Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1952

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
200.230.535/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wwz. Uitleg van een bepaling in de arbeidsovereenkomst met betrekking tot de vraag of de arbeidsovereenkomst al dan niet van rechtswege is geëindigd. Het hof is van oordeel dat de duur van het dienstverband is gekoppeld aan de duur van het desbetreffende project. Verder wordt geoordeeld dat werkgever ernstig verwijtbaar jegens werkneemster heeft gehandeld. Werkneemster was arbeidsongeschikt. Advies aan werkneemster zich niet ziek te melden. Aan verzoek om inschakeling van de bedrijfsarts is geen gehoor gegeven. Werkgever heeft een onduidelijke constructie gecreëerd. Aan werkneemster wordt een billijke vergoeding toegekend.

Art. 7:671b lid 8 sub c BW

Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:823.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2018/196
AR-Updates.nl 2018-0839
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.230.535/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 6097866 EA VERZ 17-580

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 juni 2018

inzake

LAWW INTERIM B.V.,

gevestigd te Den Haag,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.B.M. Swart te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. S.R. Nahar te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Laww en [geïntimeerde] genoemd.

Laww is bij beroepschrift tevens houdende een incident ex artikel 351 Rv met bijlagen, ontvangen ter griffie van het hof op 2 januari 2018, onder aanvoering van zes grieven en aanbieding van bewijs in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaaknummer, op 3 oktober 2017 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt, zakelijk weergegeven, ertoe dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in het incident

de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking zal schorsen, primair de gehele veroordeling, subsidiair wat betreft de veroordeling van Laww tot betaling van een billijke vergoeding van € 15.000,- bruto ex artikel 7:671b lid 8 onder c BW, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente voor zover [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na de te wijzen beschikking tot vergoeding van de proceskosten zal zijn overgegaan, en met veroordeling van [geïntimeerde] in de nakosten;

in de hoofdzaak

i. de genoemde beschikking (gedeeltelijk) zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

ii. primair de verzoeken van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, een en ander aangezien de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd;

iii. subsidiair, voor het geval dat de arbeidsovereenkomst per 1 december 2017 krachtens ontbinding door de kantonrechter tot een einde is gekomen, de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover daarbij een billijke vergoeding aan [geïntimeerde] is toegekend en zal bepalen dat Laww geen billijke vergoeding is verschuldigd dan wel, voor zover zal worden geoordeeld dat Laww een billijke vergoeding is verschuldigd, een billijke vergoeding zal toekennen voor een lager bedrag dan de toegekende vergoeding van € 15.000,- bruto;

iv. [geïntimeerde] zal veroordelen tot restitutie van al hetgeen Laww op grond van de bestreden beschikking reeds aan [geïntimeerde] heeft voldaan en tot aan de datum van de te wijzen beschikking nog zal voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van (deel)betaling van enig gedeelte van de bestreden beschikking tot aan het moment van algehele voldoening;

v. [geïntimeerde] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente voor zover [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na de te wijzen beschikking tot vergoeding van de proceskosten zal zijn overgegaan.

Op 26 februari 2018 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep tevens incidenteel appel houdende vermeerdering van het verzoek met bijlagen van [geïntimeerde] ingekomen, inhoudende het verzoek aan [geïntimeerde] een billijke vergoeding van

€ 61.056,- bruto dan wel € 43.545,60 bruto toe te kennen en de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen dan wel de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, met veroordeling van Laww in de proceskosten, waaronder de nakosten.

Bij fax van 27 februari 2018 is van [geïntimeerde] een verzoek tot verbetering van het incidenteel appel houdende vermeerdering van het verzoek ontvangen. De verzochte billijke vergoeding dient volgens [geïntimeerde] € 75.110,40 bruto (in plaats van € 61.056,- bruto) dan wel € 43.430,40 bruto (in plaats van € 43.545,60 bruto) te bedragen.

Bij beschikking van 6 maart 2018 heeft het hof het incidenteel verzoek van Laww, strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de bestreden beschikking, afgewezen. De beslissing met betrekking tot de proceskosten is aangehouden tot de eindbeschikking in de hoofdzaak.

