Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1696

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
20-06-2018
Zaaknummer
17/00346
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OB. Is belanghebbende omzetbelasting verschuldigd over de vergoedingen die zij in rekening heeft gebracht voor haar werkzaamheden als voorzitter/lid van de bezwaaradviescommissies van verschillende ministeries?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1311
Viditax (FutD), 20-06-2018
FutD 2018-1701
V-N 2018/41.1.4
NTFR 2018/1673 met annotatie van Mr. M.W.C. Soltysik
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 17/00346

29 mei 2018

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: prof. dr. B.G. van Zadelhoff,

tegen de uitspraak van 22 juni 2017 in de zaak met kenmerk HAA 15/4458 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 1 maart 2015 op aangifte omzetbelasting voldaan over het

tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze voldoening op aangifte. Bij

uitspraak, gedagtekend 1 oktober 2015, heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld. De rechtbank heeft in haar

uitspraak van 22 juni 2017 als volgt beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’).

“De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Minister tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële

schade, vastgesteld op € 500;

  • -

    veroordeelt de Minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990;

  • -

    draagt de Minister op het betaalde griffierecht van € 167 aan eiseres te vergoeden.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 14 juli

2017. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2017. Namens belanghebbende

is verschenen de gemachtigde, bijgestaan door E. Geersheuvels en T. Pouw. Namens de inspecteur zijn verschenen mr. M.G. Kluivers-Boom en mr. B.F. Kroezen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld.

“1. In het onderhavige jaar was eiseres werkzaam als lid respectievelijk voorzitter van

diverse bezwaaradviescommissies. Eiseres brengt voor deze werkzaamheden vergoedingen in rekening. Eiseres was onder meer werkzaam als voorzitter van de

bezwaaradviescommissie inzake personele aangelegenheden van het Ministerie van

Veiligheid en Justitie en als voorzitter van de bezwaaradviescommissie inzake personele

aangelegenheden van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (samen aangeduid als de

ministeries). Dit betreft bezwaaradviescommissies als bedoeld in artikel 7:13 van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Een expertisecentrum regelt na ontvangst van een bezwaarschrift tegen een beslissing

van een van de ministeries de planning van de hoorzitting en overige organisatorische

handelingen. Dit expertisecentrum benadert de, voor het geven van een advies over het

betreffende bezwaarschrift, beoogde leden van de commissie.

3. Tot de stukken van het geding behoort de ‘mededeling voor het SGO inzake BTW op

vergoedingen voor adviescolleges en (advies)commissies’ waarin onder meer is

opgenomen:

“Per 1 januari 2013 is er nieuwe regelgeving gekomen over omzetbelasting (btw) voor

commissariaten. Deze gewijzigde regelgeving kan ook beteken dat omzetbelasting (btw)

moet worden berekend over de vergoedingen, die worden toegekend aan voorzitters en leden van adviescolleges en (advies)commissies (van het Rijk). Zoals bijvoorbeeld de

Gezondheidsraad, de Onderwijsraad, auditcommittee’s en bezwarenadviescommissies.

Niet in alle gevallen is omzetbelasting (btw) verschuldigd over een vergoeding die aan een voorzitter of een lid van een adviescollege of commissie is verschuldigd. De vraag die moet worden beantwoord is of een voorzitter of een lid zelfstandig een prestatie in het economisch verkeer verricht. Van een dergelijke prestatie kan sprake zijn als een voorzitter of een lid betaald wordt voor deze werkzaamheden anders dan slechts een kostenvergoeding. Het antwoord op de vraag is echter sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden waaronder wordt opgetreden. Aangezien deze per geval kunnen verschillen is het niet mogelijk hier algemene richtlijnen op te formuleren. Het is aan de belastinginspecteur omzetbelasting om de feiten en omstandigheden van het geval te beoordelen en een standpunt in te nemen.

