader niet had verwacht dat het slachtoffer zich zou omdraaien. Toen het slachtoffer de dader vasthad, raakte de dader naar mijn idee in paniek. Ik denk dat, omdat hij toen naar zijn tasje greep en dat mes pakte.” [getuige 2] heeft verder nog verklaard: “de dader en het slachtoffer waren met elkaar aan het worstelen. De dader was niet meer met zijn hoofd onder de arm van het slachtoffer. Ik zag dat de dader op het slachtoffer instak.”

De verklaringen van getuige [getuige 2] zijn betrouwbaar omdat deze getuige onafhankelijk is en omdat haar verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen, namelijk andere getuigenverklaringen.

Gelet op de hiervoor beschreven feitelijke handelingen is er sprake van noodweerexces, aldus de raadsman. De feitelijke handelingen door [slachtoffer], die naar de verdachte toe liep en hem aanviel en hem met een soort nekklem of wurggreep vastpakte, hebben geleid tot het achteraf fatale handelen van de verdachte. De verdachte heeft gehandeld in een situatie waarin hij bijna geen adem meer kreeg en waarin hij zijn angsten van de eerste ontmoeting met [slachtoffer] weer in volle hevigheid terugkreeg en bang was dat hij het leven zou laten. In die situatie heeft hij in een vlaag van verstandsverbijstering, angst en bewustzijnsvernauwing gereageerd.

De verdachte komt dan ook een geslaagd beroep op noodweerexces toe zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft betoogd dat het bestaan van een noodweersituatie – gelet op de feitelijke gang van zaken – niet aannemelijk is geworden, zodat het beroep op noodweerexces reeds om die reden dient te worden verworpen.

Hiertoe heeft de advocaat-generaal het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft op 4 juli 2016 welbewust de confrontatie met [slachtoffer] opgezocht door scheldend en tierend achter [slachtoffer] en [getuige 1] aan te lopen. Daarmee heeft de verdachte zich in een situatie gebracht waarin het aan hem alleen is te wijten dat die confrontatie uitliep op het neersteken van [slachtoffer]. Daarbij komt dat hetgeen [slachtoffer] deed – zich omdraaien en de verdachte aanspreken en vervolgens in gevecht raken met de verdachte die op dat moment al een mes in zijn handen had – niet kan worden gezien als een wederrechtelijke ogenblikkelijke aanranding van de verdachte. Bovendien had de verdachte in de gegeven omstandigheden een alternatief voor deze confrontatie. Toen [slachtoffer] zich omdraaide had de verdachte voldoende gelegenheid om zich daaraan te onttrekken.3

Het incident een paar dagen vóór 4 juli 2016 is te ver verwijderd van 4 juli 2016, zodat er sprake is van twee verschillende situaties. Dit eerdere incident kan geen invloed hebben gehad op het handelen van de verdachte op 4 juli 2016.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op de aanwezigheid van een noodweersituatie, het hof zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de feitenrechter daarbij allereerst duidelijk moet maken of de feitelijke toedracht, zoals door de verdachte ten verwere is aangevoerd en uit de wettige bewijsmiddelen moet worden afgeleid, aannemelijk is geworden.4

In de onderhavige zaak ziet het hof zich in het bijzonder voor de vraag gesteld of het aannemelijk is geworden dat de verdachte op 4 juli 2016 vlak voor de steekpartij in een wurggreep werd gehouden door [slachtoffer], en zo ja, hoe lang en hoe intensief deze wurggreep is geweest.

Uit het dossier blijkt het volgende. De verdachte en [slachtoffer] hadden een paar dagen vóór de fatale steekpartij een – voor de verdachte – onverwachte ontmoeting op het Anton de Komplein te Amsterdam. [getuige 1] heeft verklaard dat zij toen en daar met de verdachte, met wie zij een relatie had gehad, had afgesproken om zijn sleutel en wat geld terug te geven. Bij deze ontmoeting hadden de verdachte en [getuige 1] een twistgesprek over een al dan niet bestaande zwangerschap van [getuige 1]. Toen het gesprek uit de hand dreigde te lopen kwam [slachtoffer] – die de situatie vanaf een afstand observeerde – tussenbeide en vroeg [getuige 1] om met hem mee te gaan. De verdachte vroeg wie hij was en of hij en [getuige 1] iets met elkaar hadden. Dit werd door [slachtoffer] bevestigd, waarop de verdachte [getuige 1] bij de keel vastpakte. [slachtoffer] reageerde daarop door de verdachte bij zijn keel vast te pakken, maar liet hem daarna snel weer los.5

