Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2020

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
17/00527
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:1999, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Precarioheffing. Belanghebbende - een nutsbedrijf- heeft gesteld dat haar rechtsvoorgangers akkoord zijn gegaan met een nieuw afgesloten 'Verlegregeling', onder toezegging door de gemeente dat de tot dan toe bestaande vrijstelling van precariobelasting zou worden voortgezet, zoals vastgelegd in een brief van 8 september 2011. Het verwerpt belanghebbendes standpunt dat sprake is van een toezegging. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt door het Hof verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-09-2018
FutD 2018-2457
V-N Vandaag 2018/1955
NTFR 2018/2263 met annotatie van mr. E.D. Postema
V-N 2018/57.22.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 17/00527

12 juni 2018

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. (voorheen: N.V. [X] ), belanghebbende,

gemachtigde: [naam] , bedrijfsjurist in dienst van belanghebbende,

tegen de uitspraak van 12 april 2017 in de zaak met kenmerk UTR 16/5449 van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 maart 2016 aan een rechtsvoorganger van belanghebbende – N.V. [X] – voor het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 een aanslag precariobelasting opgelegd van € 2.319.047,64 (hierna: de aanslag).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 11 november 2016 de aanslag gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij de uitspraak van 12 april 2017 ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is ingekomen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11 mei 2017.

1.5.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het hoger beroep bij beslissing van 10 oktober 2017 voor verdere behandeling verwezen naar Gerechtshof Amsterdam.

1.6.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Belanghebbende heeft met dagtekening 26 maart 2018 een nader stuk ingediend.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2018. Namens belanghebbende is verschenen de gemachtigde. Namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. R.P.M.M. Mols. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld.

“1. Door middel van een juridische fusie is N.V. [X] met ingang van [datum] 2016 opgegaan in de besloten vennootschap [X] B.V., zodat laatstgenoemde vennootschap thans als procespartij wordt aangemerkt.

2.1

Op 19 september 1991 is tussen onder meer de gemeente Amersfoort en de N.V. [Y] een overeenkomst gesloten (het zogenoemde Onderhandelaarsakkoord). In dat akkoord zijn partijen onder meer overeengekomen dat zij zullen bevorderen dat de gemeenten geen vergoedingen, retributies, recognities e.d. voor het hebben c.q. gebruiken van voorwerpen in, op of boven voor openbare dienst bestemd(e) grond en water c.q. hun in eigendom toebehorende grond en water vragen en/of heffen van de [N.V. Y] .

2.2

Op 10 maart 2003 zijn de gemeente Amersfoort , de [N.V. Y] en de naamloze vennootschap N.V. [Z] een zogenoemde precario-overeenkomst aangegaan. In deze overeenkomst zijn partijen onder meer overeengekomen dat de gemeente Amersfoort gedurende een periode van 10 jaar na de leveringsdatum niet zal overgaan tot een precarioverhoging of het opleggen van een nieuwe precario, met uitzondering van precarioverhogingen en/of nieuwe precario die voorgeschreven zijn door de centrale overheid of landelijke op de sector van toepassing worden verklaard.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Hieraan voegt het Hof het volgende toe.

2.3.

Artikel 6, derde lid, van een – blijkens het daarop aangebrachte zegel – in 1968 tussen de gemeente Amersfoort en [nutsbedrijf 1] gesloten overeenkomst, luidt voor zover van belang als volgt:

“3. Ingeval Afnemer zelf de gemeente is binnen welker gebied van [nutsbedrijf 1] afgenomen gas wordt gedistribueerd, zal hij met betrekking tot de in lid 1 bedoelde gastransportleidingen met toebehoren geen heffingen, belastingen, retributies, recognities, legesgelden of andere vergoedingen aan [nutsbedrijf 1] in rekening brengen. (…)”

2.4.

