Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1783

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
200.186.977/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 1 augustus 2017. Bevel deskundigenonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.186.977/01

zaaknummer rechtbank : 4292078/CV EXPL 15-5914/WT

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 mei 2018

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. S. Smit te Alkmaar,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. K. Roderburg te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

Het hof heeft in deze zaak op 1 augustus 2017 een tussenarrest uitgesproken, hierna: het tussenarrest. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt naar het tussenarrest verwezen.

Partijen hebben zich vervolgens ieder bij akte uitgelaten over het te gelasten deskundigenbericht, het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen.

Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

In overweging 3.11 van het tussenarrest heeft het hof overwogen dat als het kwartsstof afkomstig is van het schuren van de vloer door [geïntimeerde] , [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade (behoudens de mogelijke ‘eigen schuld’ van [appellant] ), dat voor die aansprakelijkheid vastgesteld dient te worden dat het op de lamellen aanwezige kwartsstof afkomstig is van het schuren van de vloer door [geïntimeerde] en dat het hof voor die vaststelling behoefte heeft aan deskundige voorlichting. Als de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen heeft het hof voorgesteld:

1. Is het op de lamellen aanwezige kwartsstof afkomstig van het schuren van de vloer?

2. Zo ja, is het kwartsstof zodanig van alle lamellen te verwijderen dat geen zichtbare schade resteert?

3. Heeft u nog opmerkingen in het kader van de u gegeven opdracht en/of die u voor de beoordeling van uw antwoorden van belang acht, zo ja, welke zijn dat?

2.2

[appellant] heeft de heer [A] , werkzaam bij Nebest B.V. en specialist in betononderzoek en -onderhoud, als te benoemen deskundige voorgesteld en heeft verzocht de door het hof voorgestelde vraag 2 als volgt aan te passen:

Zo ja, is het kwartsstof zodanig zonder noemenswaardige kosten van alle lamellen te verwijderen dat geen zichtbare schade resteert?

[geïntimeerde] heeft de heer J. Bovend’Eerdt, verbonden aan ABT Ingenieurs te Velp en specialist op het gebied van betononderzoek, als te benoemen deskundige voorgesteld.

[geïntimeerde] heeft ingestemd in met de door het hof voorgestelde vragen maar heeft bezwaar gemaakt tegen de door [appellant] voorgestelde aanpassing van vraag 2. [geïntimeerde] stelt voor om aan vraag 2 (zoals door het hof geformuleerd in het tussenarrest) de volgende vervolgvraag toe te voegen:

“Zo ja, wat bedragen de kosten voor het verwijderen van het kwartsstof van de lamellen?”.

2.3

Bij e-mailbericht van 22 december 2017 heeft mr. J. Swaan, kantoorgenoot van mr. S. Smit, de griffie van het hof bericht dat [appellant] instemt met de benoeming van Bovend’Eerdt.

Bij brieven van 19 januari 2018 en 1 februari 2018 heeft Bovend’Eerdt de griffie van het hof bericht dat hij geen banden met een van partijen heeft, dat hij bereid is de voorgenomen benoeming tot deskundige te aanvaarden en dat hij verwacht dat de kosten van het onderzoek ongeveer € 5.480,- (exclusief BTW) zullen bedragen en een uurtarief geldt van € 130,- (exclusief BTW). Bij brieven van 8 februari 2018 van de griffie van het hof is de advocaten van partijen afzonderlijk verzocht om te reageren op de kostenbegroting.

2.5

[appellant] heeft bij brief van mr. Smit van 21 februari 2018 de griffie van het hof verzocht om Bovend’Eerdt te benaderen en hem te verzoeken een aangepaste kostenbegroting op te stellen. Het bezwaar van [appellant] betrof de door de voorgestelde deskundige begrote kosten (van € 910,-) voor inspectie/bezoek op locatie omdat de desbetreffende werkzaamheden volgens hem niet nodig zijn vanwege het feit dat reeds drie monsters beschikbaar zijn.

[geïntimeerde] heeft bij brief van 22 februari 2018 van mr. Roderburg de griffie van het hof bericht akkoord te gaan met de kostenbegroting, niet in te kunnen stemmen met het gebruik van de door [appellant] bedoelde monsters en het juist te achten dat Bovend’Eerdt ter plaatse monsters neemt.

