Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1918

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
20-06-2018
Zaaknummer
17/00341, 17/00342, 17/00392
Formele relaties
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2017:715
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:160
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Binnenhavengeld; niet aannemelijk is geworden dat de gemeente (de ondergrond van) het water waarop de woonboot van belanghebbende ligt in beheer heeft. Vast staat dat de woonboot voor 13 meter is gelegen op (de ondergrond van het) water in eigendom van de gemeente en voor 5 meter is gelegen op (de ondergrond van het) water in eigendom van de provincie. Voor dat geval brengt een redelijke uitleg van de toepasselijke regelgeving mee dat de gemeente geen heffingsrecht toekomt voor het deel van de provincie. Het Hof verlaagt daarom de aanslagen binnenhavengeld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1318
Viditax (FutD), 20-06-2018
FutD 2018-1723
Belastingblad 2018/277
NTFR 2018/1690 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra
Viditax (FutD), 01-02-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 17/00341, 17/00342 en 17/00392

15 mei 2018

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van

[X] , te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: mr. S.V. Hendriksen,

tegen de uitspraak van 8 december 2015 in de zaken met kenmerken SGR 15/4070, SGR 15/4215 en SGR 15/6360 van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden, de heffingsambtenaar

en

belanghebbende.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 september 2014 aan belanghebbende een aanslag Binnenhavengeld voor het derde kwartaal van 2014 opgelegd van € 177,23.

1.1.2.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 18 december 2014 aan belanghebbende een aanslag Binnenhavengeld voor het vierde kwartaal van 2014 opgelegd van € 177,23.

1.1.3.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 16 februari 2015 aan belanghebbende een aanslag Binnenhavengeld voor het eerste kwartaal van 2015 opgelegd van € 179,45.

1.2.

Na daartegen gemaakte bezwaren, heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 16 april 2015 voornoemde belastingaanslagen gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 8 december 2015 de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

Het Gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 10 augustus 2016 de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij arrest van 21 april 2017, nr. 16/04681,

ECLI:NL:HR:2017:715 (hierna: het verwijzingsarrest), heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

2 Loop van het geding na verwijzing

2.1.

Partijen zijn door de griffier van het Hof in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het verwijzingsarrest in te dienen. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 7 november 2017 en de heffingsambtenaar bij brief van 8 november 2017.

2.2.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2018. Aldaar zijn verschenen belanghebbende vergezeld door zijn gemachtigde. Namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. K. van Driel. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

3 Feiten

3.1.

De Hoge Raad is in het verwijzingsarrest van de volgende feiten uitgegaan:

“2.1.1. Belanghebbende heeft een woonboot die in het derde en vierde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 in de Oude Rijn binnen de gemeente Leiden (hierna: de gemeente) lag.

2.1.2.

Belanghebbende huurde sinds 1 januari 2001 de ligplaats van de woonboot, bestaande uit een perceel grond en water, van de Staat voor een bedrag van € 60,49 per huurjaar dat liep van 1 juli tot en met 30 juni daaropvolgend.

2.1.3.

Met ingang van 1 juli 2011 heeft de Staat zijn rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst tussen de Staat en belanghebbende overgedragen aan de gemeente. Belanghebbende is derhalve met ingang van 1 juli 2011 de huur voor de ligplaats verschuldigd aan de gemeente.

2.1.4.

Bij brief van 26 maart 2014 heeft de gemeente de huurovereenkomst voor de ligplaats met ingang van 1 juli 2014 opgezegd.

2.1.5.

Aan belanghebbende zijn met ingang van 1 juli 2014 aanslagen in het binnenhavengeld van de gemeente opgelegd voor het derde en het vierde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 ten bedrage van € 177,23 (2014) respectievelijk € 179,45 (2015) per kwartaal. ’”

3.2.

Het Hof zal van dezelfde feiten uitgaan. Het Hof vult deze feiten als volgt aan.

3.3.

De woonboot van belanghebbende (hierna: de woonboot) is 18 meter lang.

