Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1809

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
18-06-2018
Zaaknummer
200.181.750/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Beroep op vernietiging ex art. 1:88/89 BW. Stuiting verjaringstermijn door dagvaarding van 13 maart 2003 in collectieve procedure. Bewijsvermoeden en/of-rekening ontzenuwd. Beroep op verjaring wordt afgewezen. Aan de stellingen aan beide zijden over eventueel onrechtmatig handelen van de tussenpersoon en de daaraan te verbinden consequenties wordt niet toegekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.181.750/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 2895500 DX EXPL 14-90

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 mei 2018

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant, tevens geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen:

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde, tevens appellante in voorwaardelijk incidenteel appel

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Dexia genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 2 december 2015 in hoger beroep gekomen van – naar het hof begrijpt – de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 16 november 2014 en 8 oktober 2015, in de procedure onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Dexia als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met één productie;

- akte van de kant van [appellant] ;

- antwoordakte van de kant van Dexia.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en – voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zijn vordering, zoals geformuleerd in de memorie van grieven, zal toewijzen en die van Dexia zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.

Dexia heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten, met wettelijke rente en nakosten.

In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft Dexia geconcludeerd dat het hof – voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – haar vordering, zoals geformuleerd in de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, met wettelijke rente en nakosten. [appellant] heeft in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep geconcludeerd de grief van Dexia te verwerpen.

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 6 november 2014 onder 1.1 tot en met 1.6 feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen.

3 Beoordeling

3.1

Het hof stelt vast dat partijen zich, in het door hen gezamenlijk ex art. 96 Rv tot de kantonrechter gerichte verzoek, uitdrukkelijk het recht van hoger beroep hebben voorbehouden.

3.2

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van art. 7:907, lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in art. 2 van de WCAM-overeenkomst. [appellant] heeft tijdig een opt-out verklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt.

3.3

Deze procedure ziet op vier door [appellant] met Dexia gesloten leaseovereenkomsten (hierna: de leaseovereenkomsten). Ten aanzien van de leaseovereenkomsten heeft de echtgenote van [appellant] , [X] (hierna: [X] ), bij brief van 18 juli 2005 de nietigheid ingeroepen. Dexia beroept zich op verjaring van de rechtsvordering van [X] tot vernietiging daarvan.

3.4

De leaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van art. 1:88, lid 1 aanhef en onder d BW. [X] heeft op grond van art. 1:89 lid 1 BW het recht de leaseovereenkomsten te vernietigen, omdat zij voor het aangaan daarvan door [appellant] geen schriftelijke toestemming heeft gegeven.

3.5

Uit art. 3:52, lid 1 aanhef en onder d BW in samenhang met art. 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens art. 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge art. 3:52 lid 2 BW kan na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd. De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de betrokken echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Voor zover [appellant] in zijn grief 2 omtrent het voorgaande een ander standpunt heeft verdedigd gaat dat betoog niet op. Het hof wijst in dat verband op het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866.
Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rust de stelplicht, en bij voldoende betwisting, de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot kan worden afgeleid. In dat kader heeft Dexia in eerste aanleg naar voren gebracht dat de betalingen zijn gedaan vanaf een en/of-rekening die op naam van [appellant] en [X] stond, waaruit volgt dat [X] op de hoogte was van de leaseovereenkomsten met ingang van de oudste ontvangstdata van de bankafschriften waarop die betalingen staan vermeld. Daarnaast heeft [appellant] aanzienlijke bedragen vooruit betaald en heeft [appellant] uit hoofde van een eerder met Dexia gesloten overeenkomst een aanzienlijk voordeel ontvangen. Aan deze feiten en omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat de betalingen aan Dexia zijn gedaan vanaf een en/of-rekening, heeft de kantonrechter, conform vaste jurisprudentie, het bewijsvermoeden ontleend dat [X] meer dan drie jaar voor de vernietigingsbrief van 18 juli 2005 bekend was met de leaseovereenkomsten. Hiermee faalt ook grief 3 inzake het aannemen van een bewijsvermoeden.

3.6

Ter zitting van 8 juli 2014 zijn [appellant] en [X] als getuigen gehoord. In het vonnis van 6 november 2014 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] er niet in is geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen, het beroep van Dexia op verjaring geslaagd geacht en de vorderingen van [appellant] afgewezen. Bij vonnis van 18 oktober 2015 is het door Dexia (in reconventie) gevorderde tot een bedrag van

€ 13.952,84, met rente, toegewezen.

3.7

Met grief 1 beroept [appellant] zich onder verwijzing naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 op de stuitende werking van de collectieve procedure die de Stichting Eegalease en de Consumentenbond bij dagvaarding van 13 maart 2003 tegen Dexia aanhangig hebben gemaakt. Dexia betwist op verschillende gronden dat de collectieve actie stuitende werking heeft.

3.8

Dienaangaande geldt het volgende. De beslissing van de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015 biedt geen ruimte voor de redenering van Dexia en de daaraan verbonden conclusie dat de dagvaarding van 13 maart 2003 de verjaring niet stuit. Waar een ‘opt-out’-verklaring geen afbreuk doet aan de stuitende werking van die dagvaarding – zoals de Hoge Raad heeft overwogen – doet logischerwijs bedoelde afstandsverklaring van de belangenorganisaties in de hoofdovereenkomst daaraan evenmin afbreuk; die afstandsverklaring was ten tijde van de ‘opt-out’-verklaring immers al een feit.