In de overeenkomst tussen de gemeente Amersfoort , N.V. [Y] en N.V. [Z] , van 10 maart 2003 (hierna: de Precario-overeenkomst) is onder meer het volgende vermeld:

“OVERWEGENDE

  • -

    A) alle aandelen in Houdster [Y] worden gehouden door de Gemeente Utrecht , de Provincie Utrecht en de Gemeente Amersfoort ;

  • -

    B) Houdster [Y] houdt 70% van alle aandelen in het kapitaal van N.V. [Y] (…) (hierna: “ [N.V. Y] ”) (de “Aandelen”) (…) en “N.V. Houdstermaatschappij [nutsbedrijf 2] ”, (…) (hierna te noemen “Houdster [nutsbedrijf 2] ”, en tezamen met Houdster [Y] de “Verkopers”) (…) houdt 30% van de Aandelen;

(C) Op 18 december 2002 zijn de Verkopers met de Koper [Hof: N.V. [Z] ] een overeenkomst tot koop en verkoop aangegaan (de “Overeenkomst”) waarbij de Koper alle aandelen in het kapitaal van [Y] heeft gekocht van de Verkopers;

(…)

Artikel 1 Definities

1.1

Begrippen en termen in deze Precario Overeenkomst die met een hoofdletter zijn aangeduid en niet anders zijn gedefinieerd, zullen de betekenis hebben als hieronder omschreven.

(…)

Leveringsdatum: 10 maart 2003

(…)

Vennootschappen [Y] , Dochtermaatschappijen en Stichtingen, zoals

gedefinieerd in de Overeenkomst of hun rechtsopvolgers.

(…)

Artikel 2 Precarioverhoging/Nieuwe Precario

2.1

Gedurende een periode van 10 (tien) jaar na de Leveringsdatum zal de Gemeente Amersfoort niet overgaan tot een Precarioverhoging of het opleggen van een Nieuwe Precario, met uitzondering van Precarioverhogingen en/of Nieuwe Precario die voorgeschreven zijn door de centrale overheid of landelijk op de sector van toepassing worden verklaard.

2.2.

Na afloop van de genoemde periode van 10 (tien) jaar, zal Gemeente Amersfoort gedurende de daarop volgende periode van 10 (tien) jaar niet overgaan tot een Precarioverhoging of het opleggen van een Nieuwe Precario indien en voorzover een dergelijke verhoging niet of niet volledig kan worden doorberekend in de transport- en aansluitingstarieven van één of meer van de Vennootschappen ingevolge een daartoe door de bevoegde autoriteiten genomen besluit, met uitzondering van Precarioverhogingen en/of Nieuwe Precario die voorgeschreven zijn door de centrale overheid of landelijk op de sector van toepassing worden verklaard.

(…).”

2.5.

In een brief van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (hierna: het college) van 8 september 2011 aan [Y] B.V. met als onderwerp “Opzegging bestaande verlegregelingen kabels en leidingen”, is onder meer het volgende vermeld:

“Inmiddels heeft privatisering van de energiemarkt plaatsgevonden. De huidige situatie sluit niet meer aan op de intenties van partijen en op de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.

Wij hebben om die reden gekozen voor de invoering per 1 januari 2012 van een de door ons college vast te stellen Verlegregeling, welke zal gaan gelden in directe aansluiting op de datum van beëindiging van de met u gesloten overeenkomsten.

Wij zeggen de met u gesloten overeenkomsten op met ingang van 1 januari 2012.

Kenmerkend voor het vervangend regime zal nog steeds zijn dat de netwerkbeheerders deze kabels en leidingen kosteloos in gemeentegrond mogen hebben. Verder zal voorzien worden in een nieuwe regeling voor de vergoeding van kosten van verlegging/verplaatsing van kabels en leidingen.”

2.6.

Het college heeft op 31 mei 2011 onder Docs.nr. […] , vragen van een raadslid schriftelijk als volgt beantwoord:

“(…)

Antwoord 2

(…) Naar wij verwachten, zal het gaan heffen van leges bij de nutsbedrijven

niet op bezwaren stuiten. Dit ligt anders bij het jaarlijks heffen van precariobelasting.

Wij overwegen vooralsnog niet om over te gaan tot het heffen van precario voor het liggen

van leidingen in de openbare ruimte. De Tweede Kamer heeft in december 2010 een motie

aangenomen, waarin de regering wordt gevraagd haast te maken met een wetsvoorstel tot

vrijstelling van precariobelasting op netwerken van nutsbedrijven, zodat het wetvoorstel per 1 januari 2012 in werking kan treden. Gepland staat dat de Kamer in mei 2011, na afweging

van de voor- en nadelen van de verschillende opties, door de minister van Binnenlandse

Zaken zal worden geïnformeerd over de verdere invulling van deze motie. Het heeft onze

voorkeur af te wachten, of het invoeren van precariobelasting überhaupt nog een optie is.

(…)

Antwoord 3

Ja, in de met (de rechtsvoorgangers van) [naam bedrijf] en [X] gesloten overeenkomsten is

vastgelegd, dat de gemeente geen leges en precariobelasting zal heffen bij de nutsbedrijven.

