Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1852

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-06-2018
Datum publicatie
11-06-2018
Zaaknummer
23-002955-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1465
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Criminele organisatie die het plegen van valsheid in geschrift tot oogmerk had. Schijnconstructie kamerverhuurbedrijf in de Molensteeg te Amsterdam.

Vrijspraak ter zake van mensenhandel en gewoonte witwassen. Uitvoerige verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid en bewijsuitsluiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002955-15

datum uitspraak: 5 juni 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 juni 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-710004-10 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1952] ,

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2016, 21 december 2016, 24 januari 2018, 17, 19 en 23 april 2008 en 22 mei 2018, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging en na een partiële nietigverklaring door het hof ter terechtzitting op 17 april 2018 is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 20 april 2010 te Amsterdam en/of Zaandam, althans (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie welke werd gevormd door hem, verdachte, en [E.K.] en/of [A.R.] en/of [S.I.] en/of één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het een of meermalen plegen van

- mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a (oud) Wetboek van Strafrecht en/of 273a (oud) Wetboek van Strafrecht en/of artikel 273f Wetboek van Strafrecht, bestaande die mensenhandel uit (onder meer)

het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van vrouwen (te weten: [A.V.] en/of [T.V.] en/of [I.G.] en/of [B.B.] ), werkzaam (geweest) in de werkkamers van kamerverhuurbedrijf ' [kamerverhuurbedrijf 1] ' en/of

het met gebruikmaking van (dwang)middelen vrouwen (te weten: [A.V.] en/of [T.V.] en/of [I.G.] en/of [B.B.] ), werkzaam (geweest) in de werkkamers van kamerverhuurbedrijf ' [kamerverhuurbedrijf 1] ', dwingen en/of bewegen een of meer deelnemers aan de organisatie te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die anderen met of voor een derde en/of

- valsheid in geschrifte, als bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die valsheid (onder andere) bestond uit het valselijk opmaken en/of vervalsen van een of meer geschriften die betrekking hadden op de exploitatie van en/of vergunningen voor kamerverhuurbedrijf ' [kamerverhuurbedrijf 1] ' en/of ' [2] ' te weten (onder meer):

de 'aanvraag vergunningen horecabedrijf /prostitutiebeleid' op naam van [A.R.] betreffende de percelen Molensteeg 4, 7 en 11 d.d. 6 december 2006 en/of

de inschrijving bij de Kamer van Koophandel met ingang van 18 september 2009, waarmee de rechtsvorm van Kamerverhuur [kamerverhuurbedrijf 1] van een eenmanszaak naar een Vennootschap onder Firma (met vennoten [A.R.] en [E.K.] ) werd omgezet en/of

de inschrijving bij de Kamer van Koophandel met ingang van 19 september 2009, waarmee de rechtsvorm van Kamerverhuur [kamerverhuurbedrijf 1] van een Vennootschap onder Firma (met vennoten [A.R.] en [E.K.] ) werd omgezet naar een eenmanszaak, waarbij [E.K.] werd geregistreerd als eigenaar en/of

de inschrijving (met terugwerkende kracht) bij de Kamer van Koophandel met ingang van 19 september 2009, waarmee als eigenaar van Kamerverhuur [kamerverhuurbedrijf 1] [A.R.] werd geregistreerd en/of

de jaarrekening van ' [kamerverhuurbedrijf 1] ' over het jaar 2009 en/of

de 'aanvullende aanvraagformulieren Natuurlijke Personen voor de prostitutiebranche (inclusief Bibob-vragen)' op naam van Abdelkader [E.K.] betreffende de percelen Molensteeg 4, 7, 9 en 11 d.d. 10 januari 2010 en/of

de overeenkomst "Overdracht onderneming [kamerverhuurbedrijf 1] Kamerverhuur" d.d. 20 januari 2010 en/of

de 'aanvullende aanvraagformulieren Natuurlijke Personen voor de prostitutiebranche (inclusief Bibob-aanvragen)' op naam van [2] en/of [O.B] betreffende de percelen Molensteeg 4, 7, 9 en 11 d.d. 7 april 2010 en/of

- ( (gewoonte) witwassen, als bedoeld in artikel 420bis/ter van het Wetboek van Strafrecht, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders (telkens) een of meer geldbedrag(en) (te weten huurbedragen ten behoeve van de werkkamers van kamerverhuurbedrijf ' [kamerverhuurbedrijf 1] ') verworven en/of voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders wist(en), dat deze geldbedrag(en) onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

In de tenlastelegging is vermeld dat de ‘Aanvullend aanvraagformulier Natuurlijke personen voor de Prostitutiebranche’ telkens door A. [E.K.] zijn ondertekend op 10 januari 2010. Uit de stukken in het dossier blijkt dat deze datum onjuist en dat hij die formulieren heeft ondertekend op 20 januari 2010.

Ook is in de tenlastelegging vermeld dat de 'Aanvraag vergunningen horecabedrijf /prostitutiebeleid' op naam van [A.R.] betreffende de percelen Molensteeg 4, 7 en 11 zijn gedateerd 6 december 2006. Uit de stukken in het dossier blijkt echter dat die aanvragen op 6 december 2006 (kennelijk) door gemeente zijn ondertekend maar door [A.R.] op 6 oktober 2006.

Naar het oordeel van het hof is hier telkens sprake van een kennelijke misslag. Het hof zal de tenlastelegging op deze punten dan ook verbeterd lezen. De verdachte wordt hierdoor in zijn verdedigingsbelangen niet geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Verweren strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. De verdediging heeft daartoe gesteld dat in het onderzoek-Litra sprake is van onherstelbare vormverzuimen, waarvan de verdachte nadeel heeft ondervonden en waarbij sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak te kort is gedaan. Tevens is het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geschonden.

De verdediging heeft in dit kader gewezen op het volgende.