Het eventueel verschuldigd zijn van omzetbelasting (btw) op een vergoeding voor een

lidmaatschap in een adviescollege of commissie heeft geen invloed op de hoogte van de

vergoeding. Eventueel verschuldigde omzetbelasting (btw) kan niet boven de toegekende

vergoeding op grond van de Wet en het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies bij het ministerie in rekening worden gebracht. Het besluit bepaalt de maximale toe te kennen vergoeding en dit maximum kan (ook niet door omzetbelasting) worden overschreden.

Het ligt niet in de rede om het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies aan te

passen in verband met gewijzigde fiscale regelgeving Het verhogen van vergoedingen zal op weinig politiek draagvlak kunnen rekenen. In 2009 is het besluit in werking getreden als afronding van een toezegging aan de Tweede Kamer om de vergoedingen te harmoniseren.

Bovendien wijzigingen in de fiscale regelgeving leiden in het algemeen ook niet tot

aanpassing van de rechtspositionele aanspraken van rijksambtenaren.

Daarnaast kan, in het geval een voorzitter of een lid omzetbelasting (btw) is verschuldigd

over de aan hem toegekende vergoeding, hij in beginsel deze verschuldigde omzetbelasting weer verrekenen met de aan hem in rekening gebracht omzetbelasting voor de aan hem geleverde prestaties.”

4. In totaal heeft eiseres aan de ministeries in 2014 een bedrag van € 11.264 in rekening

gebracht. De ministeries hebben eiseres meegedeeld niet bereid te zijn omzetbelasting te

betalen bovenop de door eiseres aan hen in rekening gebrachte vergoedingen. Eiseres is met betrekking tot haar werkzaamheden voor de ministeries daarom bij de berekening van de door haar verschuldigde omzetbelasting ervan uitgegaan dat de vergoeding inclusief

omzetbelasting is.

5. Ter zake van al haar werkzaamheden in 2014 heeft eiseres als volgt aangifte voor de

omzetbelasting gedaan.

Omzet € 40.166

BTW 21% € 8.435

Voorbelasting € 352

Totaal € 8.083

In het totaal verschuldigde bedrag van € 8.083 is een bedrag van € 1.955 (21/121 van

€ 11.264) begrepen dat betrekking heeft op de werkzaamheden die eiseres voor de

ministeries heeft verricht.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Hieraan voegt het Hof nog het volgende toe.

2.3.

Belanghebbende wordt als lid/voorzitter van een bezwaaradviescommissie benoemd door de Minister van het desbetreffende ministerie (zie onder overweging 1 van de rechtbankuitspraak), voor een periode van vier jaar.

2.4.

Belanghebbende verricht vergelijkbare diensten voor een aantal andere dan de in overweging 1 van de rechtbankuitspraak vermelde ministeries (hierna: de andere ministeries). Een deel van de omzet in 2014 ad € 40.166 heeft betrekking op werkzaamheden voor de andere ministeries. Anders dan de ministeries hebben de andere ministeries in het aangepaste beleid als beschreven in onderdeel 3 van de rechtbankuitspraak, aanleiding gezien om de vacatiegelden te verhogen met btw. Belanghebbende heeft ter zitting bij het Hof verklaard dat zij in die gevallen, die op vergelijkbare werkzaamheden voor de andere ministeries betrekking hebben, uit praktische overwegingen geen bezwaar tegen de voldoening op aangifte heeft gemaakt.

2.5.

Tijdens de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende verklaard:

“De gemachtigde

[…] Desgevraagd licht ik toe hoe men in aanmerking komt voor lidmaatschap van een dergelijke commissie. Het samenstellen van deze commissies is in handen van Het Expertisecentrum Organisatie en Personeel (EC O&P). Zij benaderen de mogelijke leden/voorzitters van bezwaaradviescommissies. Als de benaderde persoon geïnteresseerd is, wordt hij/zij benoemd. Er is geen sprake van een sollicitatie of iets dergelijks. […]

De inspecteur:

[…]

Ik heb op internet onderzoek gedaan naar de wijze waarop de invulling van dergelijke commissies plaatsvindt. Daaruit heb ik opgemaakt dat het ook mogelijk is om zelf aan te geven dat je belangstelling hebt voor een plek in deze commissies. In beginsel kan een ieder op die wijze voor benoeming in aanmerking komen.

