Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:1681

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
23-000763-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal, art. 310 Sr. Bewijsoverweging: verwerping verweer omtrent oogmerk wederrechtelijke toe-eigening. Benadeelde partij deels niet-ontvankelijk. Taakstraf voor de duur van 20 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000763-17

datum uitspraak: 29 mei 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-191909-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

adres in buitenland: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 september 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om doelmatigheidsredenen.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit omdat – naar het hof begrijpt – de verdachte geen oogmerk heeft gehad van wederrechtelijke toe-eigening; hij heeft de tas immers bij de servicebalie afgegeven, nadat hij buiten de winkel enkele biertjes die hij in de Albert Heijn had gekocht, aan een bekende had gegeven.

Het hof stelt het volgende vast.

De verdachte heeft op 18 september 2016 in een Albert Heijn in Amsterdam een onbeheerd achtergelaten tas met inhoud meegenomen. Hij heeft enkele producten bij de kassa afgerekend, zonder aan de caissière de bewuste tas af te geven of te melden dat hij deze had ‘gevonden’. Vervolgens is de verdachte niet naar de servicebalie gelopen om de tas af te geven, maar heeft hij de winkel met de tas verlaten. Dat hij de winkel nadien weer is binnengegaan om de tas af te geven, blijkt niet uit de ter terechtzitting in hoger beroep bekeken camerabeelden of anderszins uit het dossier. Daar komt nog bij dat de tas later, toen de eigenaar van de tas in de Albert Heijn navraag deed, kennelijk aldaar niet is aangetroffen. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario is mitsdien niet aannemelijk geworden, terwijl zijn handelen naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zonder meer duidt op diefstal van de tas.

Het hof verwerpt dan ook het verweer en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tas met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 september 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas met inhoud, toebehorende aan [benadeelde] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde feit veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren, bij niet verrichten te vervangen door 10 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot eenzelfde straf als opgelegd door de rechter in eerste aanleg.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een rugtas die hij onbeheerd aantrof in een winkel. Een dergelijk feit brengt naast financiële schade ook hinder en ongemak voor de gedupeerde mee. De verdachte heeft zich hiervan geen rekenschap gegeven en zich kennelijk alleen laten leiden door financieel gewin. Het hof rekent hem dit aan.

Het hof acht een taakstraf een passende sanctie. Gelet op de mededeling van de raadsman dat de verdachte via het kantoor van de raadsman bereikbaar is voor de tenuitvoerlegging ervan acht het hof een taakstraf uitvoerbaar.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf als gevorderd door de advocaat-generaal passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

heeft zich als benadeelde partij in onderhavig strafproces gevoegd en daarbij een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade ten bedrage van € 742,77 en immateriële schade ten bedrage van € 315 als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde feit. De politierechter heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 147 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft de oorspronkelijke vordering gehandhaafd. Deze vordering is daarom in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 147 en tot niet-ontvankelijkheid van het overige gevorderde.

De verdediging heeft de vordering betwist, behoudens ten aanzien van de tas. Waar het de tas betreft, komt de vordering dan ook voor toewijzing in aanmerking. Daarnaast stelt het hof vast dat de benadeelde partij reeds in de aangifte gewag heeft gemaakt van de diefstal van € 100, die zich in de rugtas bevonden. Het hof heeft geen reden hieraan te twijfelen, zodat ook deze schadepost voldoende vast staat. Voor het overige is de vordering thans onvoldoende onderbouwd; het bieden van een extra gelegenheid aan de benadeelde partij om deze onderbouwing te geven, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. In zoverre zal de benadeelde partij dan ook in haar vordering niet ontvankelijk worden verklaard en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte zal worden vergoed, zal het hof ten aanzien van de toegewezen vordering tot schadevergoeding de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 147,00 (honderdzevenenveertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 147,00 (honderdzevenenveertig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 18 september 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 mei 2018.

mr. A.M. Ruige is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]