De afspraken met deze nutsbedrijven met [naam bedrijf] dateren van 1972, die met [X] van 1982

en 1989. Een voornemen tot invoering van een precariobelasting op ondergrondse

netwerken nutsbedrijven zal naar verwachting stuiten op verzet van de nutsbedrijven, die in

dat geval niet open zullen staan voor voorstellen tot beëindiging van de bestaande

overeenkomsten met wederzijds goedvinden. (…)”

2.7.

In een brief met dagtekening 20 juli 2015, gericht aan ‘ [Y] B.V.’, met als onderwerp: ‘Invoering precario’, is namens de gemeente Amersfoort onder meer het volgende medegedeeld:

“Onlangs heeft de gemeenteraad van Amersfoort besloten tot invoering van de precariobelasting voor ondergrondse infrastructuur van nutsbedrijven. Omdat uw bedrijf mogelijk belastingplichtig zal zijn bij definitieve invoering stel ik u met deze brief in kennis van dat raadsbesluit.

Om u verder te informeren over de invoering en de stand van zaken daarvan zou ik met u graag een afspraak maken. (…)”

2.8.

In een brief met dagtekening 27 augustus 2015, gericht aan ‘ [Y] B.V.’, met als onderwerp: ‘Gegevensverstrekking t.b.v. precario’, is namens de gemeente Amersfoort onder meer het volgende medegedeeld:

“Onlangs heeft de gemeenteraad van Amersfoort besloten tot invoering van de precariobelasting voor ondergrondse infrastructuur van nutsbedrijven. U bent daar bij brief van 20 juli 2015 en door het gesprek met de directie van de gemeente Amersfoort van in kennis gesteld.

Als Inspecteur gemeentelijke belastingen van de gemeente Amersfoort verzoek ik u mij op grond van art. 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (welke ook van toepassing is verklaard op gemeentelijke belastingen) mij de hierna volgende informatie te verstrekken:

  • -

    Het aantal strekkende meters kabels, leidingen en buizen etc. in de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, gelegen binnen de grenzen van de gemeente Amersfoort ;

  • -

    Kopie van eventuele overeenkomsten die van invloed kunnen zijn op de heffing en inning van precariobelasting. (…)”

2.9.

In een brief met dagtekening 29 september 2015, gericht aan ‘ [Y] B.V.’, met als onderwerp: ‘Invoering precariobelasting 2016’, heeft het college onder meer het volgende medegedeeld:

“(…) Op 27 augustus 2015 heeft de inspecteur gemeentelijke belastingen van Amersfoort u een brief overhandigd waarin u wordt gevraagd informatie te verstrekken omtrent het aantal strekkende meters kabels, leidingen, buizen etc. binnen de gemeentegrenzen van Amersfoort Daarnaast werd u verzocht aan te geven of er beletselen zijn die het heffen van precariobelasting in de weg staan. U heeft op deze brief gereageerd op 16 september 2015. In uw brief doet u geen opgaaf van het aantal meters ondergrondse infrastructuur. Wel doet u een beroep op het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel, omdat de gemeente Amersfoort aangegeven zou hebben dat het leggen en liggen om niet zou plaatsvinden.

Uw zienswijze delen wij niet. In de verlegregeling zijn geen bepalingen opgenomen omtrent het al dan niet opleggen van precariobelasting. Nu daarover geen nadere afspraken zijn gemaakt geldt de overeenkomst van maart 2003, waarin is aangegeven dat vanaf 2013 precariobelasting kan worden geheven. De gemeenteraad van Amersfoort heeft besloten van deze mogelijkheid gebruik te maken. De combinatie van aantal strekkende meters en tarief zal in uw situatie moeten leiden tot een aanslag van om en nabij de € 2,3 mln. (…)”

2.10.

Het college heeft op 15 december 2015 onder Docs.nr. […] , vragen van een raadslid schriftelijk als volgt beantwoord:

“(…)

Antwoord 1:

De vaststelling van de Belastingvoorstellen 2016 en de Verordening precariobelasting 2016 zijn een technische uitwerking van de Herstelbegroting die door uw raad op 2 juni 2015 is vastgesteld. In de Herstelbegroting is melding gemaakt van de al 10 jaar lopende discussie over de precariobelasting voor ondergrondse infrastructuur van nutsbedrijven. Het besluit om precariobelasting te heffen was feitelijk genomen, het vaststellen van de verordening was een formele uitwerking daarvan. Tussen het vaststellen van de Herstelbegroting op 2 juni 2015 en de Verordening precariobelasting op 10 november 2015 hebben zich geen nieuwe ontwikkelingen voorgedaan die een ander licht op de besluitvorming rondom de Herstelbegroting hebben laten schijnen.