Op 4 april 2018 is van Laww een verweerschrift in het incidenteel appel ontvangen, strekkende tot afwijzing van de verzoeken van [geïntimeerde] met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, waaronder de nakosten.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 25 april 2018. Bij die gelegenheid heeft namens Laww mr. Swart voornoemd het woord gevoerd en namens [geïntimeerde] mr. J.L.W. Nillessen, advocaat te Amsterdam. Daarbij hebben beide advocaten zich bediend van aan het hof overgelegde aantekeningen. Namens Laww zijn verschenen [Y] (directeur), verder: [Y] , en [X] (HR-manager), verder: [X] . [geïntimeerde] is eveneens verschenen. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1.1. tot en met 1.11. een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. In deze zaak gaat het om het volgende.

2.1.

[geïntimeerde] , geboren [in] 1972, is op 11 januari 2017 in dienst getreden bij Laww in de functie van secretaresse voor 36 uur per week met een salaris van

€ 3.200,00 bruto, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.2.

Een e-mail van 2 januari 2017 van [Y] aan [geïntimeerde] luidt als volgt:

Hoi […] ,

Hierbij ook meteen de bevestiging van de afspraken wat wij hebben besproken mocht je starten bij het UWV;

  • -

    Een bruto maandsalaris van €3200 o.b.v. 36 uur per week;

  • -

    Reiskosten vergoeding

  • -

    Een projectdienstverband zolang het project duurt met 1 maandopzegtermijn voor beide partijen;

Tot morgen 11.45 op Amsterdam-Sloterdijk / Starbucks!

Fijne avond nog!

2.3.

In de tussen partijen op 9 januari 2017 gesloten arbeidsovereenkomst staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…)

1.2.

De part-time dienstbetrekking (36 uur per week) wordt aangegaan voor bepaalde tijd voor het project Secretaresse bij werkgever UWV via Conclusion Implementation en eindigt van rechtswege als het project bij UWV eindigt, zonder dat hiervoor enige opzegging noodzakelijk is.

1.3.

Op deze arbeidsovereenkomst is een wettelijke opzegtermijn van één kalendermaand van toepassing. Opzegging dient te geschieden schriftelijk en tegen het einde van de maand.

(…)

9.1.

In geval van ziekte wordt met ingang van de derde week de ziekte 70% van het salaris en vakantietoeslag als bedoeld in artikel 5 door de Werkgever betaald gedurende de periode van maximaal 104 weken, gerekend vanaf de eerste dag van ziekte. (…)”

2.4.

Tussen Conclusion Implementation B.V. (verder: Conclusion) en Laww is een detacheringsovereenkomst tot stand gekomen, waarin staat dat Laww [geïntimeerde] ter beschikking stelt om tijdelijk werkzaamheden voor de opdrachtgever van Conclusion, het UWV, te verrichten. Overeengekomen is dat de overeenkomst van rechtswege eindigt op 1 januari 2018 en dat bij voortijdige beëindiging van de overeenkomst van opdracht door het UWV de detacheringsovereenkomst tussentijds van rechtswege zal eindigen.

2.5.

Conclusion en het UWV hebben een overeenkomst van dienstverlening gesloten waarbij [geïntimeerde] door Conclusion aan het UWV ter beschikking werd gesteld in de functie van Projectsecretaris OPP. Overeengekomen is dat de overeenkomst van rechtswege eindigt op 1 januari 2018 en dat het UWV het recht heeft (gehad) gedurende de looptijd de overeenkomst tussentijds te beëindigen al dan niet met inachtneming van een opzegtermijn van vier weken.

2.6.

[geïntimeerde] heeft zich op of omstreeks 20 april 2017 ziek gemeld bij het UWV.

2.7.

Een e-mail van 20 april 2017 van [A] (hierna: [A] ), werkzaam bij het UWV, aan [geïntimeerde] luidt als volgt:

Hoi […] ,

Ik zou het heel erg op prijs stellen als je er volgende week bent om af te ronden en over te dragen. Ik hoop dat je wat rust vind de komende dagen en zie je graag maandag!

2.8.

Hierop heeft [geïntimeerde] bij e-mail van 23 april 2017 het volgende geantwoord:

Vorige week heb ik met Conclusion en met jou afgesproken dat ik er deze week nog ben om af te ronden en over te dragen. Ik wil wel van te voren aangeven dat ik er niet hele dagen kan zijn. De huisarts heeft mij nadrukkelijk aangeraden om het heel rustig aan te doen omdat ik tegen een burn-out aan zit en erger wil voorkomen.

