Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1925

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
20-06-2018
Zaaknummer
17/00575
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; uitgaven voor specifieke zorgkosten; belanghebbende maakt niet aannemelijk dat zij in 2014 vervoerskosten als bedoeld in art. 6.17, lid 1, onder b, Wet IB 2001 heeft gemaakt noch dat haar in 2014 minderjarige dochter aan incontinentie leed

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1289
Viditax (FutD), 20-06-2018
FutD 2018-1702
V-N 2018/40.25.1
NTFR 2018/1757 met annotatie van mr. J. Zandee-Dingemanse
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 17/00575

15 mei 2018

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , te [Z], belanghebbende,

(gemachtigde: J.A. Klaver)

tegen de uitspraak van 20 oktober 2017 in de zaak met kenmerk HAA 16/5660 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 10 juni 2016 aan belanghebbende voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag IB) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.262.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de inspecteur bij uitspraak van 11 november 2016 de aanslag IB gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 20 oktober 2017 het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op 20 november 2017 hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft bij brief van 16 maart 2017 nadere stukken ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2018. Aldaar zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde en namens de inspecteur mrs. V.D.R.M. van Schijndel en M.S.H. Lange. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak – waarin belanghebbende en de inspecteur zijn aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’– de volgende feiten vastgesteld.

“1. Eiseres is ongehuwd en heeft drie kinderen, geboren op 22 november 1999, 7 juni 2001 en

17 oktober 2006.

2. Eiseres bezit in 2014 een [merk auto] met kenteken [kentekennummer] (datum eerste afgifte [datum]).

3. Eiseres heeft op 8 oktober 2015 aangifte over 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.363. In deze aangifte heeft eiseres een bedrag aan specifieke zorgkosten van € 2.899 in aftrek gebracht.

4. Bij het opleggen van de aanslag heeft verweerder de aftrek specifieke zorgkosten gecorrigeerd.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof vult de feiten als volgt aan.

2.3.

Belanghebbende heeft in haar aangifte IB 2014 (onder meer) de volgende aftrek aan specifieke zorgkosten opgenomen: (i) € 28 in verband met vervoerskosten voor bezoeken aan de tandarts, (ii) € 25 in verband met vervoerskosten voor bezoeken aan andere medisch specialisten, en (iii) € 310 in verband met kosten extra kleding en beddengoed die zijn gemaakt voor belanghebbendes in 2014 7 à 8 jarige dochter vanwege in bed plassen.

2.4.

Tot de gedingstukken behoort een handgeschreven ongedateerde verklaring met stempel ‘[het gezondheidscentrum] (…) Bezoekadres: [adres] (…) [Z]’. De verklaring luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“3) [naam dochter], geb 17-10-2006 plast nog wel eens in bed.”

[naam dochter] is – naar het Hof verstaat – de onder 2.3. bedoelde dochter.

2.5.

Tot de gedingstukken behoort een door belanghebbende ingebrachte ‘specificatie reiskosten 2015’ dat op basis van een (bijgevoegde) uitdraai van Univé Zorgverzekering over het jaar 2015 is opgesteld. Blijkens voornoemde uitdraai heeft (onder meer) op 23 december 2014 een behandeling plaatsgevonden bij [het gezondheidscentrum].

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In geschil is of de aanslag IB 2014 op het juiste bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB 2014 de door belanghebbende in haar aangifte opgevoerde aftrek voor uitgaven voor vervoer (€ 28 tandarts en € 25 medisch specialisten) alsook voor extra kleding en beddengoed (€ 310 voor in bed plassende dochter) als zijnde ‘uitgaven voor specifieke zorgkosten’ terecht heeft geweigerd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft daartoe als volgt overwogen en beslist:

Vervoerskosten

9. Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001, voor zover hier van belang, worden als specifieke zorgkosten aangemerkt uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor vervoer.

Eiseres claimt in haar aangifte een aftrek van € 28 in verband met reiskosten naar de tandarts alsmede € 25 reiskosten naar andere medisch specialisten. Eiseres heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van deze ritten, zoals declaratiestaten van de verzekering waaruit in elk geval is af te leiden dát de bezoeken hebben plaats gevonden en waar de medicus is gevestigd. Op die grond heeft verweerder deze kosten terecht niet in aftrek toegestaan.

Eiseres heeft nog aangevoerd dat verweerder deze aftrek in bezwaar heeft geschrapt omdat eiseres geen auto zou hebben en in beroep heeft erkend dat eiseres over een auto beschikt maar de aftrek heeft geweigerd omdat de kosten niet aannemelijk zijn geworden. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat het verweerder niet is toegestaan om in de beroepsfase andere argumenten ten grondslag te leggen aan de afwijzing van een aftrekpost, omdat geen rechtsregel zich daartegen verzet.

