Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1811

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
18-06-2018
Zaaknummer
200.190.986/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 11 oktober 2016 (voegingsincident). Effectenlease. Beroep op vernietiging ex art. 1:88/89 BW. Stuiting verjaringstermijn door dagvaarding van 13 maart 2003 in collectieve procedure. Bewijsvermoeden en/of-rekening ontzenuwd. Beroep op verjaring wordt afgewezen. Zie ËCLI:NL:GHAMS:2016:4121.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.190.986/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 3966822 DX EXPL 15-42

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 mei 2018

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

en

[X] ,

wonend te [woonplaats] ,

gevoegde en tussengekomen partij,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen:

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding

Partijen worden hierna [appellante] en [X] (gezamenlijk [X] c.s.) en Dexia genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 11 oktober 2016 in het incident tot voeging en tussenkomst een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dit tussenarrest verwezen.

Partijen hebben vervolgens de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven na voeging en tussenkomst van [X] ;

- memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van antwoord na voeging en tussenkomst, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel van Dexia, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellante] ;

- akte uitlaten jurisprudentie van [appellante] ;

- antwoordakte van Dexia.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft in het principaal appel geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen van 24 september 2015 en 17 maart 2016 zal vernietigen en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - voor recht zal verklaren dat de onderhavige leaseovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd, Dexia zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te voldoen al hetgeen is betaald onder deze leaseovereenkomst, met rente, en de vordering van Dexia zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten in beide instanties, met nakosten.

[X] heeft in het principaal appel geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen van 24 september 2015 en 17 maart 2016 zal vernietigen en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - voor recht zal verklaren, jegens Dexia en jegens [appellante] , dat [appellante] geen afstand van recht kon doen van de rechten van [X] uit hoofde van de artt. 1:88 en 89 BW (en van de rechten die uit de vernietiging ex art. 1:89 BW voortvloeien) en ook geen rechten van [X] te dien aanzien kon verwerken en dat het hof voor recht zal verklaren dat de onderhavige leaseovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd, Dexia zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] dan wel [X] te voldoen al hetgeen is betaald onder deze leaseovereenkomst, met rente, en de vordering van Dexia zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten in beide instanties, met nakosten.

Dexia heeft in het principaal appel geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [X] c.s. in het door hen ingestelde hoger beroep, althans tot verwerping van de grieven, en het bestreden vonnis te bevestigen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten. In het incidenteel appel heeft Dexia geconcludeerd dat het hof - uitvoerbaar bij voorraad - voor recht zal verklaren dat haar vordering ten aanzien van onderhavige leaseovereenkomst tijdig is gestuit, [appellante] zal gelasten het uit het Hofmodel voortvloeiende bedrag van € 2.485,26 aan haar te betalen, met rente, en voor recht zal verklaren dat Dexia ten aanzien van deze overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [appellante] verschuldigd is. Het vorenstaande met beslissing over de proceskosten, met nakosten.

[appellante] heeft in het incidenteel appel geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Dexia in haar hoger beroep, althans tot verwerping van de grieven, kosten rechtens.

[appellante] en [X] en Dexia hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 24 september 2015 onder 1.2 tot en met 2.3 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen.

3 Beoordeling

3.1

Het hof stelt vast dat partijen zich, in het door hen gezamenlijk ex art. 96 Rv tot de kantonrechter gerichte verzoek, uitdrukkelijk het recht van hoger beroep hebben voorbehouden.

3.2

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van art. 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in art. 2 van de WCAM-overeenkomst. [appellante] heeft bij aangetekende brief van 27 maart 2007 tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst haar niet bindt.

3.3

Deze procedure ziet op de door [appellante] met Dexia op 21 februari 2001 gesloten leaseovereenkomst WinstVerDriedubbelaar (hierna: de leaseovereenkomst), die in februari 2004 is verlengd voor eenzelfde termijn van 36 maanden. Van deze overeenkomst heeft [X] bij vernietigingsbrief van 26 maart 2007, ontvangen door Dexia op 30 maart 2007, de nietigheid ingeroepen.