2.9.

Op 25 april 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] , [X] en [Y] . [geïntimeerde] heeft zich tijdens dit gesprek ziek gemeld.

2.10.

In een e-mail van 1 mei 2017 van [A] aan [B] (verder: [B] ), manager OPP bij het UWV, staat het volgende:

Hoi […] ,

Volgens mij is er geen sprake van een opzegtermijn. […] heeft vorige week maandag 24 januari (het hof begrijpt: 24 april) zelf aangegeven niet meer terug te komen.”

2.11.

In een e-mail van 2 mei 2017 aan [geïntimeerde] schrijft Laww het volgende:

Hoi […] ,

Hiermee bevestigen wij dat opdrachtgever Conclusion/UWV de opdracht heeft beëindigd per 25 april 2017 zoals we op deze datum met jou hebben besproken. Dit betekent dat het projectdienstverband met Laww Interim ook per die datum is beëindigd zoals overeengekomen in het contract.

2.12.

Bij brief van 18 mei 2017 heeft mr. Nahar voornoemd namens [geïntimeerde] aan Laww geschreven, kort gezegd, dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege was geëindigd omdat [geïntimeerde] via [B] had vernomen dat het project waarvoor zij was aangenomen niet was geëindigd en verder dat om die reden [geïntimeerde] met terugwerkende kracht haar loon vorderde. Laww werd verzocht stukken over te leggen waaruit zou blijken dat het project daadwerkelijk was beëindigd.

2.13.

Bij e-mail van 1 juni 2017 heeft [X] aan mr. Nahar meegedeeld dat Laww de schriftelijke bevestiging van Conclusion had ontvangen inzake het stopzetten van het project. Een bijgevoegde e-mail van 1 juni 2017 van Conclusion aan [Y] luidt als volgt:

[…] ,

Voor de afwikkeling na de afloop van de opdracht van […] had ik een gesprek gevolgd door een korte samenvattende mail.

[C] is als Programmaondersteuner bij de IV transitie begonnen.

De opdracht van […] is in overleg tussen UWV/ […] en mij per de 25ste april beëindigd. Haar werkzaamheden zijn intern (middels een mw van OPP) overgenomen.

2.14.

Hierop heeft mr. Nahar bij brief van 9 juni 2017 aan Laww laten weten dat [geïntimeerde] zich nog immer op het standpunt stelde dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege was geëindigd, omdat niet het project bij het UWV maar de opdracht tussen UWV/Conclusion en Laww was geëindigd, waarmee volgens [geïntimeerde] niet was voldaan aan het bepaalde in artikel 1.2 van de arbeidsovereenkomst.

2.15.

[geïntimeerde] heeft een Ziektewetuitkering aangevraagd en per 26 april 2017 toegekend gekregen. [geïntimeerde] is nog steeds (deels) arbeidsongeschikt.

3 Beoordeling

In de hoofdzaak

3.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg verzocht - samengevat weergegeven - om:

a. een verklaring voor recht dat niet vaststaat dat het project Secretaresse, dan wel het project Secretaris bij het project IV-Transitie, is beëindigd, althans niet op 25 april 2017, zodat de voorwaarde als overeengekomen in artikel 1.2. van de arbeidsovereenkomst niet is ingetreden en de arbeidsovereenkomst om die reden niet van rechtswege is geëindigd;

b. indien het project niet is geëindigd en zou komen vast te staan dat [geïntimeerde] heeft ingestemd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, het ontslag te vernietigen vanwege misbruik van omstandigheden;

Laww te veroordelen om:

c. [geïntimeerde] , indien zij niet zal zijn hersteld, binnen twee dagen na betekening van de beschikking, op te laten roepen door de bedrijfsarts op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

d. [geïntimeerde] , indien zij wel zal zijn hersteld, binnen twee dagen na betekening van de beschikking, te werk te stellen in haar oude functie op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

e. aan [geïntimeerde] het maandloon van € 3.200,00 bruto conform art. 9.1 van de arbeidsovereenkomst te betalen, te vermeerderen met emolumenten, vanaf 25 april 2017 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

f. aan [geïntimeerde] te betalen de wettelijke verhoging van 50% over genoemde bedragen ex art. 7:625 BW;

g. aan [geïntimeerde] te betalen de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot de dag van algehele voldoening;

h. aan [geïntimeerde] schriftelijke en deugdelijke bruto/netto-specificaties te verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 voor elke dag na betekening van deze beschikking dat Laww hiermee nalatig zal zijn,

alles met veroordeling van Laww in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking.