3.4.

Uit luchtfoto’s die door de heffingsambtenaar in het geding na verwijzing zijn overgelegd en die (onder meer) zien op de onderhavige tijdvakken (het 3e en 4e kwartaal van 2014 en het 1e kwartaal van 2015) en de door de heffingsambtenaar gegeven toelichting ter zitting van het Hof volgt dat de woonboot voor 13 meter is gelegen op (de ondergrond van het) water in eigendom van de Gemeente Leiden en voor 5 meter is gelegen op (de ondergrond van het) water in eigendom van de provincie.

3.5.

De aanslagen binnenhavengeld voor het 3e en 4e kwartaal van 2014 zijn opgelegd naar een basistarief van € 136,82 voor vaartuigen tot 15 meter lang en met een verhoging van

€ 13,47 voor elke meter dat het vaartuig langer is dan 15 meter. Dit resulteerde in een verhoging van € 40,41 per kwartaal (te weten 3 meter langer dan 15 meter x € 13,47 per meter = € 40,41).

3.6.

De aanslag binnenhavengeld voor het 1e kwartaal van 2015 is opgelegd naar een basistarief van 138,53 voor vaartuigen tot 15 meter lang en met een verhoging van € 13,64 voor elke meter dat het vaartuig langer is dan 15 meter. Dit resulteerde in een verhoging van € 40,92 (te weten 3 meter langer dan 15 meter x € 13,64 per meter = in totaal € 40,92).

4 Het verwijzingsarrest

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest – voor zover voor het geding na verwijzing van belang – het volgende overwogen:

“2.3.2. Voor zover belanghebbende er in cassatie ook over beoogt te klagen dat de heffing van binnenhavengeld onrechtmatig is omdat de gemeente niet het beheer heeft over het gehele wateroppervlak waarin de woonboot ligt, is het volgende van belang.

Het Hof heeft zijn oordeel dat aannemelijk is dat de gemeente het beheer had over het water, gebaseerd op “hetgeen dienaangaande uit de stukken van het geding blijkt”. Dat oordeel is gelet op hetgeen partijen in feitelijke aanleg hebben aangevoerd zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. De bestreden uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. In verband met de verdere behandeling van de zaak na verwijzing verdient opmerking dat de gemeente op grond van het bepaalde in artikel 229, lid 1, letter a, van de Gemeentewet rechten mag heffen ter zake van het gebruik van gemeentebezittingen, ongeacht of die bezittingen bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn. Het verwijzingshof dient derhalve zonodig tevens te onderzoeken of de heffingsambtenaar zich terecht op het standpunt stelt dat de gemeente eigenaar is van (de ondergrond van) het water waar de woonboot ligt. ”

5 Geschil in hoger beroep na verwijzing

5.1.

In geschil is of de aanslagen Binnenhavengeld terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd.

5.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

6 Beoordeling van het geschil

6.1.

Na verwijzing ligt nog de vraag voor of de gemeente Leiden (de ondergrond van) het water waarop de woonboot ligt in beheer en/of in eigendom heeft. Indien van dit beheer en/of eigendom sprake is, dan is de heffing van Binnenhavengeld rechtmatig. Voor zover belanghebbende andere gronden dan gericht tegen dit geschilpunt naar voren heeft gebracht, vallen deze buiten de reikwijdte van dit geding en worden zij niet in behandeling genomen.

6.2.

