Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:171

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
200.219.384/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORAMS:2017:34, Ongegrondverklaring
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen notarissen. De kamer heeft het verzet van klaagster tegen de voorzittersbeslissingen ongegrond verklaard.

Artikel 99 (oud) Wna bepaalt (in de leden 5, 9 en 13) dat tegen een dergelijke beslissing van de kamer geen rechtsmiddel openstaat.

Het hof is niet van feiten en omstandigheden gebleken die dit anders maken. Klaagster wordt daarom in haar hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.219.384/01 NOT

nummers eerste aanleg : 624818/NT 17-20 B en 624819/NT 17-21 B

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 23 januari 2018

inzake

[klaagster] ,

wonend te [plaats] ,

appellante,

tegen

1. mr. [notaris 1] ,

notaris te [plaats] ,

2. mr. [notaris 2] ,

notaris te [plaats] ,

geïntimeerden.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante (hierna: klaagster) heeft op 14 juli 2017 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam (hierna: de kamer) van 27 juni 2017 (ECLI:NL:TNORAMS:2017:34). Bij genoemde beslissing heeft de kamer het verzet van klaagster tegen de beslissingen van de voorzitter van de kamer van 16 februari 2017 ongegrond verklaard.

1.2.

Op 4 september 2017 zijn van klaagster aanvullende stukken ontvangen.

1.3.

Geïntimeerden (hierna: de notarissen) zijn door het hof in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

1.4.

De zaak is, voor wat de ontvankelijkheid van klaagster in het hoger beroep betreft, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 9 november 2017. Klaagster is verschenen en heeft het woord gevoerd; de notarissen, met bericht van afwezigheid, zijn niet verschenen.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Ontvankelijkheid

3.1.

Klaagster heeft bij de kamer klachten ingediend tegen de notarissen. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissingen van 16 februari 2017 klaagster in de klacht jegens notaris mr. [notaris 1] gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en de klacht gedeeltelijk als kennelijk van onvoldoende gewicht afgewezen. Klaagster is in de klacht jegens notaris mr. [notaris 2] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissingen heeft klaagster tijdig verzet ingesteld bij de kamer. Na onderzoek van de klacht heeft de kamer bij beslissing van 27 juni 2017 het verzet ongegrond verklaard.

3.2.

In het algemeen staat - op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna) - tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel van hoger beroep bij dit hof open. Artikel 99 (oud) Wna bepaalt echter in de leden 5, 9 en 13
- verkort weergegeven en voor zover hier van belang - dat (i) de voorzitter van de kamer klachten die naar zijn oordeel kennelijk niet-ontvankelijk, dan wel kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht zijn, kan afwijzen, (ii) tegen een dergelijke beslissing van de voorzitter verzet kan worden gedaan bij de kamer en (iii) tegen de beslissing van de kamer dat het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond is, geen rechtsmiddel openstaat.

3.3.

Uit artikel 99 (oud) lid 13 Wna volgt dat er geen rechtsmiddel, zoals hoger beroep, tegen de bestreden beslissing kan worden ingesteld. Feiten of omstandigheden die meebrengen dat het hof aan deze uitsluiting van hoger beroep voorbij zou moeten gaan, zijn niet gebleken. Het voorgaande brengt mee dat klaagster in haar hoger beroep niet kan worden ontvangen.

3.4.

Klaagster heeft, met verwijzing naar de uitspraak van dit hof van 30 mei 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:1928), aangevoerd dat één van de leden van de kamer (naar het hof begrijpt in dit geval mr. P.J. van Veen) onbevoegd was. Het hof is er ambtshalve van op de hoogte dat genoemde Van Veen inderdaad een tijdlang onbevoegd is geweest om als belastinglid deel uit te maken van de kamer. Hoewel op de aan klaagster door de kamer gezonden oproeping voor de mondelinge behandeling bij de kamer op 16 mei 2017 wel staat vermeld dat deze Van Veen bij de behandeling van de klacht als belastinglid aanwezig zal zijn, blijkt uit de bestreden beslissing dat deze niet mede door hem is gegeven. Er is derhalve geen sprake van een onbevoegd lid van de kamer.

3.5.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

Het hof verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Lieber, F.J.P.M. Haas en B.J.M. Gehlen en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2018 door de rolraadsheer.