Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2006

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2018
Datum publicatie
26-06-2018
Zaaknummer
23-004280-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewezenverklaring bedreiging met zware mishandeling, verwerping gevoerd verweer met betrekking tot 'redelijke vrees'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004280-17

datum uitspraak: 31 mei 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 13 november 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-107993-17 (hierna: zaak A) en 13-086325-17 (hierna: zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 maart 2018 en 31 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

Zaak B:


1:
hij op of omstreeks 3 augustus 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal met kracht vast te pakken/grijpen en/of te duwen tegen een muur en/of die [slachtoffer] tegen die muur vast te houden;

2:
hij op of omstreeks 03 augustus 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "ik kom met een hele groep en we maken je dood" en/of "ik ga je kankerhard klappen. Je gaat zien, let op, ik kom met [naam 1] en kankerveel gappies", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3:
hij op of omstreeks 31 augustus 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (via whatsapp) dreigend de woorden toegevoegd: - "Maare [naam 2] word binnekort weer is fftjes op ze plek gezet" en/of - "jij kent mij niet, je kent mijn connecties niet, zag hem vandaag nog op ROC" en/of - "je vriendje is zogenaamd bodybuilder ik sloop zijn kankermoer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt voor het duwen van de aangever tegen de piramide, de ‘muur’ waarover in de tenlastelegging gesproken wordt. Geen van de getuigen verklaart over deze handeling en ook op de stills van de beelden kan een dergelijke handeling niet worden waargenomen. De aangever heeft verklaard dat hij door deze handeling pijn heeft ondervonden. Nu het hof het tenlastegelegde duwen tegen de piramide niet bewezen acht en ook overigens niet is gebleken dat de aangever pijn en/of letsel heeft ondervonden door toedoen van de verdachte, moet de verdachte worden vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling.

Bespreking gevoerde verweren

Ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft zich aan de hand van een pleitnotitie op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging, omdat geen sprake is geweest van een situatie waarin de redelijke vrees bij de aangever kon ontstaan dat tegen hem een misdrijf zou worden gepleegd.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling, is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

Uit de stukken kan worden opgemaakt dat tussen de verdachte en de aangever sprake was van een conflict met een lange voorgeschiedenis. De aangever is op 3 augustus 2016 door de verdachte en een andere jongen aan zijn jas meegetrokken. De verdachte heeft verklaard dat hij de aangever op dat moment bij zijn kraag heeft vastgepakt en heen en weer heeft geschud. De verdachte heeft onderwijl tegen de aangever gezegd: ‘Ik ga je kankerhard klappen’ en ‘Je gaat het zien, let op, ik kom met [naam 1] en kankerveel gappies.’ De aangever heeft verklaard dat hij op dat moment bang was en dat hij wilde dat ze hem met rust lieten.

Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de bewoordingen, die naar hun aard bedreigend zijn, onder zodanige omstandigheden zijn geuit, dat bij de aangever ook in objectieve zin de redelijke vrees kon ontstaan dat deze bedreiging zou worden waargemaakt en hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. In zoverre wordt het verweer verworpen.

Het hof is het evenwel met de raadsman eens dat, gelet op de bewezen verklaarde bewoordingen en de omstandigheden waaronder deze zijn geuit, bij de aangever niet de redelijke vrees heeft kunnen ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Het hof zal de verdachte van dit deel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken.

Ten aanzien van feit 3

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 3 ten laste gelegde bedreiging, omdat geen sprake is geweest van een situatie waarin bij de aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat tegen hem een misdrijf zou worden gepleegd. De geuite bewoordingen kunnen meerdere betekenissen hebben en zijn niets meer dan feitelijke constateringen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt vast dat de verdachte Whatsapp berichten aan de (toenmalige) vriendin van de aangever, [naam 3], heeft gestuurd en dat zij die op 31 augustus 2016 heeft ontvangen. Die berichten hebben vervolgens ook de aangever bereikt en hij heeft verklaard vanwege deze berichten nog banger te zijn geworden voor de verdachte en bang te zijn dat hij zal worden aangevallen. De berichten houden onder meer in:

- "Maare [naam 2] word binnekort weer is fftjes op ze plek gezet" en

- "jij kent mij niet, je kent mijn connecties niet, zag hem vandaag nog op ROC" en

- "je vriendje is zogenaamd bodybuilder ik sloop zijn kkr moer (het hof begrijpt – mede gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting – kankermoer)".