3.2.

Laww heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [geïntimeerde] . Voor het geval dat zou worden geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet rechtsgeldig tot een einde is gekomen, heeft Laww verzocht de arbeidsovereenkomst dadelijk dan wel op de eerst mogelijke datum te ontbinden wegens omstandigheden die zodanig zijn dat van Laww in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (de zogenoemde h-grond). Dit met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente voor zover de proceskosten niet binnen veertien dagen na de te wijzen beschikking zullen zijn voldaan, alsook in de nakosten.

3.3.

Voor het geval het verzoek tot ontbinding zou worden toegewezen, heeft [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op een billijke vergoeding van € 15.000,00 bruto vanwege ernstig verwijtbaar handelen door Laww.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst niet op grond van wederzijdse instemming is beëindigd en evenmin van rechtswege tot een einde is gekomen. De verzoeken van [geïntimeerde] zijn toegewezen. Op het tegenverzoek van Laww heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 december 2017. Verder heeft de kantonrechter aan [geïntimeerde] een billijke vergoeding van € 15.000,00 bruto toegekend vanwege ernstig verwijtbaar handelen door Laww. Ten slotte is Laww veroordeeld in de proceskosten, waaronder de nakosten. Een en ander is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.5.

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Laww met zes grieven op. De grieven I tot en met V hebben in de kern betrekking op de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen al dan niet per

25 april 2017 tot een einde is gekomen. Deze grieven zullen hierna gezamenlijk worden behandeld.

3.6.

Ter zitting in hoger beroep heeft Laww desgevraagd verklaard dat zij zich niet (meer) op het standpunt stelt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen kwalificeert als een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 BW en verder dat een uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691 lid 2 BW niet aan de orde is. Laww heeft betoogd dat bij de uitleg van artikel 1.2. van de arbeidsovereenkomst de feitelijke omstandigheden, met name de gekozen constructie van inlening en doorlening in samenhang met de onderliggende contractuele afspraken tussen de verschillende partijen (het UWV, Conclusion en Laww), in ogenschouw moeten worden genomen. Volgens Laww past de gekozen constructie binnen de uitzendovereenkomst van artikel 7:690 BW en heeft de terbeschikkingstelling van [geïntimeerde] als gezichtspunt te gelden bij de uitleg van het in artikel 1.2. van de arbeidsovereenkomst genoemde project Secretaresse. Onder dit project dient dan ook te worden verstaan: de inlening van een persoon als secretaresse voor het veelomvattender project IV-transitie. Het project dient dus eng te worden uitgelegd. Doordat de inlening van [geïntimeerde] stopte en de functie van [geïntimeerde] intern door het UWV werd ingevuld, is het project ten einde gekomen, aldus nog steeds Laww.

3.7.

Thans ligt de vraag voor hoe artikel 1.2. van de arbeidsovereenkomst dient te worden uitgelegd. Bij de beantwoording van deze vraag komt het, mede gelet op de uitlatingen over en weer, aan op de zin die Laww en [geïntimeerde] aan artikel 1.2. van de arbeidsovereenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf).

3.8.