(…)

Antwoord 2:

Allereerst is onderzoek gedaan naar de juridische haalbaarheid, meer specifiek de liggende overeenkomsten met nutsbedrijven. Deze zijn getoetst op belemmeringen. Daarnaast zijn gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van de diverse nutsbedrijven. En ten slotte is er getoetst aan het bestaande wettelijke kader. Bij geen van deze elementen is geconstateerd dat het heffen van precario niet mogelijk zou zijn.

(…)

Antwoord 4:

Nee. Ten tijde van het opstellen van de Herstelbegroting 2015 is er gesproken over invoering van precarioheffing. Toen was al bekend dat in de Tweede Kamer al 10 jaar over afschaffing wordt gesproken. Over het voorstel om in Amersfoort precario te gaan heffen heeft destijds afstemming plaatsgevonden met de gedeputeerde van de provincie. Hierbij is overeengekomen dat het heffen van precario binnen de huidige wetgeving mogelijk is, maar dat het - gelet op de discussie in Den Haag - verstandig is om een terugvaloptie af te spreken met de raad indien dit zou leiden tot een begrotingstekort. Momenteel kent de meerjarenbegroting een overschot. Over de terugvaloptie staat het volgende in de Herstelbegroting:

Precario zal door de waterleiding- en energiebedrijven (deels) worden doorgezet naar hun klanten in de regio, maar is ook een onzekere factor o.a. wegens enkele nog lopende juridische procedures en de aanstaande wijziging van de landelijke wetgeving t.a.v. het gemeentelijk belastinggebied. Omdat niet uit te sluiten is dat door deze juridische procedures en/of wetgeving de precariomogelijkheden worden beïnvloedt, leggen wij het besluit voor om de post ‘over programmering’ evenveel met OZB te verhogen als de precario moet opbrengen. Dat garandeert ook voor de toezichthouder de financiële soliditeit van onze begroting: precario kent een onzekerheid die de OZB niet heeft.

(…)

Antwoord 6:

Nee. Ons college bestrijdt dat een besluit over het raadsvoorstel op basis van onvolledige informatie is genomen. Zoals aangegeven hebben zich tussen de Herstelbegroting 2015 en de Belastingvoorstellen 2016 geen wijzigingen in de situatie rondom besluitvorming op rijksniveau voorgedaan. De behandeling van de motie in de Tweede Kamer was na de vaststelling van de Belastingvoorstellen 2016 en zal geen invloed hebben op het jaar 2016. De Verordening precariobelasting 2016 is op dit moment dan ook niet in het geding. (…)”

2.11.1.

In de vergadering van de Gemeenteraad van de gemeente Amersfoort gehouden op 10 november 2015 is besloten tot vaststelling van de Verordening precariobelasting 2016, (hierna: de Verordening). In de Verordening is onder meer het volgende vermeld:

“Artikel 1 Voorwerp van belasting, belastbaar feit

Onder de naam precariobelasting wordt ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond een belasting geheven overeenkomstig de navolgende bepalingen.

Artikel 2 Belastingplicht

De belasting wordt geheven van degene die één of meer voorwerpen onder, op of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel ten behoeve van wie de voorwerpen worden aangetroffen.

Artikel 3 Maatstaf van heffing en tarief

De belasting wordt geheven naar het aantal eenheden, bepaald en berekend aan de hand van de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 4 en 5 en van de in de tabel gegeven aanwijzingen.

(…)

Artikel 7 Vrijstellingen

De belasting wordt niet geheven ter zake van:

a. (…)

e. leidingen die bestemd zijn voor het brengen van gas in voor de gemeente opgerichte opvangstations;

(…)

g. (…).

(…)

Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel

1. (…)

2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking

3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.

4. (…)”

2.11.2.