De gemachtigde:

Bij gebrek aan kennis daaromtrent, weet ik niet of ik kan betwisten dat het ook mogelijk is te solliciteren voor de commissies.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of belanghebbende omzetbelasting verschuldigd is over de vergoedingen die zij in rekening heeft gebracht voor haar werkzaamheden als voorzitter/lid van de bezwaaradviescommissies van de ministeries (de vergoedingen). Als het gelijk aan belanghebbende is, is niet in geschil dat zij recht heeft op een teruggave van € 1.955.

De door de rechtbank vastgestelde vergoeding voor immateriële schade is in hoger beroep niet in geschil.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Beoordeling van het geschil

De rechtbank heeft in haar uitspraak, voor zover hier van belang, als volgt overwogen.

“9. Wettelijk kader

Artikel 7:13 van de Awb

1. Dit artikel is van toepassing indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is

ingesteld:

a. die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden,

b. waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het

bestuursorgaan en

c. die voldoet aan eventueel bij wettelijk voorschrift gestelde andere eisen.

2. Indien een commissie over het bezwaar zal adviseren, deelt het bestuursorgaan dit zo spoedig mogelijk mede

aan de indiener van het bezwaarschrift.

3. Het horen geschiedt door de commissie. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een lid dat

geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.

4. De commissie beslist over de toepassing van artikel 7:4. zesde lid, van artikel 7:5. tweede lid, en, voor zover

bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald, van artikel 7:3.

5. Een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan wordt voor het horen uitgenodigd en wordt in de gelegenheid

gesteld een toelichting op het standpunt van het bestuursorgaan te geven.

6. Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het horen.

7. Indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden

voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden.

10. In artikel 7 van de Wet OB is, voor zover hier van belang, bepaald dat ondernemer is

ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. Onder bedrijf moet mede worden verstaan beroep.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat de wetgever aan het

begrip ondernemer geen andere betekenis heeft willen toekennen dan aan het begrip

belastingplichtige in artikel 9 van de Btw-richtlijn. Artikel 7 van de Wet OB moet dus

richtlijnconform worden uitgelegd.

11. Volgens artikel 9, eerste lid, eerste alinea, van de Btw-richtlijn wordt als

belastingplichtige beschouwd eenieder die zelfstandig een economische activiteit verricht,

ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit. Het begrip economische activiteit

omvat alle werkzaamheden van een dienstverrichter die tegen vergoeding worden verricht.

Er moet daarbij sprake zijn van een rechtstreeks verband tussen de prestatie en de

vergoeding. Het is vaste rechtspraak dat het begrip economische activiteiten een ruime

werkingssfeer heeft (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van

20 juni 2013 C-219/12, Finanzamt Freistadt Rohrbach Urfahr, ECLI:EU:C:2013:413).

12. In artikel 10 van de Btw-richtlijn is bepaald dat de in artikel 9, eerste lid, bedoelde

voorwaarde dat de economische activiteit zelfstandig moet worden verricht, loontrekkenden

en andere personen van de belastingheffing uitsluit, voor zover zij met hun werkgever een

arbeidsovereenkomst hebben aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een

verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en

bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever.