Bij brief van 13 maart 2018 heeft de griffie van het hof beide brieven van [appellant] en [geïntimeerde] naar Bovend’Eerdt gestuurd en hem daarbij verzocht of de inhoud daarvan aanleiding is tot aanpassing van zijn begroting. In antwoord daarop heeft Bovend’Eerdt bij brieven aan het hof van 20 en 22 maart 2018 gereageerd en aangegeven zijn begroting niet aan te passen omdat een onderzoek ter plaatse ter beantwoording van de vragen noodzakelijk is. Beide brieven van 20 en 22 maart 2018 zijn door de griffie van het hof naar partijen gestuurd met de mededeling dat op 8 mei het benoemingsarrest zal worden uitgesproken.

2.6

Het hof acht het van belang om de door [geïntimeerde] voorgestelde vraag aan vraag 2 toe te voegen omdat de hoogte van de verwijderingskosten van belang kan zijn voor de vaststelling van het bedrag aan schade waarvoor [geïntimeerde] mogelijk jegens [appellant] aansprakelijk is. De door [appellant] voorgestelde aanpassing van vraag 2 neemt het hof niet over omdat die naast de - na overneming van het voorstel van [geïntimeerde] - van de deskundige gevraagde opgave van de verwijderingskosten geen zelfstandige betekenis heeft.

2.7

Het hof volgt [appellant] niet in zijn reactie op de kostenbegroting van Bovend’Eerdt dat volstaan kan worden met onderzoek van de reeds beschikbare monsters en dat onderzoek ter plaatste niet nodig is. Bovend’Eert dient op de wijze die hem ter beantwoording van vraag 1 goed dunkt het op de lamellen aanwezige stof immers te vergelijken met het materiaal van de aanwezige anhydrietvloer. Nu [appellant] zich op het standpunt heeft gesteld dat het niet gelukt is alle stof van de lamellen te verwijderen, moet er nog materiaal aanwezig zijn om die vergelijking te maken. Ook voor de beantwoording van vraag 2 is onderzoek ter plaatse noodzakelijk.

2.8

Het hof zal overgaan tot benoeming van genoemde deskundige Nadat de deskundige zijn rapport bij het hof heeft ingediend zal het hof partijen - eerst [appellant] en daarna [geïntimeerde] - in de gelegenheid stellen bij memorie op het deskundigenrapport te reageren.

2.9

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

3 Beslissing

Het hof:

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Is het op de lamellen aanwezige kwartsstof afkomstig is van het schuren van de vloer?

2. Zo ja, is het kwartsstof zodanig van alle lamellen te verwijderen dat geen zichtbare schade resteert en, indien dat het geval is, wat bedragen de kosten van verwijdering?

3. Heeft u nog opmerkingen in het kader van de u gegeven opdracht en/of die u voor de beoordeling van uw antwoorden van belang acht, zo ja, welke zijn dat?

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

ir. J. Bovend’Eerdt,

ABT Velp,

Arnhemsestraatweg 358, 6881 NK, Velp;

Postbus 82, 6800 AB Arnhem.

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat beide partijen vóór 15 mei 2018 kopieën van de overige gedingstukken aan de deskundige zullen doen toekomen, alsmede, na een verzoek daartoe van de deskundige, andere door deze noodzakelijk geachte stukken, voor zover mogelijk;

wijst de deskundige op het bepaalde in artikel 198 Rv, met name op de verplichting om bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en om in het schriftelijk bericht te doen blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de opmerkingen en/of verzoeken;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek overigens zelfstandig - in de zin van artikel 198 lid 2 Rv, dat wil zeggen niet onder leiding van het hof - zal verrichten en dat dit zal plaatsvinden op een door de deskundige te bepalen tijdstip;

bepaalt dat de deskundige een voorschot toekomt van € 5.480,-;

bepaalt dat [appellant] het bedrag van € 5.480,- dient te voldoen en daarvoor van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak een nota zal ontvangen met betaalinstructies; het bedrag moet worden voldaan binnen twee weken na ontvangst van die nota;

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het desbetreffende voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen;

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, door hem ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór 24 juli 2018;

bepaalt dat de deskundige tegelijk met dit bericht zijn declaratie ter griffie zal indienen onder vermelding van zaaknummer 200.186.977/01;

verwijst de zaak naar de rol van 31 juli 2018 voor deskundigenbericht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, H.T. van der Meer en

H.M.M. Steenberghe en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2018