Aftrek kleding en beddengoed

10. Artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet IB 2001 luidt als volgt:

“1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit worden gedaan voor:

(…)

d. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;”

Artikel 38, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Wet IB 2001 (tekst 2014) luidt als volgt:

“1. Uitgaven voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, van de wet worden in aanmerking genomen tot een bedrag van € 310 dan wel, […] indien:

a. de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van een persoon als bedoeld in artikel 6.16 van de wet die tot het huishouden van de belastingplichtige behoort;

b. de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren.”

11. De rechtbank overweegt dat de onderhavige aftrek is bedoeld voor ziektes die structureel extra kosten voor kleding en beddengoed met zich brengen, zoals incontinentie, motorische handicaps, spierziekten en huidziekten. De - ongedateerde - verklaring van de huisarts, enkel voorzien van een stempel, waarin louter staat vermeld dat de dochter nog wel eens in bed plast, is ontoereikend ter onderbouwing van deze aftrek. Uit deze verklaring kan immers niet worden afgeleid dat het betreffende kind in 2014 leed aan een ziekte die tenminste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren en die leidt tot bedplassen op deze leeftijd. In de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 februari 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:277, is geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat bedplassen op vijfjarige leeftijd als ziekte moet worden gekwalificeerd. Anders dan eiseres stelt, volgt uit deze uitspraak niet dat kinderen ouder dan vijf jaar die nog in bed plassen per definitie aan een ziekte lijden op basis waarvan de onderhavige aftrek moet worden verleend. De rechtbank benadrukt dat bedplassen een symptoom is waaraan een ziekte ten grondslag kan liggen, welke ziekte middels een medische verklaring aannemelijk moet zijn gemaakt, om met succes aanspraak te kunnen maken op deze aftrekpost.

De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder de in geding zijnde aftrek terecht niet heeft toegestaan.”

5 Beoordeling van het geschil

Vervoerskosten

5.1.

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof het standpunt dat belanghebbende recht heeft op een aftrek van € 25 aan vervoerskosten in verband met reizen gemaakt voor diverse medische doeleinden gehandhaafd, maar belanghebbende claimt niet langer de door haar in de aangifte daarnaast opgevoerde € 28 aan kosten in verband met bezoeken aan de tandarts. Het Hof zal daarom enkel nog de aftrek van € 25 aan vervoerskosten beoordelen.

5.2.

Op belanghebbende rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de vervoerskosten, dat wil zeggen de specifieke zorgkosten aangemerkt als zijnde uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gemaakt voor vervoer (zie art. 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001), daadwerkelijk zijn gemaakt. Zij is hierin niet geslaagd. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd die de vervoerskosten voldoende onderbouwen. Ter onderbouwing van de gestelde autoritten is alleen de hiervoor onder 2.5 genoemde specificatie overgelegd welke niet voldoet daar deze (nagenoeg alleen) ziet op een later jaar (2015) en maar 1 autorit in 2014 vermeldt. De omstandigheid dat de inspecteur ten aanzien van de heffing over het jaar 2015 wel € 25 aan vervoerskosten heeft aanvaard leidt niet tot een ander oordeel. De inspecteur heeft aangevoerd dit om doelmatigheidsredenen te hebben gedaan en heeft ter zitting van de rechtbank verklaard (en ter zitting van het Hof herhaald) dat het niet standaard is dat een aftrek van € 25 wordt verleend wegens vervoerskosten naar medici.

Extra kleding en beddengoed

5.3.

Ook wat betreft deze aftrekpost rust de bewijslast op belanghebbende. Belanghebbende dient tegenover de betwisting door de inspecteur aannemelijk te maken dat haar in oktober 2006 geboren dochter in het onderhavige jaar (2014) aan incontinentie leed. Ook hierin acht het Hof belanghebbende niet geslaagd. De enkele verklaring van de huisarts (zie hiervoor onder 2.4) volstaat niet reeds omdat uit deze ongedateerde verklaring niet kan worden opgemaakt op welke periode die verklaring ziet (en dus niet kan worden vastgesteld dat in 2014 zich hetgeen is opgenomen in de verklaring terzake het bedplassen voordeed). Voorts volgt uit deze verklaring niet dat sprake is van incontinentie of een symptoom van een vergelijkbaar chronisch ziektebeeld (en niet van een bedplassen dat bij een nog jong kind af en toe plaatsvindt).

Slotsom

5.4.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier.

De beslissing is op 15 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.