In de Tarieventabel Verordening Precariobelasting 2016 is onder meer het volgende vermeld:

“A. (…)

G. DRADEN, KABELS, BUIZEN, KOKERS enz.

1. Het tarief voor het hebben van:

een draad, kabel, buis, koker of geleiding, bedraagt per meter, per jaar € 1,56

(…)

N. (…)”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals voor de rechtbank is voor het Hof in geschil of de aanslag precariobelasting terecht is opgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende bericht dat zij haar grieven 2 en 3 intrekt en berust in de opvatting dat de Precario-overeenkomst uit 2003 prevaleert boven het Onderhandelaarsakkoord. Dit betekent dat het geschil zich toespitst op de vraag of de heffingsambtenaar met het opleggen van de aanslag het vertrouwensbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.

4
4. Beoordeling van het geschil

Beslissing rechtbank
4.1. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij als volgt overwogen en beslist (belanghebbende is aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’).

“3. Eiseres heeft primair gesteld dat verweerder jegens haar aan de bepalingen van het Onderhandelaarsakkoord is gebonden, waarin een verbod op precarioheffing is opgenomen. Nu deze overeenkomst door de gemeente niet is beëindigd, is verweerder niet bevoegd is om precariobelasting van haar te heffen.

4. In geschil is derhalve of verweerder bevoegd is de onderhavige aanslag op te leggen.

Ingevolge artikel 1 van de Verordening Precariobelasting 2016 van de gemeente Amersfoort (verder: de Verordening) wordt onder de naam precariobelasting een belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond.

5. Gelet op deze Verordening en in aanmerking nemende dat eiseres in de gemeente Amersfoort is aangewezen als netbeheerder, stelt de rechtbank vast dat door verweerder in beginsel van eiseres precariobelasting mag worden geheven.

6. De vraag die vervolgens voorligt is of er sprake is van contractuele afspraken op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat die de heffing van precariobelasting in de weg staan.

7. Eiseres beroept zich in dat verband op het Onderhandelaarsakkoord. Voor zover al moet worden aangenomen dat, los van de gebruikte term ‘bevorderen’, in dat akkoord is overeengekomen dat geen vergoeding, retributies of recognities zullen worden gevorderd en daarmee bedoeld is dat geen precariobelasting zal worden geheven, overweegt de rechtbank als volgt. Met de op 10 maart 2003 tussen de gemeente Amersfoort en de N.V. [Z] gesloten precario-overeenkomst zijn nadere afspraken gemaakt op grond waarvan vanaf maart 2013 precarioheffing (weer) mogelijk is. Voor het betoog van eiseres dat het eerdere Onderhandelaarsakkoord op dit punt onverminderd van kracht zou zijn gebleven, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt. Indien partijen met het sluiten van de precario-overeenkomst niet zouden hebben beoogd het eerdere akkoord op dit punt opzij te zetten, dan was het sluiten van deze precario-overeenkomst volstrekt zinledig. De rechtbank volgt in deze dan ook het oordeel van deze rechtbank van 15 september 2016 in een soortgelijke zaak (UTR 15/228; ECLI:NL:RBMNE:2016:5372). In zoverre slaagt het beroep niet.

8. Eiseres heeft verder aangevoerd dat van de zijde van verweerder toezeggingen zijn gedaan dat hij niet zal overgaan tot invordering van precariobelasting. Eiseres heeft in dat verband met name gewezen op de brief van het college van burgemeester en wethouders van 8 september 2011, gericht aan [Y] B.V., waarin het college naar de mening van eiseres heeft toegezegd dat netwerkbeheerders kabels en leidingen kosteloos in de gemeentegrond mogen hebben. Eiseres heeft tevens gewezen op de schriftelijke beantwoording van raadsvragen door het college op 31 mei 2011. Ook daaruit leidt eiseres af dat verweerder niet zal overgaan tot invordering van precariobelasting. Eiseres beroept zich op het vertrouwensbeginsel.

8.1

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit betoog dat volgens vaste rechtspraak een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts kan slagen, indien een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een belanghebbende uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen heeft gedaan die bij de belanghebbende gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

De rechtbank stelt in dit kader voorop dat de raad ingevolge artikel 216 van de Gemeentewet het orgaan is dat bevoegd is tot het vaststellen van een belastingverordening. Verweerder is ingevolge artikel 231 belast met de heffing.

8.2

De vraag is of met de brief van 8 september 2011 en met de schriftelijke beantwoording van raadsvragen toezeggingen zijn gedaan, op grond waarvan verweerder de hem op grond van de Verordening toekomende bevoegdheid niet zou mogen gebruiken. De rechtbank is van oordeel dat aan de inhoud van de hiervoor genoemde stukken niet de gerechtvaardigde verwachting kan worden ontleend dat verweerder ook na 2013 geen precariobelasting zal gaan innen. Van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van het daartoe bevoegde bestuursorgaan is geen sprake. Het betoog slaagt niet.

