Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1980

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-04-2018
Datum publicatie
25-06-2018
Zaaknummer
23-002711-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling valsheid in geschrift. Bevestiging vonnis met uitzondering van de strafoplegging en -motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002711-17

datum uitspraak: 6 april 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-872229-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

23 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de motivering daarvan - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat in de aanvulling van het strafvonnis d.d. 28 november 2017 de navolgende aanpassing van bewijsmiddel 3 wordt doorgevoerd:

- aan het vetgedrukte kopje van het bewijsmiddel wordt na de woorden “afgelegde verklaring (doorgenummerde pagina 17-22)” toegevoegd de zinsnede: “, in samenhang gelezen met de op 18 maart 2011 door aangever [naam] ten overstaan van de verbalisant afgelegde aanvullende verklaring (pagina 23-24)

- het in de laatste zin van bewijsmiddel 3 genoemde bedrag van € 67.523,20 wordt vervangen door een bedrag van € 96.721,07.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Zij heeft gedurende een periode van ruim een jaar de betalingsgegevens in de geautomatiseerde systemen van het bedrijf waarvoor zij werkzaam was, gemanipuleerd door in de systemen de bankrekeningnummers van crediteuren te vervangen door haar eigen bankrekeningnummer. Hierdoor werden de betalingen die waren bedoeld voor de crediteuren op haar eigen bankrekening gestort. De verdachte heeft door aldus te handelen het bedrijf waarvoor zij werkte ernstig benadeeld. De verdachte heeft namelijk door het manipuleren van de betalingsgegevens meer dan € 180.000 naar zichzelf laten overmaken, wat tot gevolg heeft gehad dat het bedrijf bijna failliet is gegaan. Hierdoor dreigden ook de collega’s van de verdachte en hun gezinnen de dupe te worden. De verdachte heeft voor deze gevolgen haar ogen gesloten en heeft kennelijk alleen maar gedacht aan haar eigen wraakgevoelens en financiële gewin. De verdachte heeft het geld volledig uitgegeven en heeft, naar eigen zeggen, geleefd als ‘God in Frankrijk’. Het hof rekent de verdachte dit zwaar aan.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de strafmatigende factoren, zoals de omstandigheid dat sinds het feit en de berechting geruime tijd is verstreken en het feit dat de verdachte uit zichzelf vanaf het begin openheid van zaken heeft gegeven. Hoewel het hof met de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, omdat de redelijke termijn is aangevangen op 6 december 2016 en derhalve tussen dat moment en de berechting in eerste aanleg en in hoger beroep nog geen twee jaren zijn verstreken, acht het hof enige matiging op zijn plaats, nu de feiten dateren uit 2009 en 2010. Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij momenteel werkt via een uitzendbureau en dat zij bericht heeft gekregen dat zij per 1 april 2018 een vaste aanstelling krijgt. De verdachte wil deze financiële zekerheid aanwenden om maandelijks een deel van de schuld aan de benadeelde partij af te lossen.

Het hof is, alles afwegende, met de rechtbank van oordeel dat gelet op de ernst van het feit en de hoogte van het benadelingsbedrag, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur op zijn plaats is. In de hiervoor genoemde strafmatigende factoren ziet het hof echter aanleiding om af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof hecht hierbij met name waarde aan het belang dat de benadeelde partij heeft bij voldoening van zijn vordering op de verdachte.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 maart 2018 is zij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. N.A. Schimmel en mr. A.P.M. van Rijn, in tegenwoordigheid van

mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

6 april 2018.

De jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]