Er is doelbewust belastend materiaal gecreëerd en ontlastend materiaal is genegeerd. De verdediging heeft – kort samengevat – geconstateerd dat bij het onderzoeksteam sprake was van tunnelvisie, hetgeen heeft geleid tot een gemankeerd onderzoek en onbetrouwbare resultaten. De verdediging heeft hierbij gewezen op het volgende:

  • -

    de bevindingen en conclusies in het proces-verbaal van relaas zijn niet in overeenstemming met de onderzoeksresultaten. Kort gezegd zijn ontlastende bevindingen niet vermeld terwijl belastende informatie is ontdaan van iedere nuance;

  • -

    de weergave van de telefoongesprekken is voorzien van interpretaties en conclusies;

  • -

    het onderzoeksteam heeft op ongeoorloofde wijze bijgedragen aan de totstandkoming van

belastende verklaringen over de verdachte. Zo is aan verschillende getuigen tijdens het verhoor informatie voorgehouden, zonder dat dit uit het proces-verbaal blijkt. Daar komt bij dat verschillende getuigen nadien bij de rechter-commissaris hebben verklaard dat niet is geverbaliseerd wat zij hebben bedoeld dan wel feitelijk hebben gezegd. En zelfs hebben getuigen verklaard door de politie te zijn beïnvloed;

- uit het door de raadsman in de zaak van de medeverdachte [S.I.] overgelegde WODC-rapport blijkt dat maanden van onderzoek geen bruikbaar bewijs tegen de verdachte heeft opgeleverd, waarna het onderzoeksteam heeft gekozen voor een steeds verdergaande inmenging in de Molensteeg en een intensievere benadering van betrokkenen. Dit blijkt uit het feit dat [A.V.] , [T.V.] en [I.G.] pas na intensieve telefonische contacten, ter zake waarvan geen verslaglegging heeft plaatsgevonden, aangifte tegen de verdachte hebben gedaan.

De verdediging heeft zich aangesloten bij het door de raadsman van de medeverdachte [S.I.] gevoerde verweer betreffende – kort samengevat – de wijze waarop [V. van E.] op 16 december 2009 op 11 januari 2010 is verhoord en de wijze waarop de verslaglegging daarvan heeft plaatsgevonden.
De verdediging heeft – zakelijk weergegeven – geconstateerd dat:

- aan [V. van E.] tijdens het opnemen van haar aangifte op 16 december 2009 passages uit een eerder (namelijk op 12 februari 2009) door haar afgelegde verklaring zijn voorgehouden, zonder dat uit het proces-verbaal van aangifte blijkt welke passages dat betrof. Daarbij is van belang dat de verklaring van [V. van E.] van 12 februari 2009 is gestoeld op een verklaring van haar oom [J. de W.] , die zich niet bij de stukken bevindt, terwijl uit het proces-verbaal van aangifte niet blijkt welke informatie [J. de W.] heeft verstrekt en welke informatie aan [V. van E.] is voorgehouden. Het proces-verbaal van aangifte bevat derhalve geen adequate weergave van hetgeen tijdens dat verhoor voorgevallene.

- verbalisant [M.T.] – blijkens de geluidsopname van het verhoor van 16 december 2009 – in strijd met de waarheid heeft ontkend dat aan [V. van E.] passages uit eerder door haar afgelegde verklaring zijn voorgehouden. Ook [V. van E.] heeft ontkend dat de gang van zaken aldus is geweest.

- uit de geluidsopname van het verhoor van 16 december 2009 blijkt dat in het proces-verbaal ten onrechte is vermeld dat de datum van verhoor en de datum van ondertekening dezelfde waren.

De onware verklaring van verbalisant [M.T.] draagt in de visie van de verdediging bij aan de gedachte dat sprake was van een moedwillige veronachtzaming van de belangen van de verdachte.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich – onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen – op het standpunt gesteld dat het verweer betreffende de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moet worden verworpen.

De advocaat-generaal is, in navolging van de rechtbank, voorts van mening dat alle bij de politie afgelegde verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebezigd, voor zover ze steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Ten aanzien van de inhoud van de verklaringen van [V. van E.] merkt de advocaat-generaal op dat [V. van E.] herhaaldelijk als aangeefster en getuige door de politie en de rechter-commissaris is ondervraagd in diverse mensenhandel-onderzoeken en dat het daarom niet verwonderlijk is dat verhorende verbalisanten tijdens die verhoren gebruik hebben gemaakt van eerder door haar afgelegde verklaringen. Tijdens de behandeling in hoger beroep is gebleken dat verbalisant [M.T.] het voorhouden van eerdere verklaringen aan [V. van E.] ten onrechte heeft ontkend. Die onterechte ontkenning brengt, zo meent de advocaat-generaal, niet met zich dat de verklaringen van [V. van E.] onbruikbaar voor het bewijs zijn geworden. De voorgelezen en geaccordeerde verklaring van [V. van E.] betreft immers feiten en omstandigheden die zij zelf heeft waargenomen en heeft ondervonden. Zij heeft bij de rechter-commissaris bovendien aangegeven bij de politie naar waarheid te hebben verklaard.

Overwegingen en oordeel van het hof

In mei 2009 is naar aanleiding van informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid Amsterdam-Amstelland over prostitutie onder dwang in de vergunde raamsector op de Wallen, het onderzoek 13Arezzo gestart. Uit het onderzoek 13Arezzo bleek dat de slachtoffers voornamelijk werkten in de werkkamers van het (prostitutie)kamerverhuurbedrijf [kamerverhuurbedrijf 1] in de Molensteeg te Amsterdam.

Het naar aanleiding van deze bevindingen gestarte onderzoek 13Litra – dat onderwerp is van deze strafzaak – richtte zich op het kamerverhuurbedrijf [kamerverhuurbedrijf 1] . Uit de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat met een zekere vasthoudendheid en gedrevenheid door de opsporingsinstanties onderzoek is gedaan naar de gang van zaken in de Molensteeg, [kamerverhuurbedrijf 1] en naar de persoon van de verdachte.

De vraag die het hof heeft te beantwoorden, is of het onderzoeksteam vormen heeft verzuimd als bedoeld in artikel 359a Sv en/of sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak te kort is gedaan.