9. Eiseres heeft ten slotte nog betoogd dat verweerder discriminatoir en/of in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, nu in artikel 7, aanhef en onder e, van de Verordening is bepaald dat belasting niet wordt geheven ter zake van leidingen die bestemd zijn voor het brengen van gas in voor de gemeente opgerichte ontvangststations.

9.1

Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van gelijke gevallen. De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake is van een gelijk geval. Zoals verweerder heeft toegelicht is met de gasnetbeheerder een contractuele afspraak gemaakt omtrent het brengen van gas in voor de gemeente opgerichte ontvangststations. Aangezien die contractuele afspraak mede een belemmerende bepaling bevat die het heffen van precariobelasting verhindert, is de vrijstelling opgenomen in het hiervoor genoemde artikel 7, aanhef en onder e, van de Verordening van toepassing. Nu met eiseres niet een dergelijke belemmerende overeenkomst is gesloten, kan het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel reeds om die reden niet slagen. Om dezelfde reden kan ook het betoog van eiseres dat verweerder discriminatoir handelt niet slagen.

10. Het voorgaande leidt ertoe dat verweerder op goede gronden een aanslag voor precariobelasting heeft opgelegd. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Standpunt belanghebbende

4.2.1.

Belanghebbendes primaire standpunt luidt dat de aanslag precariobelasting in strijd met het vertrouwensbeginsel aan haar is opgelegd. Zij heeft dit standpunt gebaseerd op een passage in de brief van 8 september 2011 (zie onder 2.4) die als volgt luidt: “Kenmerkend voor het vervangend regime zal nog steeds zijn dat de netwerkbeheerders deze kabels en leidingen kosteloos in gemeentegrond mogen hebben.” Daarmee is volgens belanghebbende aan haar de toezegging gedaan dat ook na invoering van de nieuwe Verlegregeling per 1 januari 2012, géén precariobelasting zal worden geheven; zo verstaat zij althans het begrip ‘kosteloos’. Zij was ook nooit akkoord gegaan met die nieuwe Verlegregeling als dat tevens zou leiden tot heffing van precariobelasting. Steun voor haar standpunt vindt belanghebbende in de onder 2.5 opgenomen antwoorden van het college op vragen van een raadslid over de mogelijkheid tot invoering van een precariobelasting.

4.2.2.

Subsidiair neemt belanghebbende het standpunt in dat met het opleggen van de aanslag het gelijkheidsbeginsel of non-discriminatiebeginsel is geschonden. Daartoe wijst zij op de vrijstelling die is opgenomen in artikel 7, aanhef en onder e, van de Verordening (zie onder 2.11.1). Deze vrijstelling is wel verleend aan [nutsbedrijf 1] , maar niet aan belanghebbende. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de aanslag.

Standpunt heffingsambtenaar

4.3.

De heffingsambtenaar betwist dat aan belanghebbende is toegezegd dat zij ook na invoering van de nieuwe Verlegregeling vrijgesteld blijft van precariobelasting. De inhoud van de brief van 8 september 2011 is niet meer dan een bevestiging van het op dat moment bestaande regime voor belanghebbende. Er waren op dat moment ook geen kosten voor belanghebbende, in ieder geval geen leges, en precariobelasting zou eerst met ingang van 2013 kunnen worden geheven op grond van de Precario-overeenkomst van 2003.

De vrijstelling in artikel 7, aanhef en onder e, van de Verordening is niet meer dan een codificatie van de regeling zoals die met [nutsbedrijf 1] in de jaren 60 van de vorige eeuw is overeengekomen. Die regeling heeft betrekking op de gastransportleidingen van [nutsbedrijf 1] waarmee het gas vanuit het landelijke transportnetwerk van [nutsbedrijf 1] wordt gebracht in voor de gemeente opgerichte opvangstations; na drukverlaging wordt het gas vanuit de ontvangststations verder gebracht naar de aansluitingen in de gemeente. Er is geen sprake van gelijke gevallen, en het gelijkheidsbeginsel is dan ook niet geschonden. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel Hof

4.4.