3.4

Op gezamenlijk verzoek van [appellante] en Dexia ex art. 96 Rv heeft de kantonrechter bij vonnis van 2 april 2015 een getuigenverhoor bevolen. Vervolgens heeft [appellante] bij akte van 4 mei 2015 haar beroep op de artt. 1:88 jo. 1:89 BW ingetrokken. In r.o. 4.1 van het bestreden vonnis van 24 september 2015 heeft de kantonrechter overwogen dat, nu [appellante] haar beroep op de artt. 1:88 jo. 1:89 BW in deze procedure uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk heeft ingetrokken, zij haar rechten dienaangaande heeft verwerkt en zij niet langer de mogelijkheid heeft haar rechten op voornoemd beroep alsnog voor te behouden. In verband met de door Dexia ingestelde tegenvordering uit hoofde van de restschuld heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten. In het bestreden vonnis van 17 maart 2016 heeft de kantonrechter - mede naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) - overwogen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de leaseovereenkomst is gestuit door de collectieve procedure, maar dat [appellante] door de onvoorwaardelijke intrekking van haar beroep op de artt. 1:88/1:89 BW haar rechten dienaangaande heeft verwerkt en niet langer de mogelijkheid heeft om zich haar rechten op dat beroep alsnog voor te behouden. Gelet hierop zijn de vorderingen van [appellante] afgewezen. De door Dexia gevorderde verklaring voor recht dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan is eveneens afgewezen omdat Dexia nog betalingsverplichtingen had jegens [appellante] .

3.5

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen partijen met hun grieven op.

3.6

Met grief 1 in principaal appel betoogt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat zij haar beroep op de artt. 1:88/1:89 BW onvoorwaardelijk heeft ingetrokken en dat zij haar rechten dienaangaande heeft verwerkt. Volgens [appellante] heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat de leaseovereenkomst tijdig en rechtsgeldig is vernietigd, maar ten onrechte de daaruit voortvloeiende vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling afgewezen.

3.7

Dexia betoogt dat [X] c.s. op grond van de regels van een goede procesorde het beroep op de artt. 1:88 jo. 1:89 BW in hoger beroep niet meer toekomt.

3.8

Het hof overweegt als volgt. Het intrekken van het beroep op art. 1:88 BW bij akte van 4 mei 2015 moet worden aangemerkt als een vermindering van eis in de zin van art. 129 Rv (vgl. eerder ECLI:NL:GHAMS:2013:3463). [appellante] is teruggekomen van genoemde vermindering, althans heeft zich de mogelijkheid voorbehouden een beroep op art. 1:88 BW te doen, zoals blijkt uit haar akte van 9 juli 2015 (onder 2.), waarin zij bovendien een beroep doet op de stuitende werking van de collectieve procedure, zoals ingeleid bij dagvaarding van 13 maart 2003 (onder 14 tot en met 25). Van een onvoorwaardelijke intrekking, zoals door de kantonrechter is overwogen in de bestreden vonnissen, is dan ook geen sprake. Wat daar van zij, in hoger beroep is [appellante] teruggekomen van genoemde vermindering van eis en heeft (de gronden van) haar eis in de zin van art. 130 Rv vermeerderd, in die zin dat zij zich in hoger beroep beroept op art. 1:88 jo. 1:89 BW. Nu onvoldoende is gebleken dat de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde, is deze toelaatbaar. Dexia heeft aan haar stelling op dat punt slechts ten grondslag gelegd dat [appellante] aldus terugkomt op de intrekking, maar dat volstaat niet nu een dergelijk beroep, mede gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep, slechts in uitzonderlijke omstandigheden gegrond kan worden geoordeeld. Nu Dexia geen andere omstandigheden noemt, heeft Dexia haar beroep op rechtsverwerking onvoldoende toegelicht en gaat het hof ook daaraan voorbij. In het licht van het vorenstaande komt [appellante] in hoger beroep nog een beroep toe op de artt. 1:88 en 1:89 BW, waarover het hof als volgt oordeelt.

3.9

[appellante] beroept zich onder verwijzing naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) op de stuitende werking van de collectieve procedure die de Stichting Eegalease en de Consumentenbond bij dagvaarding van 13 maart 2003 tegen Dexia aanhangig hebben gemaakt.

3.10

Dit beroep slaagt. De Hoge Raad besliste in zijn arrest van 9 oktober 2015 (onder meer) dat de stuitende werking op de voet van art. 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van op die collectieve actie aansluitende individuele vorderingen tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW. Een dergelijke buitengerechtelijke vernietigingsverklaring heeft bovendien te gelden als een nieuwe eis in de zin van art. 3:316 lid 2 BW. Ten slotte besliste de Hoge Raad dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden nadat het geding is beëindigd is verstreken, tijdig is uitgebracht. Het geding moet worden geacht te zijn geëindigd als bedoeld in art. 3:316 lid 2 BW met de beslissing van 25 januari 2007 op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst (zie hiervoor in 3.2), zodat uiterlijk op 25 juli 2007 een vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de leaseovereenkomst diende te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht (HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936). Hetgeen Dexia verder nog naar voren brengt ter betwisting van de stuitende werking van de collectieve procedure faalt, gelet op hetgeen is overwogen en beslist in genoemde arresten van de Hoge Raad.

