Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2031

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2018
Datum publicatie
22-06-2018
Zaaknummer
200.146.219/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Verrekening van het door Dexia verschuldigde bedrag met de verkoopwaarde van de overgenomen aandelen. De afnemer heeft geen bewijsstukken van de verkoop van de aandelen in het geding gebracht. De werkelijke verkoopopbrengst wordt geacht (maximaal) gelijk te zijn aan het door Dexia verschuldigde bedrag zodat na verrekening voor Dexia niets te betalen resteert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.146.219/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: 2281997 DX EXPL 13-127

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 juni 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen:

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Dexia genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 22 april 2014 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van
23 januari 2014, in de procedure krachtens artikel 96 Rv onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen. Partijen hebben zich het recht om in hoger beroep te komen expliciet voorbehouden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord;

- akte van [appellant] , met producties;

- antwoordakte van Dexia.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd, na kennelijke vermindering van eis bij haar akte, dat het hof het bestreden vonnis wat betreft onderdeel II van het dictum zal vernietigen en

- uitvoerbaar bij voorraad - Dexia zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van primair € 122.406,22 en subsidiair € 48.991,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat [appellant] een betaling deed tot aan het moment van algehele voldoening, en het bestreden vonnis voor het overige te bekrachtigen. Het vorenstaande met veroordeling van Dexia in de kosten van het hoger beroep.

Dexia heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [appellant] , althans tot verwerping van zijn grieven en het bestreden vonnis te bekrachtigen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in appel.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1. en 2.1. tot en met 2.5. in dit geding vaststaande feiten opgesomd. Met zijn grief maakt [appellant] bezwaar tegen hetgeen onder 2.3. is vermeld. Het hof zal daarmee in het onderstaande rekening houden. Voor het overige zijn de feiten niet in geschil en dienen deze derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.2

[appellant] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee staat vermeld, met (een rechtsvoorgangster van) Dexia als wederpartij:

Nr

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

I.

[nummer]

13-10-1998

Spaarleasen

240 mnd

f 120.921,84

II.

[nummer]

13-10-1998

Spaarleasen

240 mnd

f 120.921,84

III.

[nummer]

02-07-1999

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

f 62.642,14

IV.

[nummer]

02-07-1999

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

f 31.750,09

V.

[nummer]

08-07-1999

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

f 31.115,56

VI.

[nummer]

08-07-1999

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

f 63.095,38

De leaseovereenkomsten I en II zijn gewijzigd en aangevuld met de overeenkomsten WinstVerbeteraar. De leaseovereenkomsten III, IV, V en VI zijn verlengd voor eenzelfde termijn. De leaseovereenkomsten I tot en met VI, met inbegrip van de verlengingsovereenkomsten, worden hierna gezamenlijk aangeduid als: de leaseovereenkomsten.

3.3

De leaseovereenkomsten zijn (tussentijds) beëindigd. Dexia heeft met betrekking tot de leaseovereenkomsten eindafrekeningen d.d. 18 september 2003 opgesteld. De effecten zijn daarbij aan [appellant] (uit)geleverd.

3.4

Bij brief van 16 november 2005 heeft de echtgenote van [appellant] met een beroep op artikel 1:89 BW de leaseovereenkomsten vernietigd.

3.5

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. [appellant] heeft bij aangetekende brief van 6 maart 2007 tijdig een opt-outverklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt.

3.6

[appellant] heeft in eerste aanleg, voor zover thans van belang, gevorderd voor recht te verklaren dat de leaseovereenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd en Dexia te veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen in het kader van de leaseovereenkomsten is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling.

3.7

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat de leaseovereenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd. Gelet hierop, dienen naar het oordeel van de kantonrechter alle betalingen van [appellant] aan Dexia op grond van de leaseovereenkomsten te worden gerestitueerd, verminderd met hetgeen [appellant] op grond van de leaseovereenkomsten van Dexia heeft ontvangen, zoals uitgekeerde dividenden. Vervolgens heeft de kantonrechter op grond van een door Dexia overgelegd financieel overzicht van 6 november 2013 vastgesteld dat op grond van de leaseovereenkomsten in totaal € 44.908,11 aan termijnen en € 198,49 aan restschuld aan Dexia is betaald en dat [appellant] € 1.630,94 aan dividenden en € 28.717,20 aan uitkering heeft ontvangen, zodat per saldo een bedrag van € 14.758,46 dient te worden gerestitueerd. Tot betaling daarvan is Dexia in het bestreden vonnis veroordeeld.