De verdachte heeft verklaard dat hij na deze ontmoeting heel bang was voor [slachtoffer] en dat hij vanwege die angst een mes in zijn tasje had gedaan. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij het tasje meenam als hij op pad ging.6

Voor 4 juli 2016 had [getuige 1] wederom een afspraak gemaakt met de verdachte. Zij vroeg de verdachte om op 4 juli 2016 naar de echokliniek aan de Tweede Oosterparkstraat te Amsterdam te komen zodat zij aan hem kon laten zien dat ze niet zwanger was. [getuige 1] heeft verklaard dat ze hoopte dat de verdachte haar daarna met rust zou laten.7 Bij de echokliniek reageerde de verdachte boos en verontwaardigd toen hij zag dat [getuige 1] samen met [slachtoffer] naar de kliniek was gekomen. [getuige 1] overhandigde de verdachte de uitslag van de echo en liep vervolgens samen met [slachtoffer] naar buiten. De verdachte, die zich naar eigen zeggen “gebroken, gebruikt, vernederd, verdrietig, bedrogen en boos”8 voelde, liep scheldend en tierend achter [getuige 1] en [slachtoffer] aan. De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] niets aan wilde doen – hij was juist bang voor hem – maar hij wilde wel duidelijkheid.9 [getuige 1] heeft verklaard dat zij hoorde dat de verdachte bleef schelden en “K-woorden” tegen haar zei. Dat ging minutenlang door totdat [slachtoffer] zich omdraaide en tegen de verdachte zei: “weet je? Je hebt nu genoeg gescholden, het is nu genoeg. Nu moet je weggaan!” De verdachte bleef schelden, waarop een gevecht ontstond tussen de verdachte en [slachtoffer].10

De verdachte heeft verklaard dat hij bij dit gevecht door [slachtoffer] werd gewurgd en met de vuist werd geslagen in zijn maag. Hij kreeg geen lucht meer en alles werd licht in zijn hoofd. Hij dacht dat hij doodging, er kwam een soort waas voor zijn ogen en hij voelde paniek en angst. De verdachte heeft verklaard dat hij denkt dat dit het moment is geweest waarop hij het mes heeft gepakt en open heeft geklapt. De verdachte heeft verklaard dat hij zich op het moment zelf niet bewust was van wat hij deed. Hij denkt dat hij drie of vier keer heeft gestoken.11

Het hof merkt allereerst op dat de angst die de verdachte heeft verklaard te hebben gehad voor [slachtoffer] sterk gerelativeerd moet worden aangezien hij – ondanks meerdere verzoeken van [slachtoffer] om op te houden met schelden en weg te gaan – op 4 juli 2016 scheldend en tierend achter [slachtoffer] en [getuige 1] aan is blijven lopen en daarmee de confrontatie met hen beiden steeds heeft opgezocht, terwijl [slachtoffer] steeds door wilde lopen en, duidelijk waarneembaar voor de verdachte, geen zin had in een confrontatie.

Indien het standpunt van de raadsman nog zo opgevat moet worden dat de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] een paar dagen vóór het incident van 4 juli 2016 van invloed zou zijn geweest op het handelen van de verdachte op 4 juli 2016, dan is dit qua tijdsverloop al zo ver verwijderd van het incident op 4 juli 2016 dat dit het hof niet tot een andere zienswijze brengt. Zoals hierboven reeds verwoord liep de verdachte op 4 juli 2016 zelf achter [slachtoffer] en [getuige 1] aan en zocht de confrontatie op. De verklaring van de verdachte dat hij door het eerdere incident doodsbang was voor [slachtoffer] is dan ook logisch gezien niet verenigbaar met de feitelijke gang van zaken dat de verdachte op 4 juli 2016 achter [slachtoffer] (en [getuige 1]) aan bleef lopen en de confrontatie bleef opzoeken.

Het hof neemt hierbij voorts in aanmerking dat de verdachte pas geruime tijd na het incident voor het eerst met een verklaring is gekomen. Hij was er naar eigen zeggen nog niet klaar voor om eerder een verklaring af te leggen.12 De enige personen met wie de verdachte wél direct na het incident heeft gesproken over wat er was voorgevallen zijn de moeder en een tante van de verdachte. Het zou in de rede hebben gelegen dat de verdachte de door hem beschreven bijna-doodervaring door de aanval van [slachtoffer] meteen uitvoerig met deze vertrouwde personen zou hebben gedeeld, hetgeen niet blijkt uit de verklaringen van moeder en tante. Het hof is van oordeel dat deze opvallende omissie in grote mate afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de door de verdachte geschetste feitelijke toedracht van de fatale steekpartij.