3.9

De Hoge Raad heeft in genoemde beslissing geconcludeerd dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht. Genoemd artikellid bepaalt dat de verjaring slechts is gestuit indien binnen zes maanden, nadat het geding door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd een nieuwe eis wordt ingesteld.

3.10

Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat voor wat betreft de twee leaseovereenkomsten van 14 maart 2000 de verjaring (tijdig) is gestuit door de dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure. De vernietigingsbrief van 18 juli 2005 is bovendien tijdig uitgebracht, want binnen een termijn van zes maanden nadat de collectieve procedure is geëindigd.

3.11

Voor wat betreft de andere twee leaseovereenkomsten van 29 februari 2000 ligt de vraag voor of [X] wist van de leaseovereenkomsten eerder dan drie jaar voor 13 maart 2003, de datum van de dagvaarding in de collectieve procedure. Het hof is anders dan de kantonrechter van oordeel dat de rechtsvordering van [X] tot vernietiging van de leaseovereenkomsten niet is verjaard en overweegt als volgt.

3.12

De echtelieden hebben op hoofdlijnen eensluidend en consistent verklaard over de wijze waarop de financiële huishouding binnen hun gezin was geregeld: beiden hadden een eigen en/of-rekening en beheerden deze rekening zelf. De rekening die [appellant] beheerde was een en/of-rekening waarvan [X] enige tijd een pas had die zij nooit gebruikte. Van deze rekening werden de vaste lasten betaald, ook de hypotheek en de betalingen aan Dexia. [appellant] deed de overboekingen van die rekening en archiveerde de bankafschriften.

3.13

Op grond van de getuigenverklaringen en de in het geding gebrachte stukken, ook in onderling verband en samenhang bezien, is niet bewezen dat [X] eerder dan drie jaren voor 13 maart 2003 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de twee leaseovereenkomsten van 29 februari 2000. Met name volgt dat niet uit hetgeen Dexia heeft gesteld terzake van de eerdere, door de echtelieden gezamenlijk gesloten leaseovereenkomst, welke geen onderwerp van de onderhavige procedure is. Ook uit de ondertekening van het acceptatieformulier behorende bij de twee leaseovereenkomsten van 29 februari 2000 kan geen bekendheid worden afgeleid, nu [X] stellig heeft betwist dat het haar handtekening is, die daaronder staat. Gelet op het bepaalde in art. 159 lid 2 Rv had Dexia moeten aanbieden te bewijzen dat het wel degelijk de handtekening van [X] is, hetgeen zij niet heeft gedaan. Nu Dexia ook voor het overige geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat haar beroep op verjaring desondanks opgaat en geen nader bewijs heeft aangeboden, is de conclusie dat grief 5 slaagt.

3.14

Gelet op het voorgaande zal de vordering van [appellant] worden toegewezen. Het hof merkt op dat de stellingen aan beide zijden over eventueel onrechtmatig handelen van de tussenpersoon en de daaraan te verbinden consequenties geen bespreking behoeven, omdat hetgeen [appellant] vordert niet gebaseerd is op zijn stellingen op dat punt. De ingangsdatum van de wettelijke rente zal worden bepaald op 14 dagen na ontvangst van de vernietigingsbrief door Dexia op 19 juli 2005, derhalve 2 augustus 2005. [appellant] stelt immers dat Dexia heeft erkend vanaf deze datum in verzuim te zijn, welke stelling Dexia niet heeft betwist. De door [appellant] ingestelde restitutievordering, met de datum van betalen als ingangsdatum van de wettelijke rente, is toewijsbaar, nu het eindvonnis van de kantonrechter waarop die betaling steunt geen stand houdt. De vorderingen van Dexia worden afgewezen.

3.15

Aan de behandeling van het incidenteel hoger beroep wordt niet toegekomen nu niet is voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarde.

3.16

Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt de vonnissen waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de vier leaseovereenkomsten Allround Effect met contractnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] rechtsgeldig op grond van art. 1:88 en 1:89 BW zijn vernietigd;

veroordeelt Dexia tot (terug)betaling van al hetgeen krachtens de leaseovereenkomsten aan Dexia is betaald, te verminderen met hetgeen op grond van de leaseovereenkomsten van Dexia is ontvangen en te vermeerderen met de wettelijke rente over het saldo vanaf 2 augustus 2005 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Dexia tot terugbetaling van het bedrag van € 20.665,53 dat [appellant] ingevolge het vernietigde eindvonnis van de kantonrechter aan Dexia heeft betaald, vermeerderd met de rente vanaf de dag van betaling aan Dexia tot de dag van terugbetaling;

wijst af het anders of meer door [appellant] gevorderde;

wijst af de vorderingen van Dexia;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 77 aan verschotten en € 300 voor salaris en in hoger beroep op € 408,19 aan verschotten en € 1.341,- voor salaris en op € 131 voor nasalaris, te vermeerderen met € 68 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018.