13. Vaststaat dat eiseres diensten heeft verricht aan de ministeries en dat zij daarvoor een

vergoeding heeft ontvangen. Eiseres heeft het bestaan van een rechtstreeks verband tussen

de diensten en die vergoeding niet bestreden. De hoogte van de vergoeding is ook

afhankelijk van het aantal dagdelen dat eiseres aan het bijwonen van een zitting of

vergadering besteedt en van de zwaarte van de zaak. Gesteld noch gebleken is dat sprake is

van een vorm van asymmetrie als bedoeld in het arrest van het HvJ van 12 mei 2016, C

520/14, Gemeente Borsele, ECLI:EU:C:2016:334. Voorts staat vast dat geen sprake is van

incidentele activiteiten. Eveneens staat vast dat geen sprake is van arbeidsovereenkomsten

gesloten tussen de ministeries en eiseres. Verder maakt eiseres als voorzitter van de

bezwaaradviescommissies van de ministeries ingevol2e artikel 7:13, eerste lid, van de Awb

geen deel uit van de ministeries en is zij niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de

ministeries. Dit leidt ertoe dat zij als voorzitter onafhankelijk van de ministeries optreedt.

Tussen partijen is overigens niet in geschil dat eiseres met betrekking tot de inhoud van de

door haar verrichtte werkzaamheden onafhankelijk is.

14. Zoals eiseres ter zitting uiteen heeft gezet, wordt zij door een expertisecentrum benaderd

niet het verzoek of zij als voorzitter wil optreden bij de advisering over een bezwaarschrift

en staat het haar volledig Vrij dat verzoek van het expertisecentrum afte wijzen. Eiseres is

dus op generlei wijze verplicht zich beschikbaar te houden voor de desbetreffende

werkzaamheden. Uit de stukken en het ter zitting gestelde volgt dat eiseres de daadwerkelijk

door haar bestede dagdelen declareert aan de ministeries. Dat op ziche1f de

dagdeelvergoeding die de ministeries bereid zijn te betalen aan een maximum lijkt te zijn

gebonden. maakt niet dat ten aanzien van de bezoldiging sprake is van ondergeschiktheid

van eiseres aan de ministeries. Het staat eiseres immers vrij om de werkzaamheden niet te

verrichten wanneer zij de vergoeding te laag vindt. Daarnaast heeft zij de mogelijkheid een

lagere vergoeding te berekenen en aldus meer in concurrentie te treden met andere juristen

die op dit vlak werkzaam (willen) zijn.

15. Eiseres bepaalt voorts zelf, binnen het kader van de Awb, op welke wijze zij invulling

geeft aan haar rol als voorzitter van de bezwaaradviescommissies. De ministeries zijn niet

bevoegd haar daartoe inhoudelijke aanwijzingen te geven. De door eiseres, met de overige

commissieleden, uitgebrachte adviezen kunnen door de ministeries worden overgenomen.

De adviezen kunnen echter ook terzijde worden geschoven. Dat eventuele bezwaarmakers

eiseres niet kunnen aanspreken op de inhoud of de kwaliteit van het advies neemt niet weg

dat indien de adviezen onder de maat zijn eiseres daarop door haar opdrachtgevers, de

ministeries, kan worden aangesproken. Dit kan tot gevolg hebben dat eiseres niet langer

door de ministeries zal worden ingeschakeld. Aldus ligt de verantwoordelijkheid en het

risico voor de kwaliteit van haar werkzaamheden volledig bij eiseres.

16. Gezien het voorgaande is eiseres voor haar werkzaamheden als voorzitter van de

bezwaaradviescommissies van de ministeries ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet

OB. Eiseres heeft dan ook terecht over de hiervoor ontvangen vergoeding omzetbelasting

voldaan. Het beroep is daarom ongegrond.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Belanghebbende voert ook in hoger beroep aan dat zij de werkzaamheden als lid/voorzitter van de bezwaaradviescommissies van de ministeries niet als ondernemer heeft verricht zodat zij in zoverre ten onrechte btw op aangifte heeft voldaan. De inspecteur meent daartegenover dat bedoelde bedragen de vergoedingen vormen voor door belanghebbende in het kader van haar onderneming verrichte diensten, zodat de belasting terecht op aangifte is voldaan.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende wegens het verrichten van andere dan de in geding zijnde werkzaamheden, ondernemer is in de zin van de Wet OB. Evenmin is in geschil dat de onderhavige werkzaamheden niet zijn verricht op grond van een arbeidsovereenkomst, dat zij een duurzaam karakter hebben, dat zij zijn verricht tegen een vergoeding die niet als ‘symbolisch’ kan worden aangemerkt en dat zij zijn verricht in rechtstreeks verband met de thans in geding zijnde vergoedingen.