De enige getuige die het door de verdachte geschetste scenario enigszins ondersteunt is de getuige [getuige 2], die tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij heeft gezien dat het slachtoffer boos reageerde op de dader en dat het slachtoffer de dader had vastgepakt, waarbij hij zijn linkerarm om het hoofd van de dader had geslagen. [getuige 2] heeft verder verklaard dat zij heeft gezien dat de dader inmiddels niet meer met zijn hoofd onder de arm van het slachtoffer zat toen hij het mes uit zijn tasje pakte. [getuige 2] verklaart dat ze zag dat de dader op het slachtoffer instak. Zij heeft één stekende beweging gezien.13

Het valt op dat [getuige 2] in haar vlak na het voorval tegenover de politie afgelegde verklaring niet heeft gerept over het in een nekklem houden van de verdachte door het slachtoffer. Voorts merkt het hof op dat de verklaring van [getuige 2] in belangrijke mate afwijkt, niet alleen van wat door de andere getuigen is waargenomen en verklaard, maar ook van hetgeen objectief kon worden vastgesteld. [getuige 2] heeft één stekende beweging gezien, terwijl de schouwarts dertien steekwonden bij het slachtoffer heeft vastgesteld en heeft geconcludeerd dat het intreden van de dood kan worden verklaard door verwikkelingen van vijf steken in de borstkas en de hals.14 De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij zag dat de dader zeker acht à tien keer op het slachtoffer in heeft gestoken.15 De getuige [getuige 4] heeft verklaard dat ze heeft gezien dat de dader een mes pakte en meermalen op de andere man (het hof begrijpt: [slachtoffer]) instak. [getuige 4] heeft voorts verklaard dat ze heeft gezien dat de dader bovenhandse, slaande bewegingen maakte richting de ander (het hof begrijpt: [slachtoffer]) die toen op de grond lag.16 Een ander verschil tussen de versie van [getuige 2] en die van andere getuigen is dat [slachtoffer] volgens meerdere getuigenverklaringen door de dader tegen een muur of een heg werd geduwd en ten val kwam waarna de dader zich over hem heen boog en meermalen op hem instak.17

Mede gelet op de discrepantie tussen de verklaring van [getuige 2] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris en de andere getuigenverklaringen, die wat het aantal steekbewegingen betreft worden ondersteund door objectieve feiten, acht het hof de door [getuige 2] geschetste gang van zaken niet aannemelijk en zal daarom deze verklaring niet gebruiken voor het bewijs.

Gelet op het vorenstaande acht het hof de door de verdachte geschetste gang van zaken ten aanzien van het in een wurggreep gehouden worden door [slachtoffer] niet aannemelijk geworden. Het hof neemt als vaststaand aan dat er vlak vóór de fatale steekpartij een gevecht – bestaande uit duw- en trekwerk – is geweest tussen de verdachte en [slachtoffer], waarbij [slachtoffer] uiteindelijk op de grond is terechtgekomen en is neergestoken door de verdachte, die over [slachtoffer] heen gebogen was.

Gelet op het vorenstaande is het hof, met de advocaat-generaal en anders dan de raadsman, van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in (of vlak na) een noodweersituatie.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Op grond van de hiervoor vermelde conclusie dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie wordt het beroep op noodweerexces reeds om die reden verworpen.