Indien in een voorbereidend onderzoek in de strafzaak jegens een verdachte vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld – als bedoeld in artikel 359a Sv – en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Bij het bepalen van het rechtsgevolg dient rekening te worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg – naar vaste jurisprudentie – slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats indien het in het voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Tunnelvisie bij het onderzoeksteam

Ten aanzien van het proces-verbaal van relaas

Vooropgesteld wordt dat een proces-verbaal van relaas in het algemeen een korte samengevatte weergave bevat van alle handelingen die in een bepaalde periode door het onderzoeksteam zijn verricht en van de resultaten die dat heeft opgeleverd. Zo ook in het onderhavige geval. In het ‘proces-verbaal van relaas met betrekking tot schijnbeheer’ (map 1, pagina 1 t/m 94) is per handeling van het onderzoeksteam een korte samenvatting gegeven van de inhoud van het verrichte onderzoek, waarbij telkens is aangegeven op welke pagina in het dossier het onderliggende proces-verbaal in het dossier is gevoegd. Datzelfde geldt in zekere zin voor het ‘proces-verbaal relaas persoonsdossier’ (P3, pagina I t/m XXXIX). In dat relaas is, voor zover hier van belang, telkens een korte samenvatting gegeven van de inhoud van een getuigenverklaring. Verder is de vindplaats in het dossier van het onderliggende proces-verbaal van dat getuigenverhoor gegeven. Wat er ook zij van eventuele onjuistheden / onvolkomenheden in de korte samenvatting in een relaas, en nog daargelaten of dit een vormverzuim oplevert als bedoeld in artikel 359a Sv, bestaat – nu het hof (en iedere andere procesdeelnemer) kennis kan nemen van de (bron) processen-verbaal – geen enkele aanleiding enig rechtsgevolg te verbinden aan het door de verdediging gestelde.

Ten aanzien van de telefoongesprekken

Het hof verwijst ter zake naar hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen – kort gezegd – inhoudende dat weliswaar kan worden vastgesteld dat de weergave van de tapgesprekken conclusies en/of vermoedens bevatten van (één of meer leden van) het onderzoeksteam, maar dat niet kan worden gezegd dat deze conclusies of vermoedens zijn gepresenteerd als (objectieve) onderzoeksbevindingen die de lezer op het verkeerde been zouden kunnen zetten. In dit verband is van belang dat commentaar van het onderzoeksteam bij de weergegeven tapgesprekken een afwijkende kleur hebben.

Daarbij komt nog dat het hof (en iedere andere procesdeelnemer) kennis hebben kunnen nemen van de uitwerkingen van de taplijnen, zodat er ook daarom geen enkele aanleiding bestaat enig rechtsgevolg te verbinden aan het door de verdediging gestelde.

Ten aanzien van de politieverklaringen in het algemeen

In het onderzoek 13Litra heeft een groot aantal getuigen verklaringen afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris. Terecht heeft de verdediging gesteld dat de door een aantal getuigen bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen op sommige punten afwijken van de verklaringen die de desbetreffende getuigen bij de politie hebben afgelegd, en dat daarbij opvalt dat de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen in het algemeen minder belastend zijn voor de verdachte dan de verklaringen die bij de politie zijn afgelegd.

Evenals de rechtbank volgt het hof de verdediging niet in haar stelling dat deze verschillen voortvloeien uit de gebrekkige wijze waarop de getuigen door de politie zijn gehoord dan wel uit de wijze waarop verslaglegging van die verhoren heeft plaatsgevonden. Concrete aanwijzingen op dat punt ontbreken. Het enkele gegeven dat van de vele getuigen die zijn gehoord een enkeling in een latere verklaring op sommige onderdelen op de eerdere verklaring wenst terug te komen, volstaat daartoe niet.

De politieverklaringen van [V. van E.]

De getuige [V. van E.] heeft in de periode van maart 2005 tot en met mei 2011 als aangeefster/getuige ruim twintig verklaringen afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris. Deze verklaringen hebben betrekking op verschillende personen, die haar – kort gezegd – vanaf 2002/2003 telkens zouden hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden. Slechts een beperkt aantal van die verklaringen heeft concreet betrekking op [S.I.] en/of diens handelen jegens haar, te weten:

  • -

    een proces-verbaal van aangifte van [V. van E.] van 12 februari 2009, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (map RC-verhoren Litra en losse verklaringen van [V. van E.] );

  • -

    een proces-verbaal van verhoor aangeefster [V. van E.] van 16 december 2009, opgemaakt door [verbalisant 3] en [M.T.] (P3 0007 e.v.);

  • -

    een proces-verbaal van verhoor aangeefster [V. van E.] van 11 januari 2010, opgemaakt door [verbalisant 3] en [M.T.] (P3 0026 e.v.);

  • -

    een proces-verbaal 31 mei 2011, opgemaakt door mr. H.M.J. Quaedvlieg, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam (map RC-verhoren Litra en losse verklaringen van [V. van E.] ).

De verklaring van [V. van E.] van 12 februari 2009 betreft een vervolgaangifte tegen [M.D.] , waarbij aan het eind van dat verhoor kort en niet erg gedetailleerd het ontstaan en beëindigen van haar relatie met [S.I.] aan bod komt. Het hof heeft geconstateerd dat in de daarna (op 16 december 2009, 11 januari 2010 en 31 mei 2011) door [V. van E.] afgelegde verklaringen haar relatie met [S.I.] nader is uitgediept.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Vooropgesteld wordt dat geen rechtsregel zich verzet tegen het voorhouden door opsporingsambtenaren aan een getuige van passages uit een eerder door die getuige afgelegde verklaring. Dit laat onverlet dat opsporingsambtenaren ingevolge het bepaalde in artikel 153, tweede lid, Sv bij het opmaken van een proces-verbaal zoveel mogelijk uitdrukkelijk de redenen van wetenschap opgeven. Deze verplichting strekt er onder meer toe om, indien ter zake een strafvervolging wordt ingesteld, de rechter in staat te stellen de bruikbaarheid, waaronder de betrouwbaarheid, van al hetgeen in het proces-verbaal van opsporing wordt gerelateerd, ten behoeve van die strafvervolging te beoordelen. Het is immers de taak van de rechter om nauwlettend het niveau van een behoorlijke en eerlijke procesgang te bewaken, (mede) door op een inzichtelijke, transparante wijze de stukken van het voorbereidend onderzoek te controleren en te toetsen aan de toepasselijke wet- en regelgeving.

Op 10 april 2018 heeft de advocaat-generaal aan de verdediging en aan het hof een cd-rom verstrekt met daarop de auditieve registraties van de verhoren van [V. van E.] van 16 december 2009 en 11 januari 2010. Het hof heeft – zoals ter terechtzitting is medegedeeld aan de procespartijen – kennisgenomen van de inhoud van deze opnamen.