Op grond van de gedingstukken en hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd stelt het Hof vast dat met ingang van 2012 een nieuwe Verlegregeling is ingevoerd onder opzegging door de gemeente Amersfoort van overeenkomsten voor elektriciteitsvoorziening en gasvoorziening, gesloten met rechtsvoorgangers van belanghebbende. Die nieuwe Verlegregeling bevat geen bepalingen ter zake van – het achterwege laten van – de heffing van precariobelasting. Belanghebbende heeft gesteld dat haar rechtsvoorgangers akkoord zijn gegaan met die Verlegregeling, onder toezegging door de gemeente dat de tot dan toe bestaande vrijstelling van precariobelasting zou worden voortgezet, zoals vastgelegd in de brief van 8 september 2011.

4.5.

Het Hof is anders dan de rechtbank van oordeel dat belanghebbende de bewoordingen van de brief van 8 september 2011 zoals hiervoor in 4.2.1 aangehaald, redelijkerwijs heeft kunnen opvatten als een toezegging van de gemeente Amersfoort inhoudende dat belanghebbende ook onder het vervangend regime, dat wil zeggen onder toepassing van de nieuwe Verlegregeling, kabels en leidingen zonder heffing van precariobelasting in gemeentegrond mag hebben. Het Hof overweegt hierbij dat het door de gemeente gekozen begrip “kosteloos” algemeen is gesteld en daarop geen uitzondering is gemaakt voor de precariobelasting. Anders dan de heffingsambtenaar leest het Hof in die bewoordingen niet dat door de gemeente Amersfoort alleen bedoeld is om een vrijstelling te verlenen van leges, aangezien het niet goed voorstelbaar is dat op reeds in de grond aanwezige kabels en leidingen en anders dan bij verlegging, leges in rekening worden gebracht.

4.6.

Hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen brengt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende aan de brief van 8 september 2011 het in rechte te beschermen vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij niet zal worden aangeslagen met precariobelasting voor haar leidingnet in de gemeentegrond van Amersfoort . Belanghebbende heeft desgevraagd beaamd dat de toezegging door de gemeente weer zou kunnen worden opgezegd, maar dat dit in het onderhavige geval anders is “omdat sprake is van een salamitactiek”. Het Hof verstaat de opmerking van belanghebbende aldus, en onderschrijft die in zoverre, dat – afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval – algemene beginselen van behoorlijk bestuur een rol kunnen spelen bij de beëindiging van in het verleden gewekt vertrouwen (vgl. HR 28 februari 2003, nr. 37122, ECLI:NL:HR:2003:AE6422, BNB 2004/59). Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

4.7.

Vaststaat dat het besluit van de gemeenteraad tot invoering van een precariobelasting aan belanghebbende is meegedeeld bij brief van de gemeente Amersfoort van 20 juli 2015 (zie 2.7), alsmede in een gesprek van 27 augustus 2015 met vertegenwoordigers van belanghebbende. In een brief met dagtekening 27 augustus 2015 (zie 2.8) is namens de gemeente Amersfoort gewezen op genoemd raadsbesluit en is belanghebbende in dat verband verzocht informatie te verstrekken die van belang zou kunnen zijn voor de heffing en inning van precariobelasting. Voorts is in de brief van 29 september 2015 (zie 2.9) van het college aan belanghebbende (onder meer) meegedeeld dat in de verlegregeling geen bepalingen zijn opgenomen omtrent het al dan niet heffen van precariobelasting en dat, nu daar geen nadere afspraken over zijn gemaakt, de overeenkomst geldt van maart 2003, waarin is aangegeven dat vanaf 2013 precariobelasting kan worden geheven en dat de gemeenteraad van Amersfoort besloten heeft van deze mogelijkheid gebruik te maken.

4.8.

Het Hof is van oordeel dat met de hiervoor vermelde brieven uit 2015, de toezegging aan belanghebbende dat zij haar kabels en leidingen kosteloos in de gemeentegrond mocht hebben, is ingetrokken. In aanmerking nemend de dagtekening en inhoud van die brieven en de datum waarop de belastingplicht is ingegaan, te weten 1 januari 2016, heeft de intrekking van de toezegging naar het oordeel van het Hof niet geleid tot een schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Feiten en omstandigheden die op dit punt tot een andere conclusie zouden leiden zijn niet aannemelijk geworden; ook niet op grond van het op 15 december 2015 door het college van burgemeester en wethouders gegeven antwoord op vragen uit de raad waarnaar belanghebbende heeft verwezen (zie onder 2.10). In dat antwoord is weliswaar gerefereerd aan de omstandigheid “dat in de Tweede Kamer al 10 jaar over afschaffing wordt gesproken” en dat “gelet de discussie in Den Haag” aan een terugvaloptie is gedacht, maar daarin valt niet te lezen dat de aangekondigde invoering van de heffing van precariobelasting – met ingang van 2016 – geen doorgang zou kunnen vinden.