Het tot ontslag van alle rechtsvervolging strekkende verweer wordt derhalve verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor de in eerste aanleg bewezen verklaarde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de ten laste gelegde doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft [slachtoffer] dertienmaal met een mes gestoken, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Een ruzie die de verdachte steeds zelf uitlokte door scheldend en tierend achter het slachtoffer en zijn vriendin aan te lopen is zodanig uit de hand gelopen dat [slachtoffer] uiteindelijk is doodgestoken. De verdachte heeft met zijn handelen op een brute wijze een einde gemaakt aan het leven van een veelbelovende drieëntwintigjarige jongeman en hem daarmee de mogelijkheid ontnomen het leven te leiden dat hij voor ogen had en dat hij nog grotendeels voor zich had. De agressie waarmee de verdachte tegen het slachtoffer tekeer is gegaan getuigt van een gebrek aan respect voor het leven van een ander. Bovendien heeft hij de nabestaanden van het slachtoffer met zijn handelwijze hun dierbare op een gruwelijke manier ontnomen en hen daarmee groot en onherstelbaar leed toegebracht. Uit de slachtofferverklaringen van de moeder en twee zussen van het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep van 29 mei 2018 is gebleken hoe zwaar de gevolgen voor hen zijn. Tevens heeft de verdachte, doordat het feit op klaarlichte dag op de openbare weg heeft plaatsgevonden, de gevoelens van onveiligheid in de samenleving versterkt. Een van de getuigen die (een deel) van de gebeurtenissen hebben meegemaakt is zodanig getraumatiseerd dat zij de herinnering eraan door middel van therapie probeert te vergeten.

Er is geen reden om aan te nemen dat het bewezen geachte feit de verdachte niet volledig kan worden toegerekend. Uit het omtrent de verdachte opgemaakte rapport van psychiater [naam 2] van 2 november 2016 blijkt dat hij ten tijde van het bewezen verklaarde weliswaar kampte met cannabisafhankelijkheid en verminderde intellectuele vermogens, maar er kon geen verband worden vastgesteld met zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het bewezen verklaarde. Het hof rekent de verdachte zijn daad dan ook volledig toe.

Op grond van het bovenstaande acht het hof geen andere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd. Het hof is van oordeel dat bij het bewezen verklaarde feit, gelet op de aard en intensiteit van het door de verdachte toegepaste geweld, een gevangenisstraf past met een langere duur dan door de rechtbank is opgelegd. De verdachte is immers, nadat het slachtoffer al weerloos op de grond lag, doorgegaan met steken op vitale lichaamsdelen, zodat hij vol opzet moet hebben gehad op het intreden van diens dood. Anderzijds houdt het hof rekening met de relatief jonge leeftijd van de verdachte en het feit dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 mei 2018, in de afgelopen vijf jaren niet strafrechtelijk is veroordeeld, zodat er een lagere straf zal worden opgelegd dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Bijzondere persoonlijke omstandigheden die aanleiding geven tot verdere matiging van de op te leggen straf zijn aangevoerd noch (anderszins) aannemelijk geworden.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 39.951,70 ter zake van materiële en immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.164,17 wegens materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit € 4.951,70 aan materiële schade en € 35.000,00 aan immateriële schade. De post immateriële schade valt uiteen in € 15.000,00 aan shockschade en € 20.000,00 aan affectieschade. De vordering ten aanzien van de affectieschade wordt namens de benadeelde partij uitsluitend gehandhaafd om haar rechten veilig te stellen voor het geval er cassatie wordt ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in hoger beroep gevraagde vergoeding ter zake van de materiële schade wordt toegewezen, behoudens de kosten voor de stille tocht. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering voor wat betreft de shockschade wordt toegewezen en dat de benadeelde partij in de vordering voor wat betreft de affectieschade niet-ontvankelijk wordt verklaard. Tot slot heeft hij gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de materiële schade kan worden bevestigd. Ten aanzien van de shockschade heeft de raadsman betoogd dat de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.205,08. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Ten aanzien van de post kosten van de stille tocht ad € 1.746,62 is het hof van oordeel dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu niet zonder meer gezegd kan worden dat deze kosten moeten worden gerekend onder die van de lijkbezorging. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans voor dit deel van de vordering niet worden ontvangen en kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij, zoals zij heeft gesteld en onderbouwd, als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade in de vorm van shockschade heeft geleden. Daarbij is van belang dat van de zijde van de verdachte op zichzelf niet gemotiveerd is betwist dat door de benadeelde partij ten gevolge van het bewezen geachte feit dergelijke schade is geleden. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat begroting van de shockschade geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof zal de omvang van de shockschade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid schatten op € 15.000,00, waarbij in het bijzonder is gelet op de omstandigheden dat de benadeelde partij:

- werd geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het misdrijf en met de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden aangezien zij haar overleden zoon [slachtoffer] moest identificeren en daarbij het letsel dat onder andere zichtbaar was in de nek van haar zoon heeft gezien. Uit het schouwverslag en het rapport van het NFI blijkt dat er diepe steekwonden waren in de hals;

- aannemelijk is dat dit bij haar een hevige schok teweeg heeft gebracht, mede getuige het feit dat zij met een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) is gediagnosticeerd, waarvoor zij zich langdurig onder psychologische behandeling heeft moeten stellen en dat er bij haar als gevolg van het bewezen verklaarde sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld in de vorm van DSM-V;

- nog altijd kampt met ernstige psychische klachten.