5.3.

Partijen houdt verdeeld of de onderhavige prestaties zijn verricht in het economische verkeer en, zo dit het geval is, belanghebbende over voldoende zelfstandigheid beschikt om voor de in geding zijnde activiteiten als ondernemer te kwalificeren.

Het economisch karakter van de betrokken werkzaamheden

5.4.

Volgens artikel 9, lid 2, van de Btw-richtlijn, de interpretatiebasis van artikel 7 Wet OB 1968, omvat het begrip economische activiteiten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van onder meer de uitoefening van vrije of daarmee gelijkgestelde beroepen. Uit deze definitie blijkt, zoals ook terecht door de rechtbank is overwogen, dat het begrip economische activiteiten een ruime werkingssfeer heeft. Daarmee worden alle dienstverrichtingen van beoefenaren van vrije beroepen bedoeld. Voorts heeft voornoemd begrip een objectief karakter, in die zin dat elke activiteit op zichzelf wordt beschouwd, onafhankelijk van het (subjectieve) oogmerk van de beoefenaar of het resultaat van de activiteit. Gelet op het objectieve karakter van het begrip economische activiteiten doet aan dit oordeel niet af dat activiteiten van de leden/voorzitters van – zoals in het onderhavige geval – bezwaaradviescommissies het algemeen belang dienen noch dat deze activiteiten bij Wet zijn geregeld. Ingevolge artikel 25, onderdeel c, van de Btw- richtlijn zijn immers ook krachtens een Wet verrichte activiteiten aan het stelsel van de Btw onderworpen (vgl. HvJ van 26 maart 1987, zaak 235/85, r.o 10).

5.5.

De stelling dat voor de onderhavige activiteiten geen ‘markt’ zou bestaan, zoals belanghebbende aanvoert, waardoor deze een economisch karakter ontberen, wordt door het Hof verworpen reeds omdat een ieder die aan de gestelde kwalificaties voldoet – naar de inspecteur ter zitting van het Hof onvoldoende weersproken heeft gesteld (zie 2.5) en het Hof aannemelijk acht – op verzoek of desgevraagd kan worden benoemd (of niet kan worden benoemd) tot lid of voorzitter van een bezwaaradviescommissie. Anders dan belanghebbende stelt fungeert zij derhalve als deelnemer aan een markt, door het tegen vergoeding verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de bezwaaradviescommissies van de ministeries. Dat belanghebbende de werkzaamheden in persoon moet verrichten doet daaraan niet af, en evenmin, zoals hiervoor (5.4) overwogen, dat de activiteiten het algemeen belang dienen en/of bij Wet geregeld zijn. De onderhavige werkzaamheden zijn voor eigen rekening verricht en staan daarenboven niet op zichzelf; belanghebbende is duurzaam lid/voorzitter van diverse bezwaaradviescommissies zodat, gelet op de ruime werkingssfeer die het HvJ aan dit begrip toekent, sprake is van economische activiteiten in de zin van de Wet OB.


De zelfstandige uitoefening van deze activiteiten

5.6.

Artikel 10 van de Btw-richtlijn sluit al diegenen uit die met een werkgever een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever. Belanghebbende beroept zich op deze uitzondering op de btw-plicht en stelt dat ook indien ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van economische activiteiten, deze geen zelfstandig uitgeoefende activiteiten zijn, daar belanghebbende een juridische band heeft met de ministeries waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de ministeries.

5.7.