4.9.

Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat vertegenwoordigers van haar rechtsvoorganger die bij de totstandkoming van de nieuwe Verlegregeling betrokken zijn geweest, niet op de hoogte waren van de Precario-overeenkomst uit 2003. Zij waren daardoor onvoldoende in staat om de consequenties van hun handelingen – er in bestaande dat zij akkoord gingen met invoering van een nieuwe Verlegregeling per 1 januari 2012 – te overzien. Dat die vertegenwoordigers niet voldoende geïnformeerd waren, dient naar het oordeel van het Hof voor rekening van belanghebbende te blijven. Het behoorde tot de verantwoordelijkheid van de partijen betrokken bij de totstandkoming van de nieuwe Verlegregeling om ervoor te zorgen daarbij voldoende geïnformeerd te zijn over eerder gemaakte afspraken, tenzij op dat punt uitdrukkelijk een voorbehoud zou zijn gemaakt. Van dat laatste is echter niet gebleken. Omstandigheden op grond waarvan de gemeente destijds zou zijn gehouden om belanghebbendes rechtsvoorganger bij de onderhandelingen over de nieuwe Verlegregeling te attenderen op de in 2003 gesloten Precario-overeenkomst zijn niet aannemelijk geworden. Het voorgaande leidt het Hof tot het oordeel dat het primaire standpunt van belanghebbende faalt.

4.10.

Subsidiair heeft belanghebbende zich beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel ofwel het non-discriminatieverbod. Zij doet haar beroep steunen op de omstandigheid dat zij evenals [nutsbedrijf 1] leidingen voor het transport van gas in het grondgebied van de gemeente Amersfoort heeft liggen, terwijl zij anders dan [nutsbedrijf 1] niet van precariobelasting is vrijgesteld. Zij onderschrijft weliswaar dat reeds in de jaren 60 van de vorige eeuw in een overeenkomst tussen de gemeente Amersfoort en [nutsbedrijf 1] aan laatstgenoemde een vrijstelling was verleend, maar acht het onthouden van een dergelijke vrijstelling aan haar in strijd met het gelijkheidsbeginsel of non-discriminatiebeginsel. Ook jegens haar zou de gemeente in een overeenkomst kunnen afwijken van de Verordening.

4.11.1.

Het Hof overweegt dat op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel e, van de Verordening (zie 2.11.1) ter zake van leidingen die bestemd zijn voor het brengen van gas in voor de gemeente opgerichte opvangstations, geen precariobelasting wordt geheven. De heffingsambtenaar heeft verklaard en het Hof acht aannemelijk, dat de reden om deze vrijstellingsbepaling in de Verordening op te nemen is gelegen in de behoefte aan codificatie van de vrijstelling die is opgenomen in artikel 6, derde lid, van de met [nutsbedrijf 1] in de jaren 60 van de vorige eeuw gesloten overeenkomst (zie 2.3).

4.11.2.

Het Hof stelt voorts vast dat gegeven de bewoordingen van artikel 7, aanhef en onderdeel e, van de Verordening, de daarin opgenomen vrijstelling niet van toepassing kan zijn op belanghebbende, aangezien met het leidingennet van belanghebbende geen gas (van hoge druk) wordt geleverd aan opvangstations. In dat opzicht is tussen belanghebbende en [nutsbedrijf 1] dan ook geen sprake van gelijke gevallen die door de heffingsambtenaar ongelijk behandeld worden. Ook overigens is het Hof niet gebleken dat de heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Belanghebbende kan ook niet zoals [nutsbedrijf 1] terugvallen op een vrijstelling van precariobelasting vastgelegd in een overeenkomst met de gemeente Amersfoort . De rechtbank heeft dit eveneens terecht aan haar oordeel ten grondslag gelegd.

4.11.3.

Op voormelde gronden faalt derhalve ook het subsidiaire standpunt van belanghebbende.

Slotsom

4.12.

De slotsom luidt dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

5
5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6
6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.


De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en R.C.H.M. Lips, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen als griffier. De beslissing is op 12 juni 2018 in het openbaar uitgesproken.


Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.