Vergelijking van die opnamen met de processen-verbaal van 16 december 2009 en 11 januari 2010 leidt het hof niet tot de conclusie dat de inhoud van die processen-verbaal onjuist is of dat belangrijke, voor de verdachte ontlastende passages uit die processen-verbaal zijn weggelaten. Daarbij komt dat, voor zover passages niet zijn opgenomen die in de visie van de verdediging niet onvermeld hadden mogen blijven, dit is hersteld door de verstrekking van de opnamen door de advocaat-generaal aan de verdediging en het hof. Het hof merkt nog op dat uit die opnamen overigens niet blijkt dat de verbalisanten tijdens het verhoor van 16 december 2009 (letterlijk) passages uit haar eerdere verklaring aan [V. van E.] hebben voorgehouden. Wel blijkt daaruit dat de verbalisanten tijdens het verhoor van 16 december 2009 de beschikking hadden over die verklaring van 12 februari 2009 en dat zij [V. van E.] – mede aan de hand van hetgeen zij op 12 februari 2009 naar voren heeft gebracht – nader hebben bevraagd over haar contacten met [S.I.] .

De stelling van de verdediging dat verbalisant [M.T.] in strijd met de waarheid heeft ontkend passages uit een eerder verhoor aan [V. van E.] te hebben voorgehouden, mist dan ook feitelijke grondslag. Datzelfde geldt met betrekking tot de stelling van de verdediging dat ook [V. van E.] op dit punt in strijd met de waarheid heeft verklaard.

Anders ligt het voor wat betreft hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de in het proces-verbaal van 16 december 2009 genoemde datum van verhoor en de datum van ondertekening. Het hof heeft geconstateerd dat onder het proces-verbaal van 16 december 2009 is vermeld ‘nadat aangeefster haar verklaring had gelezen verklaarde zij daarin te volharden en ondertekende zij met ons’ en ‘wij hebben hiervan, op ambtsbelofte opgemaakt, dit proces-verbaal, dat wij sloten en tekenden op 16 december 2009 te Oldenzaal’, terwijl uit de eerdergenoemde opnamen blijkt dat in ieder geval [V. van E.] het desbetreffende proces-verbaal pas op 11 januari 2010 heeft nagelezen en heeft ondertekend.

Deze constatering leidt tot de conclusie dat de weergave in het proces-verbaal in ieder geval op dit punt onjuist is. Dit levert een vormverzuim op. Anders dan de verdediging heeft bepleit, levert dit echter geen onherstelbaar vormverzuim op nu de opnamen voldoende duidelijkheid hebben verschaft omtrent het ondertekenen door [V. van E.] van de verklaring van 16 december 2009.

De verdediging heeft voorts met juistheid aangevoerd dat [M.T.] bij de raadsheer-commissaris ten onrechte heeft verklaard dat zij geen eerdere verklaringen van [V. van E.] had ten tijde van het opnemen van de aangifte door [V. van E.] , maar ook deze omstandigheid kan niet leiden tot het door de verdediging bepleite gevolg.

Conclusie

Naar het oordeel van het hof is aldus geen sprake van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv.

Ook overigens is niet gebleken dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Van schending van het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces is evenmin gebleken. Gelet op het voorgaande wordt het verweer verworpen.

Verweren strekkende tot bewijsuitsluiting

Bewijsuitsluiting wegens vormverzuimen

De verdediging heeft subsidiair, op dezelfde gronden als hiervoor onder het kopje ‘verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid’ weergegeven, bepleit dat alle politieverklaringen (waaronder ook de aangifte van [V. van E.] van naar het hof begrijpt 16 december 2009) van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor heeft ten aanzien van de gebrekkige wijze waarop getuigen zijn gehoord en/of de wijze waarop de verslaglegging daarvan heeft plaatsgevonden, bestaat voor een algehele uitsluiting van de bij de politie afgelegde verklaringen, naar het oordeel van het hof, geen grond.

Bewijsuitsluiting wegens (on)betrouwbaarheid

De verdediging heeft zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat alle politieverklaringen, alle door [V. van E.] afgelegde verklaringen en alle zogenoemde ‘de auditu’-verklaringen wegens onbetrouwbaarheid terzijde moeten worden geschoven.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring staan in het algemeen diverse wegen open. Zo kan onder meer worden gekeken of hetgeen met betrekking tot een bepaalde verdachte of overigens is verklaard overeenkomt met of steun vindt in – zo te noemen – objectieve feitelijke gegevens, of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens. Daarnaast kunnen tijdverloop en de complexiteit van de feiten waarover is verklaard bij de beoordeling een rol spelen, evenals een mogelijk motief voor het afleggen van de verklaring.

Het hof herhaalt, zoals hiervoor overwogen, dat geen grond bestaat voor een algehele uitsluiting van politieverklaringen. Datzelfde geldt ook ten aanzien van de zogenoemde ‘de auditu’-verklaringen, nu geen rechtsregel zich verzet tegen het gebruik van dergelijke verklaringen voor het bewijs.

Het hof ziet – anders dan de rechtbank – evenmin redenen de verklaringen die getuigen bij de rechter-commissaris hebben afgelegd te verkiezen boven de verklaringen die bij de politie zijn afgelegd.

Wel zal het hof, iedere verklaring op zijn eigen merites beoordelen, waarbij het telkens zal bezien of een getuige nader heeft verklaard over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder die getuige wetenschap heeft gekregen van de informatie, of de weergave daarvan aannemelijk is en of er redenen zijn vraagtekens te plaatsen bij de betrouwbaarheid van de verklaring(en) van de getuige.

Ten aanzien van de verklaringen van [V. van E.] overweegt het hof nog als volgt.

[V. van E.] heeft als aangeefster/getuige in de periode van maart 2005 tot en met mei 2011 meer dan twintig verklaringen afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris. Haar verklaringen hebben betrekking op verschillende personen, die haar – kort gezegd – vanaf 2002/2003 telkens hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden. Slechts een beperkt aantal van de door haar afgelegde verklaringen heeft concreet betrekking op [S.I.] en diens handelen jegens haar. Die verklaringen houden – kort gezegd – in dat [V. van E.] als prostituee tot november of december 2004 voor [A.K.] in Utrecht werkzaam was, dat zij [S.I.] op of omstreeks de jaarwisseling 2004/2005 heeft leren kennen, waarna het nog een aantal weken heeft geduurd voordat zij een relatie met hem kreeg. [S.I.] heeft haar een paar weken daarna verteld dat hij schulden had, waarna zij haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden aan hem is gaan afstaan. Op enig moment, tijdens hun relatie, is hij gewelddadig geworden jegens haar en is hij haar psychisch onder druk gaan zetten. Hun relatie duurde tot 13 maart 2005, toen zij – blijkens een politiemutatie – door de politie naar een ‘blijf-van-mijn-lijfhuis’ is gebracht.