3.8

In hoger beroep komt [appellant] met zijn grief op tegen het door de kantonrechter berekende bedrag dat Dexia aan hem moet restitueren. Volgens [appellant] is dit bedrag te laag vastgesteld, omdat de kantonrechter is uitgegaan van foutieve bedragen aan betaalde restschuld. Hij betoogt dat in de berekening van de kantonrechter de bedragen ontbreken die hij bij de beëindiging van de leaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald om de effecten uitgeleverd te krijgen, in totaal een bedrag van € 107.846,27. Verder betoogt hij dat de kantonrechter ten onrechte uit eigen beweging heeft verrekend en komt hij op tegen de wijze van verrekening door de kantonrechter, daarin bestaande dat de kantonrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het bedrag dat [appellant] meer voor de uitlevering van de aandelen aan Dexia heeft betaald dan de aandelen ten tijde van de uitlevering waard waren. [appellant] vordert na vermindering van eis bij akte Dexia te veroordelen tot betaling van primair € 122.406,22 en subsidiair € 48.991,89.

3.9

Het hof stelt voorop dat in hoger beroep vaststaat dat de leaseovereenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd, nu daartegen niet is gegriefd. De kantonrechter heeft vervolgens terecht geoordeeld dat alle bedragen die [appellant] aan Dexia op grond van de leaseovereenkomsten heeft betaald dienen te worden gerestitueerd, verminderd met hetgeen [appellant] op grond van de leaseovereenkomsten van Dexia heeft ontvangen. Immers, door de vernietiging van de leaseovereenkomsten hebben de betalingen van zowel [appellant] als Dexia zonder rechtsgrond, en derhalve onverschuldigd, plaatsgevonden. Dexia heeft (in de akte van 6 november 2013 onder 9) de kantonrechter voor dat geval om verrekening verzocht. In de memorie van grieven onder 2.7 gaat [appellant] daar ten onrechte aan voorbij. Aan de wettelijke eisen voor verrekening is voldaan. Het door [appellant] na de memorie van grieven bij akte gedane beroep op verjaring van het verrekeningsverweer is tardief.

3.10

Dexia heeft zich - kort weergegeven - op het standpunt gesteld dat de door [appellant] te bewijzen verkoopopbrengst van de aan [appellant] uitgeleverde aandelen verrekend moet worden met het door Dexia verschuldigde bedrag, althans dat bij gebreke van dat bewijs de werkelijke verkoopopbrengst geacht moet worden het door Dexia verschuldigde bedrag te overschrijden, zodat niets te betalen resteert. De kennelijk door [appellant] voorgestane methode, waarbij wordt uitgegaan van een ‘fictieve’ restschuld door de waarde van de aandelen ten tijde van het overnemen hiervan te verrekenen met de betaalde hoofdsom, moet volgens Dexia niet worden gevolgd.

3.11

[appellant] heeft zich vervolgens bij akte op het standpunt gesteld dat Dexia moet restitueren datgene dat hij voor de uitlevering van de effecten aan Dexia betaalde en dat hij op zijn beurt aan Dexia moet restitueren de waarde die de effecten op de datum van uitlevering, 18 september 2003, hadden. In totaal gaat het om een bedrag van € 34.431,92 aan betaalde ‘fictieve’ restschuld (de voor de uitgeleverde aandelen betaalde bedragen van in totaal € 107.846,27 verminderd met de waarde van de uitgeleverde aandelen ten tijde van de uitlevering van in totaal € 73.414,35); zie productie 5. Het in de akte onder 6 genoemde bedrag aan ‘fictieve’ restschuld van

€ 39.675,09 berust kennelijk op een rekenfout. [appellant] stelt dat hij niet meer in het bezit van de uitgeleverde aandelen is en dat hij dus niet in staat is om de aandelen terug te geven aan Dexia en dat hij niet weet wanneer en tegen welke prijs hij de aandelen heeft verkocht. De bank kon hem die informatie ook niet meer verschaffen.

3.12

Het hof ziet in de hiervoor weergegeven stellingen van [appellant] geen strijd met de twee conclusie-regel. Zoals ook uit het betoog van Dexia volgt, liggen deze stellingen al besloten in de memorie van grieven en betreft het hier slechts een nadere toelichting en uitwerking. Het bezwaar van Dexia op dat punt wordt dus verworpen.

3.13

Nu [appellant] geen bewijsstukken van de verkoop van de aandelen in het geding heeft gebracht, kan niet op voldoende verifieerbare wijze worden vastgesteld tot welk bedrag Dexia zich op verrekening kan beroepen. Het betreft stukken die zich in het domein van [appellant] bevinden en waartoe Dexia geen toegang heeft. Dexia is geheel afhankelijk van de medewerking van [appellant] . Dat [appellant] niet weet wanneer en tegen welke prijs hij de aandelen heeft verkocht komt voor zijn rekening en risico. Dit leidt ertoe dat de werkelijke verkoopopbrengst geacht moet worden (maximaal) gelijk te zijn aan het door Dexia verschuldigde bedrag zodat na verrekening voor Dexia niets te betalen resteert. Dat betekent dat de grief faalt en de vordering van [appellant] van primair € 122.406,22 (€ 107.846,27 + € 14.758,46 - € 198,49) en subsidiair € 48.991,89 (€ 34.431,92 + € 14.758,46 - € 198,49) moet worden afgewezen en dat het vonnis van de kantonrechter moet worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Dexia begroot op € 683,- aan verschotten en € 894,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2018.