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een bedreiging neemt het hof in ogenschouw de context waarin die berichten zijn verstuurd. Tot die context behoren het eerder beschreven incident op 3 augustus 2016, de onder 2 bewezen verklaarde bedreiging en voornoemd langer spelend conflict tussen onder anderen de verdachte en de aangever. Gelet op die context en gelet op de aard van de bewoordingen, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat bij de aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat deze bedreiging zou worden waargemaakt en hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. In zoverre wordt het verweer verworpen.

Het hof is evenwel ook bij dit ten laste gelegde feit met de raadsman eens dat, gelet op de bewezen verklaarde bewoordingen en de omstandigheden waaronder deze zijn geuit, bij de aangever niet de redelijke vrees heeft kunnen ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Het hof zal de verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak B

2:
hij op 3 augustus 2016 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "ik ga je kankerhard klappen. Je gaat zien, let op, ik kom met [naam 1] en kankerveel gappies".

3:
hij op 31 augustus 2016 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (via whatsapp) dreigend de woorden toegevoegd:

- " Maare [naam 2] word binnekort weer is fftjes op ze plek gezet" en

- " jij kent mij niet, je kent mijn connecties niet, zag hem vandaag nog op ROC" en

- " je vriendje is zogenaamd bodybuilder ik sloop zijn kankermoer".

Hetgeen onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 en 3 bewezen verklaarde levert op:

telkens:

bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak B onder 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich tot tweemaal toe schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling. Het slachtoffer van deze bedreigingen heeft als gevolg hiervan angstige momenten meegemaakt en zijn gevoel van veiligheid is hierdoor aangetast. Dat het handelen van de verdachte grote impact heeft gehad op het slachtoffer, blijkt ook uit de toelichting bij de vordering die het slachtoffer als benadeelde partij heeft ingediend. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 mei 2018 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.

Het hof acht in beginsel, mede gelet op de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, een onvoorwaardelijke werkstraf passend en geboden.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze blijken uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 25 mei 2018, welk rapport ter terechtzitting in hoger beroep is toegelicht door [naam 4] van de Raad en uit hetgeen daarover door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht. Mevrouw [naam 4] heeft aangegeven dat in geval van een geheel voorwaardelijke werkstraf – anders dan in geval een onvoorwaardelijke werkstraf wordt opgelegd – de verdachte waarschijnlijk alsnog zijn opleiding kan hervatten. De verdachte is van zijn cannabis-verslaving af, werkt fulltime en is zeer gemotiveerd om weer met de opleiding te beginnen die hij heeft moeten staken als gevolg van de onderhavige strafzaak.

Gelet op de positieve draai die de verdachte lijkt te hebben gegeven aan zijn leven en de omstandigheid dat het gaat om feiten van bijna twee jaar geleden acht het hof een geheel voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 826,10, bestaande uit € 26,10 ter zake van materiële schade en

€ 800,- ter zake van immateriële schade, plus de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,- ter zake van immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit de stukken kan worden afgeleid dat een complex van feiten, waarvan de bewezen verklaarde feiten een onderdeel vormen, heeft geleid tot de problemen die de benadeelde partij heeft ervaren en thans ervaart. De gevorderde materiële schade ad € 26,10 ziet op de aanschaf van Oxazepam op 5 april 2017. Gelet op de aanschafdatum van de Oxazepam in relatie tot de pleegdatum van de bewezenverklaarde feiten en het gegeven dat de bewezenverklaarde feiten een onderdeel vormden van een groter complex waarbij ook anderen dan de verdachte een rol hebben gespeeld is het hof van mening dat niet is gebleken van een rechtstreekse schade voor zover het de post oxazepam betreft.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof echter voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, welke schade het hof vaststelt op na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en voor het overige zal worden afgewezen.

.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 augustus 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. P.F.E. Geerlings en mr. T. de Bont, in tegenwoordigheid van mr. S.M. van Zanten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 mei 2018.

mr. T. de Bont en de griffier zijn buiten staat het arrest te ondertekenen.