3.11

De leaseovereenkomst is gesloten op 21 februari 2001 en met de brief van 26 maart 2007 is een beroep gedaan op de nietigheid van de leaseovereenkomst in verband met het bepaalde in art. 1:88 lid 1 BW. Uit het voorgaande volgt dat de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de leaseovereenkomst is gestuit door de dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure en dat, nu de collectieve procedure is geëindigd op 25 januari 2007, met de brief van 26 maart 2007 de leaseovereenkomst tijdig is vernietigd.

3.12

Nu grief 1 slaagt behoeven de overige stellingen en verweren geen bespreking. De vordering van [appellante] zal worden toegewezen als na te melden. Dexia heeft een bewijsaanbod gedaan. Nu door haar echter geen feiten zijn gesteld en/of voldoende gespecificeerd te bewijzen zijn aangeboden die tot een andere uitkomst van het geding kunnen leiden, wordt het bewijsaanbod gepasseerd.

3.13

In de memorie van grieven onder 3.11 - wettelijke rente betoogt [appellante] dat Dexia de betalingen te kwader trouw in de zin van art. 6:205 BW heeft aangenomen met als gevolg dat Dexia de wettelijke rente verschuldigd is telkens vanaf de datum van die betalingen. Zij onderbouwt de kwade trouw bij Dexia met de stelling dat Dexia wist dat de leaseovereenkomst zonder schriftelijke toestemming van de echtgenote was afgesloten, dat sprake was van een huurkoopovereenkomst en dat Dexia derhalve wist dat de leaseovereenkomst bloot stond aan vernietiging ex art. 1:88 e.v. BW, maar dat zij kennelijk dat risico heeft aanvaard.

3.14

Dienaangaande geldt het volgende. Van kwade trouw is sprake indien de ontvanger de betaling in ontvangst heeft genomen terwijl hij wist of vermoedde dat hij geen recht had op de betaling. Het gaat daarbij om louter subjectieve kennis. De vraag of de ontvanger had moeten of kunnen weten dat onverschuldigd werd betaald, is niet aan de orde. Het betreft hier immers geen nietige maar een slechts vernietigbare overeenkomst, die voor geldig wordt gehouden totdat ze op goede gronden wordt vernietigd. Op het moment van ontvangst van de betaalde bedragen wist Dexia niet dat deze betalingen als onverschuldigd zouden worden aangemerkt, doordat op een later moment de andere echtgenoot de overeenkomst zou vernietigen. Pas vele jaren na het afsluiten van de overeenkomst is in de rechtspraak definitief uitgemaakt dat dergelijke overeenkomsten kwalificeren als huurkoop (zie HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837), zodat niet kan worden gezegd dat Dexia er tijdens het sluiten van de overeenkomst al vanuit moest gaan dat deze zou leiden tot onverschuldigde betalingen. Afgezien daarvan is vanwege de fluctuerende aandelenkoersen ook onzeker of de andere echtgenoot de overeenkomst zal vernietigen.

3.15

Het door Dexia terug te betalen bedrag zal overeenkomstig haar betoog worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2007, dat is twee weken na ontvangst van de vernietigingsbrief door Dexia op 30 maart 2007, met dien verstande dat voor zover Dexia nadien betalingen van [appellante] heeft ontvangen wettelijke rente pas is verschuldigd vanaf de datum van ontvangst hiervan.

3.16

Dexia zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties en van het incident in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de leaseovereenkomst WinstVerDriedubbelaar met nummer [nummer] (inclusief verlenging) rechtsgeldig is vernietigd;

veroordeelt Dexia tot (terug)betaling van al hetgeen krachtens de leaseovereenkomsten aan Dexia is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 april 2007 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding, in eerste aanleg begroot op € 77,- aan verschotten en € 300,- voor salaris en in hoger beroep, tot op heden begroot op € 408,08 aan verschotten en € 2.683,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.W.M. Tromp en M.P. van Achterberg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018.