Belanghebbende voert in dat kader aan dat zij is benoemd als voorzitter/lid van een bezwaaradviescommissie door het desbetreffende ministerie voor een periode van vier jaar. Alleen personen die als zodanig benoemd zijn, kunnen deelnemen of gevraagd worden om deel te nemen aan de werkzaamheden van een bezwaaradviescommissie. Belanghebbende verricht haar werkzaamheden op verzoek en onder verantwoordelijkheid van het desbetreffende ministerie en loopt ter zake van deze werkzaamheden geen ondernemersrisico’s; zij kan niet aansprakelijk worden gesteld in gevallen waarin zij werkzaamheden niet naar behoren zou uitvoeren. Bovendien zijn haar arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden bij Wet bepaald zodat zij in wezen een positie bekleedt die goed vergelijkbaar is met die van een werknemer.

5.8.

Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Niet in geschil is dat belanghebbende – ondanks haar benoeming voor een periode van vier jaar – zich niet ervan verzekerd weet of en in welke mate zij zal worden gevraagd voor het daadwerkelijk verrichten van werkzaamheden voor een bezwaaradviescommissie in één of meer individuele gevallen. Voorts staat vast dat een ministerie aan belanghebbende enkel een vergoeding is verschuldigd als zij daadwerkelijk werkzaamheden voor een bezwaaradviescommissie heeft verricht. Belanghebbende draagt derhalve, anders dan zij stelt, in zoverre economische casu quo inkomensrisico’s. Tevens staat vast dat belanghebbende geen deel uit maakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van een ministerie. Dit vloeit rechtstreeks voort uit het bepaalde in artikel 7:13, lid 1, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.9.

Het Hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden de positie van belanghebbende - die lid is van meerdere bezwaaradviescommissies - veeleer overeenkomt met die van een beoefenaar van een vrij of daarmee gelijkgesteld beroep, dat die althans onvoldoende vergelijkbaar is met die van een werknemer, zodat er geen plaats is voor een geslaagd beroep op de uitzondering als bedoeld in artikel 10 van de Btw-richtlijn.
De in geding zijnde bedragen vormen bijgevolg vergoedingen voor door belanghebbende in het kader van haar onderneming verrichte diensten, zodat de belasting terecht op aangifte is voldaan.

5.10.

Dit oordeel vindt steun in het arrest van het HvJ EU van 25 juli 1991, C-202/90, Ayuntamiento de Sevilla waarin ten aanzien van Spaanse ontvangers voor zover hier van belang is overwogen:

“11 Ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden is er geen verhouding van ondergeschiktheid, wanneer ontvangers zelfstandig, binnen de door de wet gestelde grenzen, het personeel en materieel kunnen aantrekken en organiseren, dat nodig is voor de uitvoering van hun werkzaamheden.

12 In die omstandigheden is het feit dat de ontvangers functioneel afhankelijk zijn van het gemeentelijk gezag, dat hun instructies kan geven, alsmede dat zij tuchtrechtelijk aan dat gezag zijn onderworpen, niet doorslaggevend voor de wijze waarop hun juridische band met de gemeente in het licht van artikel 4, lid 4, van de richtlijn moet worden gekwalificeerd (…)

13 Ten aanzien van de bezoldigingsvoorwaarden is er geen verhouding van ondergeschiktheid, wanneer de ontvangers de economische risico’ s van hun werkzaamheden dragen, in zoverre de winst die zij daaruit behalen, niet alleen afhangt van het bedrag aan geïnde belastingen, maar ook van de uitgaven in verband met de organisatie van het voor hun werkzaamheden ingezette personeel en materieel.”

5.11.

Indien en voor zover belanghebbende een beroep heeft willen doen op het arrest van het HvJ EU van 18 oktober 2007, C-355/06, ECLI:EU:C:2007:615 (Van der Steen), waarin voor recht is verklaard dat een natuurlijke persoon die voor een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is, werkzaamheden verricht ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst, geen belastingplichtige is, wordt dit beroep verworpen reeds omdat te dezen geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de ministeries en belanghebbende (zie r.o. 5.2).

5.12.

Gezien vorenstaande is het Hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot een juist oordeel is gekomen.

Slotsom

5.13.

De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 29 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.