Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1723

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
06-06-2018
Zaaknummer
23-004744-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijk aanwezig hebben van MDMA en amfetamine. Lagere en deels voorwaardelijke taakstraf ivm persoonlijke omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004744-16

datum uitspraak: 17 mei 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 21 december 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-004295-16 tegen

[verdachte 2] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 15 juli 2015, te Haarlem, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 157 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (3,4-methuleendioxymethamfetamine), zijnde XTC en/of ongeveer 1.11 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine, zijnde Speed, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bespreking van verweer in hoger beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een onrechtmatigheid buiten het kader van het vooronderzoek. De Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) heeft anonieme informatie gekregen waarvan de betrouwbaarheid niet is vastgesteld. Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof merkt allereerst op dat in het proces-verbaal binnentreden is vermeld dat het binnentreden plaatsvond met toestemming van de bewoner [bewoner] zodat van onrechtmatig binnentreden geen sprake is.

Behalve op grond van het voorgaande faalt het verweer van de raadsman ook reeds op de grond dat, zo in weerwil van het vorenstaande al sprake zou zijn van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dit niet leidt tot het door de raadsman bepleite gevolg, reeds omdat niet duidelijk is voor welk stuk in het dossier bewijsuitsluiting zou moeten volgen en voorts omdat door hem niets is aangevoerd in het kader van de ernst van het verzuim, de omstandigheden waaronder dit zou zijn begaan en het nadeel dat daardoor zou zijn veroorzaakt, op grond waarvan een dergelijke verstrekkende conclusie gerechtvaardigd zou zijn.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 juli 2015 te Haarlem, opzettelijk aanwezig heeft gehad 157 tabletten van een materiaal bevattende MDMA (3,4-methuleendioxymethamfetamine) en 1,11 gram van een materiaal bevattende amfetamine.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis waarvan 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.

De raadsman heeft verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen, gelet op het tijdverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van veel tabletten MDMA en een hoeveelheid amfetamine in zijn woning. Dit zijn voor de gezondheid van personen die het gebruiken schadelijke stoffen. Ook zijn dergelijke harddrugs bezwarend voor de samenleving, onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit. De ernst van dit feit wordt vergroot door de omstandigheid dat twee jonge kinderen verbleven in de woning waarin hij deze drugs bewaarde.

Uit hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft medegedeeld leidt het hof af dat de verdachte een eigen bedrijf heeft en dat zijn leefsituatie is gestabiliseerd hetgeen het hof meeweegt in het voordeel van de verdachte.

Ook is de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiƫle Documentatie van 19 april 2018 recentelijk niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen.

Hoewel de straf die is gevorderd door de advocaat-generaal gelet op de ernst van het feit in beginsel passend is te achten ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede het tijdsverloop sedert het bewezenverklaarde feit aanleiding om een iets lagere en deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. F.M.D. Aardema en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van

R. Rasink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 mei 2018.

mrs. G. Oldekamp, A.E. Kleene-Krom en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.