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat [V. van E.] niet op alle onderdelen in al haar verklaringen consistent is. Het hof acht haar verklaringen desalniettemin betrouwbaar. Het hof overweegt hiertoe dat die inconsistenties, die zich laten verklaren door tijdverloop en het gegeven dat [V. van E.] in een periode van zes jaren een groot aantal verklaringen in diverse mensenhandelonderzoeken gericht tegen verschillende personen heeft afgelegd, niet de kern van haar verklaring betreffen en op een aantal onderdelen steun vinden in objectief bewijsmateriaal.

Het hof overweegt ten slotte dat wat er ook zij van de conclusies en bevindingen van de onderzoekers die het door de verdediging van medeverdachte [S.I.] ingebrachte WODC-rapport hebben opgesteld, dat de selectie en waardering van bewijsmiddelen is voorbehouden aan het hof.

Het verweer wordt derhalve op alle onderdelen verworpen.

Vrijspraak

Het misdrijf mensenhandel

Zoals hierna onder het kopje ‘Overwegingen ten aanzien van het bewijs’ nader wordt overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van de misdrijven valsheid in geschrifte. Kort gezegd, concludeert het hof dat uit de stukken in het dossier blijkt dat de [verdachte] ), [S.I.] , [A.R.] en [E.K.] gezamenlijk betrokken waren bij [kamerverhuurbedrijf 1] , in die zin dat de verdachte en [S.I.] de leiding hadden en dat [A.R.] en [E.K.] ondersteunende en faciliterende rollen vervulden.

Naar het oordeel van het hof bieden de stukken in het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het oogmerk van de criminele organisatie mede was gericht op het misdrijf mensenhandel. Hoewel vaststaat dat [A.V.] , [T.V.] , [I.G.] en [B.B.] als prostituee gedurende een zekere periode werkzaam zijn geweest in de werkkamers van het kamerverhuurbedrijf [kamerverhuurbedrijf 1] , is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende komen vast te staan dat zij zich bevonden in een uitbuitingssituatie en ook daadwerkelijk – door een ander of anderen – werden uitgebuit, en in het verlengde daarvan dat (één van) de leden van de organisatie hiervan op de hoogte was/waren en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit die uitbuiting.

Evenmin is gebleken dat (één van) de leden van de organisatie met gebruikmaking van dwangmiddelen die [A.V.] , [T.V.] , [I.G.] en [B.B.] zou/zouden hebben gedwongen dan wel bewogen om deelnemers aan de organisatie te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die vrouwen met of voor een derde.

Het hof komt daarom tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat de criminele organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen mede als oogmerk had het plegen van mensenhandel. Van dit onderdeel van het onder 3 tenlastegelegde spreekt het hof de verdachte dan ook vrij.

Het misdrijf valsheid in geschrift

Het hof zal de verdachte ook vrijspreken van een aantal onderdelen van de tenlastelegging, die zijn opgenomen onder het tweede gedachtestreepje (valsheid in geschrift), te weten ten aanzien van:

  • -

    De drie inschrijvingen bij de Kamer van Koophandel, nu niet gebleken is dat deze inschrijvingen, door een lid of meerdere leden van de criminele organisatie valselijk zijn opgemaakt of vervalst, maar dit het geval zal zijn geweest met betrekking tot de daaraan ten grondslag liggende opgaves en/of documenten, die evenwel niet in de tenlastelegging worden genoemd;

  • -

    De jaarrekening van “ [kamerverhuurbedrijf 1] ”, nu de zich in het dossier bevindende brief waaruit zou blijken dat [A.R.] de opdracht voor de jaarrekening over het jaar 2009 heeft gegeven betrekking heeft op een ander bedrijf dan “ [kamerverhuurbedrijf 1] ”.

Het misdrijf (gewoonte)witwassen

Het hof zal de verdachte ook vrijspreken van deelneming aan een criminele organisatie die het plegen van (gewoonte)witwassen tot oogmerk had.

De verdachte is ten laste gelegd deelname aan een criminele organisatie die onder meer tot oogmerk heeft (gewoonte)witwassen, als bedoeld in artikel 420 bis/ter van het Wetboek van Strafrecht, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders (telkens) een of meer geldbedrag(en) (te weten huurbedragen ten behoeve van de werkkamers van kamerverhuurbedrijf “ [kamerverhuurbedrijf 1] ”) verworven en/of voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders wist(en) dat deze geldbedrag(en) onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf”.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte betrokken is geweest bij een schijnconstructie, die de feitelijke eigenaren en exploitanten van het kamerverhuurbedrijf [kamerverhuurbedrijf 1] , te weten de verdachte en [S.I.] , buiten beeld wilde houden, en daartoe stromannen naar voren had geschoven, te weten [A.R.] en [E.K.] . Daartoe zijn valselijk de in de bewezenverklaring genoemde formulieren opgemaakt. De met de kamerverhuur verdiende geldbedragen zijn derhalve middellijk afkomstig uit enig misdrijf, namelijk de gepleegde valsheid in geschrift. Met betrekking tot die geldbedragen heeft de opsteller van de tenlastelegging kennelijk gemeend dat door het verwerven en/of voorhanden hebben van die geldbedragen, sprake was van (gewoonte)witwassen, welke feiten als oogmerk van de criminele organisatie zijn opgenomen. Daarbij is over het hoofd gezien dat de valsheid in geschrift is gepleegd door de verdachte tezamen en zijn medeverdachten. Om die reden kunnen zij, gelet op de jurisprudentie met betrekking tot artikel 420bis/ter (oud) Sr, niet worden aangemerkt als plegers van (gewoonte)witwassen van de betreffende geldbedragen, tenzij tenlastegelegd zou zijn (en bovendien bewezen zou worden verklaard) dat zij van de betreffende geldbedragen de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing hebben verborgen of verhuld, hebben verborgen of verhuld wie de rechthebbende op de geldbedragen was of de geldbedragen hebben overgedragen, omgezet of van de geldbedragen gebruik hebben gemaakt.

Nu de tenlastelegging echter enkel "verwerven en/of voorhanden hebben" van de geldbedragen noemt, kon de verdachte noch een van zijn medeverdachten met betrekking tot deze geldbedragen zich schuldig maken aan (gewoonte)witwassen en kan (gewoonte)witwassen niet als oogmerk van de criminele organisatie, waaraan de verdachte deelnam, worden beschouwd. Om die reden wordt de verdachte ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken.