Een redelijke verdeling van de bewijslast houdt in dat ingeval een belanghebbende stelt dat het beheer niet bij de gemeente ligt, de heffingsambtenaar, die de partij is die beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling hiervan, de aangewezen partij is om hieromtrent nader inzicht te verschaffen (zie onderdeel 5.23 van de conclusie van A-G IJzerman bij het verwijzingsarrest). Het Hof acht de heffingsambtenaar niet in zijn bewijslast geslaagd. Na verwijzing zijn door de heffingsambtenaar als zodanig geen nieuwe stukken (terzake het gestelde omtrent het beheer) overgelegd. Uit de reeds tot het geding behorende stukken blijkt voorts in onvoldoende mate of sprake is van beheer; over de aard en kwaliteit van het beheer is weinig tot niets duidelijk geworden (zie de onderdelen 5.25 tot en met 5.27 van de conclusie van A-G IJzerman bij het verwijzingsarrest). Bovendien wijzen deze gedingstukken veeleer op het tegendeel, te weten een beheer dat niet wordt gevoerd door de gemeente maar door het Hoogheemraadschap van Rijnland (zie onderdelen 5.28 en 5.29 van de conclusie van A-G IJzerman bij het verwijzingsarrest).

6.3.

Omdat niet althans onvoldoende aannemelijk is geworden dat (de ondergrond van) het water waarop de woonboot is gelegen in beheer is bij de gemeente, komt het Hof toe aan de vraag of dat water in eigendom is van de gemeente. Hiertoe is gelet op 2.3.2 van het verwijzingsarrest van belang om te bepalen op welk water de woonboot is gelegen, te weten gemeentelijk water of ander water.

6.4.

Uit hetgeen hiervoor onder 3.4 is opgenomen volgt dat slechts ten dele sprake is van (de ondergrond van) water dat in eigendom zijn van de gemeente. Het betreft 13 meter (van de 18 meter) woonboot dat op gemeentelijk water is gelegen. Voor het overige deel, 5 meter, is sprake van ligging op provinciewater. Een redelijke uitleg van de toepasselijke regelgeving brengt voor dat geval mee dat de gemeente Leiden geen heffingsrecht toekomt voor dit overige gedeelte. In zoverre zijn de aanslagen dus ten onrechte aan belanghebbende opgelegd.

6.5.

In het voorgaande ziet het Hof aanleiding om de aanslagen te verlagen, in die zin dat de verhoging die in verband met de lengte van de woonboot nochtans op basis van de Verordeningen is toegepast (zie hiervoor onder 3.5 en 3.6) achterwege dient te blijven. De aanslagen Binnenhavengelden 2014 en 2015 dienen aldus te worden verminderd met een bedrag van in totaal respectievelijk € 40,41 per kwartaal voor 2014 en € 40,92 voor 2015.

Slotsom

6.6.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

7 Kosten

7.1.

Omdat het hoger beroep gegrond is, zijn termen aanwezig de heffingsambtenaar op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Deze kosten dienen in het onderhavige geval te worden berekend op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit.

7.2.

Voor vergoeding komen enkel in aanmerking de kosten van de verwijzingsprocedure bij het Gerechtshof Amsterdam. Alleen in dit stadium van de procedure heeft belanghebbende namelijk gebruik gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende bijstand (zie artikel 1, aanhef en sub a, van het Besluit). Bij de berekening van deze vergoeding neemt het Hof de volgende proceshandelingen genoemd in bijlage A1 bij het Besluit voorts in aanmerking: schriftelijke inlichtingen (0,5 punt) en nadere zitting (artikel 8:64 van de Awb) anders dan na tussenuitspraak (vgl. HR 26 september 2014, nr. 14/01474, ECLI:NL:HR:2014:2782) (0,5 punt). Het totaal van deze punten beloopt derhalve 1, zodat de kostenvergoeding wordt berekend op: € 501 (waarde per punt) x 1 (aantal punten) x 1 (wegingsfactor) = € 501.

8 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag binnenhavengeld 2014 (3e kwartaal) met een bedrag van € 40,41 tot een bedrag van € 136,82 ;

- vermindert de aanslag binnenhavengeld 2014 (4e kwartaal) met een bedrag van € 40,41 tot een bedrag van € 136,82;

- vermindert de aanslag binnenhavengeld 2015 (1e kwartaal) met een bedrag van € 40,92

€ 138,53;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 501, en

- gelast de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht in beroep ten bedrage van € 45 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier.

De beslissing is op 15 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.