Voorafgaand aan de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst heeft [Y] in een e-mail van 2 januari 2017 (zie onder 2.2.) aan [geïntimeerde] geschreven dat het zou gaan om een ‘projectdienstverband zolang het project duurt met een maand opzegtermijn voor beide partijen’. Een en ander is vervolgens in de arbeidsovereenkomst vastgelegd. Gesteld noch gebleken is dat Laww vóór, ten tijde van of ná het aangaan van de arbeidsovereenkomst aan [geïntimeerde] (schriftelijk) kenbaar heeft gemaakt dat onder de duur van het project diende te worden verstaan de periode gedurende welke [geïntimeerde] in dat kader werkzaamheden voor het UWV zou verrichten dan wel de periode gedurende welke de opdracht van UWV tot inlening van een secretaresse voor het project zou blijven bestaan. Ook als wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van Laww dat haar toentertijd voor ogen heeft gestaan dat met het eindigen van de opdracht van het UWV/Conclusion ook de arbeidsovereenkomst tussen Laww en [geïntimeerde] tot een einde zou komen, is dat onvoldoende om aan te nemen dat Laww en [geïntimeerde] dat daadwerkelijk zijn overeengekomen. Door [geïntimeerde] wordt dat immers betwist. Laww heeft verder aangevoerd dat tussen het UWV en Conclusion en tussen Conclusion en Laww andere afspraken over de duur van de door [geïntimeerde] te verrichten werkzaamheden zijn gemaakt en dat Laww geen invloed had op het al dan niet eindigen van de opdracht van het UWV en daarmee het eindigen van de werkzaamheden van [geïntimeerde] . Wat hiervan ook zij, deze omstandigheden kunnen niet tot een ander oordeel leiden omdat die afspraken los staan van de rechtsverhouding tussen Laww en [geïntimeerde] . Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] erop mocht vertrouwen dat de duur van het dienstverband was gekoppeld aan de duur van het project Secretaresse bij het UWV. Vast staat dat de secretariaatswerkzaamheden van [geïntimeerde] voor het UWV in het kader van het project Secretaresse na de ziekmelding van [geïntimeerde] intern zijn overgenomen door een medewerker van het UWV. Op dat moment was het project dus nog niet ten einde. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het dienstverband van [geïntimeerde] niet van rechtswege op 25 april 2017 is geëindigd. De omstandigheid dat [geïntimeerde] wellicht niet bij het UWV had kunnen re-integreren of terugkeren, zoals Laww heeft betoogd, doet aan het voorgaande niet af. Laww heeft verder aangevoerd dat het UWV als bestuursorgaan heeft geoordeeld dat sprake was een rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst en dat om die reden aan [geïntimeerde] een uitkering op grond van de Ziektewet heeft toegekend. Uit een brief van 21 februari 2018 van het UWV aan [geïntimeerde] (productie 3 bij verweerschrift in hoger beroep) blijkt niets meer dan dat het UWV is uitgegaan van de juistheid van de door Laww aangeleverde informatie dat [geïntimeerde] per 26 april 2017 ziek uit dienst was gegaan en dat zij op basis van die ziekmelding per die datum een Ziektewetuitkering aan [geïntimeerde] heeft toegekend. Gelet op deze gang van zaken kan aan het feit dat het UWV aan [geïntimeerde] een Ziektewetuitkering heeft toegekend geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

3.9.

Het voorgaande brengt mee dat de grieven I tot en met V falen. Hierbij wordt opgemerkt dat het hof geen aanleiding ziet om de hoogte van de door de kantonrechter toegewezen wettelijke verhoging van 25% te wijzigen, zoals door Laww in grief IV betoogd. Het primaire verzoek van Laww ligt daarmee voor afwijzing gereed.

3.10.

Met grief VI komt Laww op tegen de door de kantonrechter aan [geïntimeerde] toegekende billijke vergoeding van € 15.000,- bruto. Laww heeft betoogd dat aan [geïntimeerde] geen billijke vergoeding dan wel een lager bedrag dan € 15.000,- als billijke vergoeding aan [geïntimeerde] dient te worden toegekend.

3.11.