[2] en/of [O.B]

Ook zal het hof de verdachte vrijspreken van deelneming aan een criminele organisatie die het plegen van misdrijven (valsheid in geschrift) ten aanzien van het kamerverhuurbedrijf [2] en/of [O.B] tot oogmerk had. De stukken in het dossier bieden daarvoor geen aanknopingspunten.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De verdediging heeft bepleit dat in het dossier onvoldoende bewijs te vinden is dat sprake was van schijnbeheer met betrekking tot het kamerverhuurbedrijf [kamerverhuurbedrijf 1] en, voor zover daarvan al sprake was, dat de verdachte daarbij op enigerlei wijze bij betrokken was, zodat de verdachte in zoverre moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

Juridisch kader van een criminele organisatie

De verdachte wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Dit is strafbaar gesteld in artikel 140 Sr. Aan deze strafbaarstelling ligt de gedachte ten grondslag dat de openbare orde beschermd dient te worden tegen organisaties die beogen misdrijven te plegen. Het gaat hier om een zelfstandig strafbaar feit. Het doet er niet toe of de misdrijven, waarop de organisatie het oog heeft, zijn gepleegd dan wel pogingen daartoe zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen daartoe zijn getroffen. Evenmin is van belang of een deelnemer aan de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven die door andere deelnemers daaraan zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of voorbereid). Niet is vereist dat een deelnemer aan de organisatie enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad. Een persoon is strafbaar louter vanwege zijn (opzettelijke) deelneming aan die organisatie.

Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie en deelneming daaraan als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan: een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken.

Niet is vereist dat het samenwerkingsverband steeds uit dezelfde personen bestaat of dat alle deelnemers elkaar kennen. Evenmin is vereist dat ten aanzien van alle deelnemers blijkt van een gestructureerde vorm van samenwerking met een of meer andere deelnemers aan de organisatie. Wel is vereist dat de deelnemers opzet hadden op het deelnemen aan deze organisatie, waartoe het voorwaardelijk opzet onvoldoende is. Daartoe dient vast komen te staan dat zij gedurende zekere tijd hebben samengewerkt met ten minste een van de andere deelnemers aan de organisatie en dat zij in zijn algemeenheid weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Die samenwerking dient voorts te hebben bestaan uit het hebben van een aandeel in, of het leveren van een bijdrage aan gedragingen, die strekten tot verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie.

Beoordeling

In de onderhavige strafzaak neemt de Molensteeg in Amsterdam een centrale plaats in. In deze steeg dreven vader [verdachte] en zoon [S.I.] in de tenlastegelegde periode een bar genaamd [D] , later ook wel de [...] . In deze steeg bevonden zich ook acht werkkamers voor prostituees, welke kamers in deze periode werden verhuurd door kamerverhuurbedrijf [kamerverhuurbedrijf 1] .

In 1998 is [verdachte] de officiële exploitant van (een aantal van) deze werkkamers geweest, totdat hem bij besluit van 24 december 1998 door de burgemeester de vereiste gedoogbeschikking werd geweigerd, nadat bij een controle in een van de werkkamers een minderjarige was aangetroffen. Uit gemeentelijke dossiers komt naar voren dat, nadat de exploitatie van de werkkamers was overgenomen door [A.A.] , het beheer daarvan werd gedaan door die [A.A.] en [verdachte] . In 2002 zijn de vergunningen van [A.A.] ingetrokken, waarna vennootschap [kamerverhuurbedrijf 1] de vergunningen aanvroeg. Naar aanleiding van signalen over betrokkenheid van [verdachte] en [S.I.] bij de kamers is – het hof begrijpt: door de gemeente – aangegeven dat dit niet wenselijk was.

Het Openbaar Ministerie stelt dat hierna, althans in de tenlastegelegde periode, de verhuur van de werkkamers niet formeel, maar wel in feite door [verdachte] en [S.I.] is voortgezet. Dit zou neerkomen op een schijnconstructie, waarbij afwisselend de stromannen [E.K.] en [A.R.] formeel [kamerverhuurbedrijf 1] leidden, terwijl de opbrengsten uit kamerverhuur grotendeels in de zakken van [verdachte] en [S.I.] vloeiden. Voor deze schijnconstructie was het georganiseerd plegen van valsheid in geschrift benodigd, zoals de aanvraag van vergunningen of aanvraagformulieren voor de prostitutiebranche. Ten bewijze dat sprake is van een criminele organisatie heeft het Openbaar Ministerie gewezen op de duidelijke verwevenheid tussen bar [D] ( [verdachte] en [S.I.] ) en [kamerverhuurbedrijf 1] ( [E.K.] en [A.R.] ) en dat duidelijk is geworden dat [verdachte] en [S.I.] [kamerverhuurbedrijf 1] exploiteerden in een leidinggevende capaciteit en dat [E.K.] en [A.R.] hun namen leenden voor onder meer het verkrijgen van vergunningen.

De verdediging heeft bepleit dat van een schijnconstructie geen sprake is en dat [verdachte] en [S.I.] enerzijds en [A.R.] en [E.K.] anderzijds elkaar enkel in het kader van een goede burenrelatie af en toe hebben geholpen.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen en de overige stukken in het dossier af dat [A.R.] (in 2004) voor een symbolisch bedrag (verklaring [A.R.] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep op 24 januari 2018) en [E.K.] blijkens een door [A.R.] en [E.K.] ondertekende overeenkomst in 2010 (R7 0018) om niet eigenaar zijn geworden van [kamerverhuurbedrijf 1] , terwijl het, blijkens de verklaring van [A.R.] (tijdens de terechtzitting van 24 januari 2018 afgelegd) en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de omzet van Kamerverhuur [kamerverhuurbedrijf 1] (R6 0756 e.v.) om een lucratief bedrijf ging. [A.R.] beschikte over de vereiste exploitatievergunning en heeft [E.K.] als beheerder aangenomen.

In deze strafzaak zijn diverse panden doorzocht, waarbij opvalt dat in de woning van [verdachte] en [S.I.] in Zaandam en in het kantoor van bar [D] veel (onder meer digitale) administratie is aangetroffen die betrekking heeft op [kamerverhuurbedrijf 1] , [E.K.] of [A.R.] , en waaruit onder meer blijkt dat regelmatig met geld van [kamerverhuurbedrijf 1] betalingen werden gedaan ten behoeve van bar [D] en [verdachte] en [S.I.] privé. In de woning van [E.K.] is administratie aangetroffen op naam van bar [D] en van [verdachte] en [S.I.] . Daarnaast is komen vast te staan dat [verdachte] en [S.I.] activiteiten hebben verricht in het kader van de verbouwing en het opknappen van de werkkamers die werden beheerd door [kamerverhuurbedrijf 1] . Ook schoot [S.I.] te hulp als prostituees lastige klanten hadden.