Het hof is van oordeel dat de vordering voor zover die strekt tot vergoeding van affectieschade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu bij de huidige stand van het recht geen ruimte bestaat voor toekenning van dergelijke schade.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze en bepalen dat de in dat verband de door de verdachte te betalen som wordt vermeerderd met de wettelijke rente.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 32.955,60 ter zake van materiële en immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 380,72 wegens materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van € 17.955,60, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit € 455,60 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade in de vorm van affectieschade. De vordering ten aanzien van de affectieschade wordt namens de benadeelde partij uitsluitend gehandhaafd om haar rechten veilig te stellen voor het geval er cassatie wordt ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in hoger beroep gevraagde vergoeding ter zake van de materiële schade wordt toegewezen. Ten aanzien van de affectieschade heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard. Tot slot heeft hij gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vordering benadeelde partij kan worden bevestigd.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 455,60. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de vordering voor zover die strekt tot vergoeding van affectieschade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu bij de huidige stand van het recht geen ruimte bestaat voor toekenning van dergelijke schade.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze en bepalen dat de in dat verband de door de verdachte te betalen som wordt vermeerderd met de wettelijke rente.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 34.232,87 ter zake van materiële en immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.310,89 wegens materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van € 19.026,69, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit € 1.526,69 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade in de vorm van affectieschade. De vordering ten aanzien van de affectieschade wordt namens de benadeelde partij uitsluitend gehandhaafd om haar rechten veilig te stellen voor het geval er cassatie wordt ingesteld.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.526,69. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de vordering voor zover die strekt tot vergoeding van affectieschade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu bij de huidige stand van het recht geen ruimte bestaat voor toekenning van dergelijke schade.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1 jas (kleur blauw, goednummer 5215157), 1 shirt (kleur wit, goednummer 5215156), 1 broek (kleur zwart, goednummer 5215154).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 18.205,08 (achttienduizend tweehonderdvijf euro en acht cent) bestaande uit € 3.205,08 (drieduizend tweehonderdvijf euro en acht cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 18.205,08 (achttienduizend tweehonderdvijf euro en acht cent) bestaande uit € 3.205,08 (drieduizend tweehonderdvijf euro en acht cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 126 (honderdzesentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 4 juli 2016.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 455,60 (vierhonderdvijfenvijftig euro en zestig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 455,60 (vierhonderdvijfenvijftig euro en zestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 juli 2016.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.526,69 (duizend vijfhonderdzesentwintig euro en negenenzestig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.526,69 (duizend vijfhonderdzesentwintig euro en negenenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 juli 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. M.M.H.P. Houben en mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, in tegenwoordigheid van mr. K. Sarghandoy, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 juni 2018.

[…]

1 Pleitnotities raadsman, 29 mei 2018, p. 6.

2 Ibid., p. 2-3.

3 Requisitoir advocaat-generaal, 29 mei 2018, (blad 13-14 (ongenummerd)).

4 HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0737, NJ 1997/657.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] door de politie, 21 juli 2016, Algemeen dossier, p. B.161.

6 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Amsterdam op 31 mei 2017, p. 4.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] door de rechter-commissaris op 17 januari 2017, p. 3.

8 Schriftelijke verklaring van de verdachte, 24 augustus 2016, Persoonsdossier, p. A.056.

9 Ibid.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] door de politie, 4 juli 2016, Algemeen dossier, p. B.064.

11 Schriftelijke verklaring van de verdachte van 24 augustus 2016, Persoonsdossier, p. A.056.

12 Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 29 mei 2018.

13 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] door de rechter-commissaris op 19 januari 2017, p. 2.

14 NFI-rapport inzake Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, 12 juli 2016, Algemeen dossier, p. B.148.

15 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] door de rechter-commissaris op 23 januari 2017, p. 4.

16 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] door de rechter-commissaris op 23 januari 2017, p. 2.

17 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] door de rechter-commissaris op 23 januari 2017, p. 4; proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 4 juli 2016, onder andere inhoudende een op 4 juli 2016 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de getuige [getuige 4], p. B.031.