Zoals hiervoor is overwogen, was het dienstverband van [geïntimeerde] bij Laww niet op 25 april 2017 tot een einde gekomen. Het had daarom op de weg van Laww gelegen, nu [geïntimeerde] zich had ziekgemeld, om als goed werkgever een bedrijfsarts in te schakelen en de mogelijkheden tot re-integratie te laten onderzoeken. Dit klemt temeer nu [geïntimeerde] heeft gesteld dat zij Laww op 23 of 24 april 2017 had verzocht om met een bedrijfsarts te mogen spreken. Dit laatste is door Laww onweersproken gebleven. Dat [geïntimeerde] niet bij het UWV of elders en ook niet in een andere functie bij Laww had kunnen re-integreren, zoals Laww heeft aangevoerd, staat geenszins vast en doet aan vorenbedoelde verplichting van Laww niet af. In plaats daarvan heeft Laww, zoals door [geïntimeerde] is betoogd en niet door Laww is betwist, in het gesprek op 25 april 2017 aan [geïntimeerde] geadviseerd om zich niet ziek te melden en in plaats van een Ziektewetuitkering een Werkloosheidsuitkering aan te vragen omdat dit beter zou staan op haar curriculum vitae. Hiermee trachtte Laww alle gevolgen van de ziekmelding van [geïntimeerde] , waaronder het uitblijven van doorbetaling van loon, op [geïntimeerde] af te wentelen. Dat Laww de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte, die op grond van artikel 9.1. van de arbeidsovereenkomst op haar rustte, niet heeft afgedekt zoals ter zitting naar voren is gekomen, heeft voor haar rekening en risico te komen. Ten slotte is Laww te verwijten dat zij heeft gekozen voor een arbeidsrechtelijke constructie die onduidelijkheid schiep, in het nadeel van [geïntimeerde] uitpakte en tot gevolg had dat [geïntimeerde] een procedure heeft moeten starten om haar rechten vast te stellen.

3.12.

Op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat Laww ernstig verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 7:671b lid 8 sub c BW, zodat toekenning van een billijke vergoeding aan [geïntimeerde] op zijn plaats is. Met betrekking tot de hoogte van de billijke vergoeding neemt het hof in ogenschouw dat [geïntimeerde] vanaf 26 april 2017 een Ziektewetuitkering heeft gekregen en dat - gelet op de contracten tussen het UWV en Conclusion en tussen Conclusion en Laww (die uitgaan van het verrichten van de werkzaamheden door [geïntimeerde] voor de duur van een jaar) en het overzicht van de huisarts waarin staat dat [geïntimeerde] op 20 april 2017 heeft verklaard dat zij in januari 2017 een nieuwe baan had gekregen bij het UWV voor een jaar (productie 4 bij het verweerschrift in hoger beroep) - aannemelijk is dat het dienstverband van [geïntimeerde] bij Laww in januari 2018 zou zijn geëindigd. Het hof kent aan [geïntimeerde] een billijke vergoeding van € 7.500,- bruto toe. Nu het hof een lager bedrag aan billijke vergoeding aan [geïntimeerde] toekent dan het door de kantonrechter aan [geïntimeerde] toegekende bedrag, slaagt grief VI in zoverre.

3.13.

[geïntimeerde] heeft onweersproken aangevoerd dat Laww geen betalingen heeft verricht naar aanleiding van de bestreden beschikking anders dan de proceskosten. Gelet op de uitkomst van deze procedure blijft de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in stand. Dit betekent dat het verzoek om restitutie van betalingen die door Laww (zullen) zijn verricht op grond van de beschikking waarvan beroep zal worden afgewezen.

3.14.

Laww heeft geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot andere beslissingen zouden leiden dan hiervoor genomen. Haar bewijsaanbod (tot het doen horen van getuigen) wordt daarom gepasseerd.

In het incident

3.15.

Het incidenteel verzoek van Laww, strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de bestreden beschikking, is bij beschikking van 6 maart 2018 van het hof afgewezen. Laww zal worden veroordeeld in de kosten van het incident.

3.16.

Dit alles leidt tot de slotsom dat het principaal beroep deels slaagt en deels faalt en dat het incidenteel beroep faalt. Gelet hierop ziet het hof aanleiding de proceskosten in principaal en incidenteel beroep te compenseren.

4 Beslissing

Het hof:

in de hoofdzaak

in principaal appel

vernietigt de bestreden beschikking doch uitsluitend voor zover daarbij aan [geïntimeerde] een billijke vergoeding van 15.000,- bruto is toegekend;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Laww om aan [geïntimeerde] een billijke vergoeding van € 7.500,- bruto te betalen;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af;

in incidenteel appel

wijst het verzoek af;

in principaal appel en incidenteel appel

compenseert de proceskosten;

in het incident

veroordeelt Laww in de kosten in het incident en begroot deze kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 318,- aan verschotten en € 1.074,- aan salaris;

in de hoofdzaak en in het incident

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C. Boot, H.M.M. Steenberghe en

F.J. Verbeek en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2018.