Hieruit komt een verwevenheid naar voren tussen bar [D] , [verdachte] en [S.I.] enerzijds en [kamerverhuurbedrijf 1] , [A.R.] en [E.K.] anderzijds. Centraal staat de vraag hoe die verwevenheid moet worden geduid. Anders dan de verdediging, die heeft gesteld dat het hier uitsluitend ging om een goede burenrelatie, is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting met voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat [verdachte] en [S.I.] het kamerverhuurbedrijf in werkelijkheid exploiteerden. Uit opgenomen telefoongesprekken blijkt namelijk dat [verdachte] en/of [S.I.] aan [A.R.] en [E.K.] instructies gaven en/of vragen stellen in het kader van de kamerverhuur, bijvoorbeeld wat betreft het schoonmaken van de kamers, het toedelen van bepaalde kamers en het openen van de werkkamers als (kennelijk) prostituees staan te wachten. Ook besprak [verdachte] met de boekhouder zaken met betrekking tot [kamerverhuurbedrijf 1] . De (geplande) eigendomsoverdrachten met gesloten beurzen duiden er daarnaast op dat de nieuwe eigenaar dat slechts op papier werd, nu het hoogst onwaarschijnlijk is dat bij een daadwerkelijke overname van een dergelijk winstgevend bedrijf met een gebleken omzet van ten minste tienduizend euro per maand (R6 0756) geen overnamesom zou worden betaald. [A.R.] heeft als getuige ter zitting in hoger beroep verklaard dat de inkomsten uit [kamerverhuurbedrijf 1] (het hof begrijpt: in de periode dat hij bij het bedrijf betrokken was) aanzienlijk waren.

Dat [A.R.] als stroman is opgetreden en niet de beloning ontving die de eigenaar van [kamerverhuurbedrijf 1] zou moeten toekomen, blijkt ook uit het feit hij in de periode dat hij eigenaar was van [kamerverhuurbedrijf 1] een volledig dienstverband had in de bediening bij een horecagelegenheid. Desgevraagd heeft zijn moeder verklaard dat zij [A.R.] niet in staat achtte om een bedrijf te runnen en dat hij nooit geld had.

Ook [E.K.] is als stroman opgetreden. Hij was dagelijks aanwezig en betrokken bij het verhuren van de kamers van [kamerverhuurbedrijf 1] . [E.K.] werd aangesproken door [verdachte] over bijvoorbeeld het schoonmaken van de kamers en gaf aan [S.I.] door welk meisje nog niet betaald had.

De stelling van de verdediging, dat de betalingen door [kamerverhuurbedrijf 1] aan [verdachte] en [S.I.] terugbetalingen van leningen betroffen dan wel voorschotten in verband met geldgebrek bij [verdachte] en [S.I.] , is niet onderbouwd en overigens geenszins aannemelijk geworden. Het hof benadrukt in dit verband dat uit de stukken in het dossier niet is gebleken van enige (terug)betaling van [verdachte] en [S.I.] aan [kamerverhuurbedrijf 1] .

De verdediging heeft aangevoerd dat de contacten die de verdachten gezamenlijk hadden met de medewerkers van het boekhoudkantoor ‘Interpower’ hoofdzakelijk verband hielden met de voorgenomen aankoop van de [bar B] .

Vaststaat dat [verdachte] en [S.I.] – als eigenaren van de bar [D] – gebruik maakten van de diensten van ‘Interpower’ en dat ‘Interpower’ ook [kamerverhuurbedrijf 1] als klant had.

De verdediging heeft gesteld dat de gezamenlijke contacten met ‘Interpower’, meer in het bijzonder met [E.S.] en [R.T.] , hoofdzakelijk verband hielden met de voorgenomen aankoop van de [bar B] (het hof begrijpt, gelet op de toelichting van de raadsman, in januari/februari 2010) en heeft ter onderbouwing van deze stelling onder meer gewezen op in het dossier aanwezige telefoontaps. De telefoontaps waar de verdediging op heeft gewezen dateren van de periode 13 januari 2010 tot en met 22 februari 2010. Uit deze telefoontaps kan worden afgeleid dat [verdachte] en [S.I.] in de genoemde periode bezig zijn geweest financiering te zoeken in verband met de aankoop van een bedrijfsruimte [ [S.I.] (taplijn SI01, 13-01-2010, 15:39:28, P3 0082 e.v.) tegen ‘Sahin’: ‘er is een pand te koop in onze straat’, bedrijfsruimte en daarboven gaan we dan verhuren’ verhuren’ en verder: ‘onze papieren wel eens ontoereikend kunnen zijn’, waarna hij Sahin vraagt of hij hen daar niet bij behulpzaam zou kunnen zijn]. De taps houden voorts in dat [S.I.] belt met ‘Interpower’ in verband met stukken voor het kopen van het pand. In dit gesprek wordt ook gesproken over ‘de borg voor [kamerverhuurbedrijf 1] ’ (taplijn AI01, 01-02-2010, 16:40:26, P3 0072 e.v.). Eerder gaf [verdachte] bij [S.I.] aan dat [A.R.] garant staat voor hem (taplijn AI01, 21-01-2010, 19:44:44, P4 0029 e.v.).

Het is juist als de verdediging stelt dat uit de bedoelde telefoontaps kan worden afgeleid, dat sprake is van een voorgenomen aankoop van een pand waarvoor financiering wordt gezocht, het boekhoudkantoor ‘Interpower’ daar behulpzaam bij is en gesproken wordt over ‘ [A.R.] staat garant’ en ‘de borg van [kamerverhuurbedrijf 1] ’.

Naar het oordeel van het hof bieden deze telefoontaps, voor zover ze al een redengevend zouden kunnen zijn voor de gezamenlijk contacten van de verdachten in relatie tot ‘Interpower’, geen verklaring voor de bedoelde gezamenlijke contacten in een andere periode (te weten juli 2009) dan die van de bedoelde telefoontaps. De telefoontaps waar de verdediging op wijst, bieden ook geen verklaring voor het aantreffen van een groot aantal bescheiden/bestanden uit de administratie van [kamerverhuurbedrijf 1] in de woning van [verdachte] en [S.I.] in Zaandam en in het kantoor van bar [D] .

Het zoeken naar financiering voor de aankoop van een pand verklaart overigens evenmin de betrokkenheid van [verdachte] bij het zoeken naar een advocaat met hulp van [R.T.] van ‘Interpower’ in verband met de problemen met de vergunning van [kamerverhuurbedrijf 1] , zoals dit kan worden afgeleid uit de telefoontap van 16 februari 2010, 09:32:03 tussen [E.K.] , [verdachte] en [R.T.] (P1 0355 e.v. in combinatie met het door [verbalisant 4] op 25 juli 2011 gemaakte proces-verbaal, betreffende het in zee gaan met [advocaat] (R6 0881 e.v.)). In deze laatst genoemde telefoontap legt [R.T.] een en ander uit aan [verdachte] en beveelt hij [advocaat] aan bij [verdachte] . Het hof leidt uit deze telefoontap niet alleen af dat [verdachte] belang heeft bij de vergunning van ‘ [kamerverhuurbedrijf 1] ’ maar ook dat [verdachte] kennelijk voldoende Nederlands spreekt en begrijpt om met [R.T.] te communiceren. De ook door de verdediging geponeerde stelling dat [verdachte] samen met [E.K.] naar de boekhouder ging omdat [E.K.] dan kon tolken is dan ook moeilijk houdbaar.

Uit het voorgaande en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] , [S.I.] , [A.R.] en [E.K.] gezamenlijk betrokken waren bij [kamerverhuurbedrijf 1] . [verdachte] en [S.I.] hadden daar de leiding en [A.R.] en [E.K.] vervulden de ondersteunende (beheer, werkzaamheden) en faciliterende (vergunningen, tenaamstelling) rollen.

De vraag of dit samenwerkingsverband gezien moet worden als een criminele organisatie, beantwoordt het hof bevestigend. Dit samenwerkingsverband had immers het oogmerk op het in deze rolverdeling jarenlang laten bestaan van een schijnconstructie, in welk kader valsheid in geschrift als misdrijf werd gepleegd, en waarbij elke verdachte een wezenlijke rol speelde. Ook de structuur en duurzaamheid zijn daarmee gegeven. Het bewijs van het opzet van de verdachte op de deelname aan en op het oogmerk van de organisatie volgt uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen hiervoor is overwogen. Hetgeen de raadsman overigens nog naar voren heeft gebracht, vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 20 april 2010 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie welke werd gevormd door hem, verdachte, en [E.K.] en [A.R.] en [S.I.] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven,

- valsheid in geschrifte, als bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die valsheid bestond uit het valselijk opmaken en/of vervalsen van geschriften die betrekking hadden op de exploitatie van en/of vergunningen voor kamerverhuurbedrijf ' [kamerverhuurbedrijf 1] ' te weten:

de 'aanvraag vergunningen horecabedrijf /prostitutiebeleid' op naam van [A.R.] betreffende de percelen Molensteeg 4, 7 en 11 d.d. 6 december 2006 en

de 'aanvullende aanvraagformulieren Natuurlijke Personen voor de prostitutiebranche (inclusief Bibob-vragen)' op naam van [E.K.] betreffende de percelen Molensteeg 4, 7, 9 en 11 d.d. 20 januari 2010 en

de overeenkomst "Overdracht onderneming [kamerverhuurbedrijf 1] Kamerverhuur" d.d. 20 januari 2010.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg voor het bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 29 maanden, met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van dit arrest in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 29 maanden, met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van dit arrest in voorarrest heeft doorgebracht en een geldboete van € 20.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 135 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan - kort gezegd - deelneming aan een criminele organisatie, die was gericht op valsheid in geschrift.
Samen met zijn medeverdachten heeft de verdachte een (prostitutie) kamerverhuurbedrijf gerund waarbij door middel van valsheid in geschrift de daadwerkelijk rechthebbende op de inkomsten van het bedrijf werd verhuld. Achtergrond hiervan was dat de verdachte geen vergunning (meer) kon verkrijgen voor het exploiteren van een bedrijf in de prostitutiebranche, in verband met eerdere door de gemeente geconstateerde onregelmatigheden. De verdachte en zijn zoon [S.I.] hebben de medeverdachten [A.R.] en [E.K.] bereid gevonden om samen met hen een schijnconstructie door middel van valsheid in geschrift in het leven te roepen en zich aldus schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie.

De prostitutiebranche op de ‘Wallen’ in Amsterdam wordt gereguleerd door een strikt vergunningenstelsel dat door de verdachte en zijn medeverdachten is omzeild. De gemeente heeft aldus geen adequaat toezicht kunnen houden op de exploitatie van [kamerverhuurbedrijf 1] en de geschiktheid en integriteit van de rechthebbenden. Dat de criminele organisatie, zoals die door de verdachte en zijn medeverdachten is gevormd, het mogelijk heeft gemaakt dat een eerder geweigerde exploitatievergunning te niet werd gedaan door de op valsheid in geschrift gebaseerde schijnconstructie, maakt dat sprake is van een ernstig strafbaar feit.

Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is tegen deze achtergrond onontkoombaar. Het hof acht gezien het bedrijfseconomisch kader waarbinnen strafbaar is gehandeld naast een gevangenisstraf ook een geldboete geïndiceerd. De op te leggen straf is wel lager dan de door de advocaat-generaal gevorderde straf, mede omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan die waarop de advocaat-generaal haar eis heeft gebaseerd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 april 2018 is hij eerder wegens misdrijven door de strafrechter veroordeeld.

Het hof constateert, zoals ook door de verdediging van de verdachte is bepleit, dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Immers, vanaf het moment waarop de verdachte is aangehouden op 20 april 2010 tot aan het wijzen van arrest door het hof op 5 juni 2018 is een periode verstreken van meer dan acht jaren. Er is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep wanneer naar de totale duur van de procedure wordt gekeken sprake van een behoorlijke overschrijding van de redelijke termijn, die niet alleen aan de verdachte te wijten is. Het hof zou zonder evengenoemde constatering, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden hebben opgelegd. Gelet echter op de hiervoor vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, moet voor wat betreft de op te leggen gevangenisstraf worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur. Voor een verdergaande matiging bijvoorbeeld gezien de door de raadsman gestelde gebreken in het vooronderzoek alsmede de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, ziet het hof geen aanleiding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 63 en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 20.000,00 (twintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 135 (honderdvijfendertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. M.J.A. Plaisier en mr. H.A. van Eijk, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 juni 2018.

Mr. Van Eijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.